[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-13788":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-13788":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1708","ECLI:NL:RBDHA:2026:13788","",63,"Utrecht","utrecht","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.21723 en NL24.33955\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,\n\n [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,\n\nmede namens hun minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1]en[minderjarige 2] ,\n\nhierna samen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij zijn van Venezolaanse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1987 en eiseres op [geboortedatum 2] 1991. De minister heeft met de bestreden besluiten van 28 mei 2024 de aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben daarna aanvullende gronden en stukken ingediend.2.2.. De rechtbank heeft op 7 februari 2025 het onderzoek ter zitting geopend en de beroepen aan de orde gesteld. Omdat er geen tolk beschikbaar was, hebben eisers verzocht om de zitting aan te houden. De rechtbank heeft de behandeling van de zaken geschorst en eisers verzocht een nadere toelichting te geven op verschillende ingediende bronnen. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.\n\n2.3.. Eisers hebben op 13 februari 2025 gereageerd. De minister heeft op 5 maart 2025 gereageerd. Eisers hebben daarna nog verschillende stukken overgelegd.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 7 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de beroepen verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de behandeling van de beroepen door de meervoudige kamer op de zitting van 13 januari 2026. Eisers en hun gemachtigde zijn verschenen. De minister is niet verschenen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek geschorst en de beroepen niet inhoudelijk behandeld.\n\n2.6.. Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft vervolgens plaatsgevonden op 5 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, A.N. van den Berg - Barrio als tolk en de gemachtigde van de minister. Na de behandeling heeft de rechtbank het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten. Bij de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank zal in deze uitspraak eerst de asielrelazen en de bestreden besluiten weergeven. Daarna zal de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden ingaan op asielmotieven die de minister niet geloofwaardig heeft bevonden. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de risicobeoordeling en de zwaarwegendheid van de geloofwaardig bevonden asielmotieven. Dit doet de rechtbank eerst in de zaak van eiser en daarna in de zaak van eiseres.\n\nDe asielrelazen\n\n4. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiser is sinds 2005 politiek actief. Hij was in Venezuela sociaal leider en steunde de partij Acción Democrática. In 2014 heeft eiser besloten om officieel lid te worden van Acción Democrática. Vanaf toen begonnen de problemen. Eiser kreeg telefonisch bedreigingen vanwege zijn politieke activiteiten. Deze bedreigingen werden steeds erger en veranderden in doodsbedreigingen. In januari 2018 is eiser twee keer fysiek aangevallen door de colectivos. Daarvan heeft eiser aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie en bij het CICPC. Eiser vreest bij terugkeer voor zijn leven en dat van zijn gezin. Eiser vreest voor de regering, decolectivos, de nationale garde en alle Venezolaanse autoriteiten.\n\n4.1.. Eiseres heeft verklaard dat zij in 2014 lid is geworden van Acción Democrática en dat vanaf 2015 de problemen begonnen vanwege haar politieke activiteiten. Eiseres en eiser kregen dreigtelefoontjes, waarin werd gezegd dat zij moesten stoppen met hun politieke activiteiten. Eiseres is op 11 november 2017 ontslagen op haar werk vanwege haar politieke overtuiging. Eiseres was werkzaam in een regeringsgezind ziekenhuis. Eiseres en eiser zijn op 12 januari 2018 fysiek mishandeld door de colectivosen zij hebben hier beiden aangifte van gedaan. Twee dagen later is eiser nogmaals mishandeld. Vervolgens hebben eisers besloten om naar Colombia te vertrekken, waar zij vier jaar hebben verbleven. Daarna zijn eisers via Spanje naar Nederland gereisd. Eiseres vreest bij terugkeer om gefolterd of vermoord te worden.\n\nDe bestreden besluiten\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nLidmaatschap bij de Acción Democrática;\n\nPolitieke activiteiten;\n\nPolitieke overtuiging;\n\nProblemen vanwege de politieke activiteiten.\n\n5.1.. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nLidmaatschap bij de Acción Democrática;\n\nPolitieke activiteiten;\n\nPolitieke overtuiging;\n\nProblemen vanwege de politieke activiteiten.\n\n6. De minister vindt de politieke activiteiten en de problemen vanwege de politieke activiteiten van eisers niet geloofwaardig. Ten aanzien van eiseres vindt de minister ook het lidmaatschap van Acción Democrática niet geloofwaardig.\n\n6.1.. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst en de politieke overtuiging van eisers geloofwaardig. Ook vindt de minister het lidmaatschap van eiser van Acción Democrática geloofwaardig. De minister vindt de geloofwaardig geachte asielmotieven niet zo zwaarwegend dat eisers gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. De minister vindt dat er geen sprake is van een zodanig sterke politieke overtuiging dat de vrees gegrond is en dat eisers bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag nodig hebben. Eisers behoren ook niet tot een risicogroep als bedoeld in paragraaf C2\u002F3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser is alleen lid van de partij, maar de politieke activiteiten en de daaruit voortkomende problemen zijn ongeloofwaardig geacht. Ten aanzien van de activiteiten op sociale media ziet de minister niet in dat eisers, na lang niet meer politiek actief te zijn geweest, nu ineens politiek actief zijn op sociale media. De minister vindt dat van eisers terughoudendheid mag worden verwacht wat betreft de toekomstige politieke activiteiten bij terugkeer naar Venezuela, omdat niet geloofwaardig is dat zij in het verleden politiek actief zijn geweest. Verder vindt de minister dat uit de overgelegde stukken volgt dat eisers fysiek zijn aangevallen en dat eiser verwondingen heeft opgelopen, maar hieruit blijkt niet dat eisers te vrezen hebben voor ernstige schade of vervolging. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen ongegrond zijn.\n\nDe geloofwaardigheidsbeoordeling: politieke activiteiten (eiser)\n\nWisselend verklaard over het zijn van sociaal leider\n\n7. Eiser voert aan dat hij zijn verklaringen in de zienswijze nog mag aanvullen en dat hij in het nader gehoor en in zijn reactie op het nader gehoor verduidelijking heeft gegeven van zijn activiteiten als sociaal leider. Deze verduidelijking is ook in lijn met zijn eerdere verklaringen. De minister had nadere vragen moeten stellen indien dit onduidelijk was. Ook vindt eiser dat zijn verklaringen niet wisselend zijn.\n\n8. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser wisselend heeft verklaard over het zijn van sociaal leider. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij de partij ondersteunde, dat men eiser begon te volgen, en als er een buurtgenoot was in de gemeenschap die iets nodig had dan wist eiser dat via de politici te bereiken voor die persoon.Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij, voordat hij lid werd van de partij, alleen op de partij stemde en dus geen ondersteuning bood. De minister heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze niet heeft verduidelijkt waarom hij hier wisselend over heeft verklaard.\n\nAlgemeen verklaard over de gehouden toespraken\n\n9. Eiser voert aan dat hij zijn verklaringen in de zienswijze nog mag aanvullen en vindt dat de hoormedewerker op dit punt niet goed heeft doorgevraagd. Eiser stelt dat niet van belang is dat hij benoemt aan hoeveel en aan welke evenementen hij heeft deelgenomen en wat zijn rol daarin was, maar dat het gaat om de vraag of hij actief was.\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser algemeen heeft verklaard over de toespraken die hij heeft gehouden. De minister heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij algemeen heeft verklaard over de inhoud van de toespraken. Zo heeft eiser heel algemeen verklaard dat de toespraken gingen over dat ‘we door moesten gaan met de strijd, dat de strijd niet achterwege kon worden gelaten, en dat we niet moesten stoppen met het ondersteunen van de strijd omdat dan alles wat we tot nu toe hadden gedaan tot niets zou hebben gediend’.Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser geen antwoord geeft op de vraag hoe vaak hij deze toespraken hield.De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat van eiser als woordvoerder mag worden verwacht dat hij (meer) voorbeelden had kunnen benoemen over wat hij in deze toespraken zei en een schatting had kunnen geven van het aantal toespraken dat hij heeft gehouden. De rechtbank vindt ook dat de hoormedewerker hierover voldoende heeft doorgevraagd. Het enkel aanvullen van de verklaringen in de zienswijze zonder nader te onderbouwen waarom eiser hierover in eerste instantie algemeen heeft verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.\n\nTegenstrijdige verklaringen over het gebruik van sociale media\n\n11. Eiser is van mening dat zijn verklaringen over het gebruik van sociale media niet tegenstrijdig zijn met de verklaringen van eiseres hierover.\n\n12. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat zijn verklaringen over het gebruik van sociale media niet tegenstrijdig zijn met de verklaringen van eiseres hierover. De minister werpt eiser tegen dat hij geen gebruik heeft gemaakt van sociale media om zijn volgers te bereiken, maar dat eiseres heeft verklaard dat zij samen foto’s publiceerden, berichten plaatsten op sociale media en dat de demonstraties die georganiseerd werden op Facebook werden geplaatst.De rechtbank stelt vast dat eiser in de correcties en aanvullingen heeft uitgelegd dat hij niet via sociale media contact hield met zijn volgers, maar via de telefoon. Hij publiceerde wel foto’s van bijeenkomsten en marsen op Facebook. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze toelichting van eiser onvoldoende heeft betrokken in het bestreden besluit.\n\nDocumenten onderbouwen de verklaringen niet\n\n13. Eiser wijst op de statuten van Acción Democrática en stelt dat wanneer iemand lid is van de partij, iemand ook actief is. Volgens eiser betekent dit dat het geloofwaardige lidmaatschap in de geloofwaardigheidsbeoordeling over zijn politieke activiteiten moet worden betrokken. Eiser vindt het te ver gaan dat een onjuiste datum op een verklaring van een politiek lid maakt dat dit alle geloofwaardigheid van de andere overgelegde documenten wegneemt. De overgelegde brieven zijn opgesteld door de partij en onderbouwen eisers verklaringen. Dat de verklaring van [persoon1] niet in detail benoemt aan hoeveel en aan welke evenementen eiser heeft deelgenomen en wat zijn rol was, is volgens eiser niet van belang omdat het gaat om de vraag of eiser politiek actief was.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de documenten de verklaringen van eiser over zijn politieke activiteiten niet onderbouwen. Eiser heeft bij het nader gehoor foto’s van letsel, foto’s met personen, een Colombiaanse aangifte en Colombiaanse aanplakbiljetten overgelegd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hieruit niet volgt dat eiser heeft deelgenomen aan protestmarsen en dat deze documenten daarom geen onderbouwing zijn van zijn politieke activiteiten.\n\n14.1.. Verder heeft eiser bij zijn zienswijze verschillende verklaringen van politici overgelegd, namelijk drie verklaringen van [persoon2] van 26 januari 2022, van 5 december 2023 en van 24 september 2024 en een verklaring van [persoon1] van 12 december 2023. De minister heeft terecht gesteld dat de verklaringen van [persoon2] van 5 december 2023 en van 26 januari 2022 tegenstrijdig aan elkaar zijn. In de verklaring van 5 december 2023 staat dat eiser vanaf 2005 actief lid is voor Acción Democrática en in de verklaring van 26 januari 2022 staat dat eiser vanaf 2014 actief is voor Acción Democrática. Ook heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat de verklaring van 5 december 2023 tegenstrijdig is aan eisers eigen verklaring, namelijk dat hij in 2014 lid werd van Acción Democrática.De rechtbank volgt daarom het standpunt van de minister dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn aan elkaar en de politieke activiteiten niet onderbouwen. Ook uit de verklaring van 24 september 2024 volgt niet waarom eiser als actief lid wordt beschouwd en op welke manier hij zich heeft ingezet voor Acción Democrática, zodat ook deze verklaring eisers verklaringen over zijn politieke activiteiten niet onderbouwd. Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat uit de verklaring van [persoon1] niet blijkt aan welke evenementen en demonstraties eiser heeft deelgenomen, hoe vaak hij hieraan heeft deelgenomen of wat eisers rol was bij deze evenementen en demonstraties. De rechtbank volgt de minister daarom in het standpunt dat ook dit document niet onderbouwt dat eiser politieke activiteiten voor Acción Democrática heeft verricht.\n\nConclusie politieke activiteiten\n\n15. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister niet ten onrechte de politieke activiteiten van eiser niet geloofwaardig heeft geacht. Dat de rechtbank de minister niet volgt in de tegenwerping dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het gebruik van sociale media, maakt het voorgaande niet anders.\n\nDe geloofwaardigheidsbeoordeling: problemen vanwege de politieke activiteiten (eiser)\n\n16. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de minister de politieke activiteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser daardoor niet kan worden gezien als activist en dat daarom niet kan worden ingezien waarom eiser doelwit zou worden van de Venezolaanse autoriteiten. De minister heeft aan zijn standpunt dat de problemen vanwege de politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn in het bestreden besluit en het daarin ingelast voornemen echter ook ten grondslag gelegd dat eisers wisselend hebben verklaard over de bedreigingen, de verklaringen over de aangifte ongerijmd zijn, eisers tegenstrijdig hebben verklaard over dat zij in de gaten worden gehouden door de Venezolaanse regering, hun verblijf in Colombia opmerkelijk is en de overgelegde documenten de verklaringen niet onderbouwen. Om het geschil zoveel mogelijk te beslechten, zal de rechtbank hieronder ingaan op de beroepsgronden die eisers hiertegen hebben aangevoerd.\n\nEisers hebben wisselend verklaard over de bedreigingen\n\n17. Eiser stelt dat hij nooit heeft verklaard dat de doodsbedreigingen in 2015 begonnen. Uit zijn verklaringen kan voldoende worden afgeleid dat het gaat om bedreigingen rond 2017 en niet vanaf 2015. Verder stelt eiser dat de termen ‘wekelijks’ en ‘elke week’ verschillende termen zijn en dat het niet onbegrijpelijk is dat deze termen een andere betekenis kunnen hebben.\n\n18. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat eisers wisselend hebben verklaard over de bedreigingen. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf 2015 bedreigingen ontving. In het nader gehoor verklaart eiser dat tegen hem werd gezegd ‘Je bent een ellendige verrader, stop met wat je aan het doen bent of het komt je duur te staanen‘je gaat het met je leven betalen, we weten waar je woont’.Verder heeft eiser verklaard dat de telefoontjes in 2017 inmiddels doodsbedreigingen waren.De rechtbank is van oordeel dat eisers verklaringen over wanneer de bedreigingen ontstonden en wanneer dit (volgens hem) doodsbedreigingen werden niet wisselend zijn. Ook vindt de rechtbank dat eisers niet wisselend hebben verklaard over de frequentie van de bedreigingen. Eiseres heeft namelijk verklaard dat de bedreigingen in 2015 begonnen en dat zij twee of drie keer per week een telefoontje of een sms kregen, dan werd er even gestopt en toen begon het opnieuw.Eiser heeft verklaard dat er soms een maand voorbij ging, soms langer, maar dat als er een protestmars was geweest de bedreigingen ook wel eens wekelijks waren.De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen van eisers over de frequentie van de bedreigingen niet wisselend zijn en volgt niet het standpunt van de minister dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat er meer bedreigingen waren dan uit de verklaringen van eiser naar voren komt. Dat eiser op een gegeven moment de bedreigingen voor eiseres verborgen hield, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat de hiervoor weergegeven verklaringen van eisers over de frequentie wisselend zijn.\n\nVerklaringen over de aangifte na de mishandeling zijn ongerijmd\n\n19. Eiser vindt het niet ongerijmd dat hij aangifte heeft gedaan ondanks zijn vrees voor de autoriteiten. Eiser wijst op verschillende zaken waarin de asielaanvraag door de minister is ingewilligd en waarin de desbetreffende vreemdeling ook aangifte had gedaan ondanks de vrees voor de autoriteiten.\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen over de aangifte ongerijmd zijn. De rechtbank stelt vast dat Bureau Documenten de aangifte niet vals of vervalst heeft bevonden. Verder vindt de minister het aannemelijk dat eiseres in eerste instantie een fout heeft gemaakt met het benoemen van een ander bestuursorgaan waar aangifte is gedaan, zodat de rechtbank niet volgt dat de minister desondanks deze fout toch tegenwerpt omdat deze volgens de minister te laat is gecorrigeerd. De rechtbank kan de minister ook niet volgen in het standpunt dat het ongerijmd is dat eiser vreest voor de Venezolaanse autoriteiten maar vervolgens wel ervoor kiest om aangifte bij die autoriteiten te doen wegens ontvoering. Dat eiser wel aangifte heeft gedaan van de aanval en de ontvoering en niet van de bedreigingen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eisers ongerijmd hebben verklaard over de aangifte. Eisers hebben toegelicht dat het belangrijk is om aangifte te doen om de feiten vast te leggen en om hierop terug te kunnen vallen als het regime verandert.\n\nVerblijf in Colombia is opmerkelijk\n\n21. Eiser betoogt dat het feit dat hij Venezuela op een legale manier en zonder problemen kon in- en uitreizen geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Eisers verklaringen hierover zeggen namelijk niets over het feit dat hij is aangevallen en is bedreigd door de colectivos. Eiser stelt dat de weergave in de zienswijze over het paspoort inderdaad geen juiste weergave is, maar de uitleg van de minister dat eiser de zaken probeert te verdraaien en dat eisers te kwader trouw zijn, bevestigt het vermoeden van eisers dat de minister niet objectief en neutraal naar de zaak heeft gekeken. Eiser voert verder aan dat tijdens het gehoor verschillende vertalingen voor het woordsacarzijn gebruikt, wat ‘halen’ betekent, maar in de context van Venezuela een afspraak voor het ‘krijgen’ of ‘aanvragen’ (van het paspoort) is. Eiser heeft de aanvraag zelf (in persoon) ingediend, terwijl de afspraak is gemaakt met behulp van een vriendin van zijn vrouw. Daarna is het paspoort door iemand anders opgehaald met behulp van de partij.\n\n22. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verblijf van eisers in Colombia opmerkelijk is. De minister heeft het opmerkelijk mogen vinden dat eisers stellen te vrezen voor de Venezolaanse autoriteiten, maar vervolgens vanuit Colombia naar Venezuela terugreizen om een paspoort en een uitreisstempel bij deze autoriteiten aan te vragen. De verklaringen van eiseres dat zij degene was die het paspoort heeft verlengd en niet eiser, en de verklaring van eiser dat hij is teruggegaan naar Venezuela om een paspoort en een uitreisstempel te regelen – wat daar ook van zij – nemen niet weg dat eisers (volgens de correcties en aanvullingen) wel beiden in 2021 zijn teruggegaan naar Venezuela om het paspoort te verlengen c.q. aan te vragen. Dit heeft de minister opmerkelijk mogen vinden. Verder heeft de minister ook kunnen tegenwerpen dat eisers vier jaar lang in Colombia hebben kunnen verblijven zonder problemen te krijgen met de Venezolaanse autoriteiten.\n\nDocumenten onderbouwen de verklaringen niet\n\n23. Eiser stelt dat hij verschillende documenten heeft overgelegd die de problemen vanwege de politieke activiteiten onderbouwen: een aangifte van zijn moeder, een WhatsApp-bericht van zijn zus, verklaringen van politici over zijn politieke activiteiten, verklaringen van het OM en een medische verklaring van eiseres, foto’s van zijn verwondingen en de aangifte van eiser over de bedreigingen. Eiser begrijpt niet dat het bewijs en de stelling (van de minister) dat het geloofwaardig is dat eiser is neergeschoten niet in positieve zin door de minister worden meegewogen in de beoordeling van de vraag of de aanvallen geloofwaardig zijn. Eiser stelt dat het geweld willekeurig is, zodat niet is vereist dat de precieze activiteiten geloofwaardig zijn om toch te worden vervolgd.Eiser stelt zich op het standpunt dat al deze documenten onderbouwen dat eiser met geweld is aangevallen vanwege zijn politieke activiteiten. Eiser heeft ook bewijs overgelegd dat zijn moeder nog altijd wordt vervolgd. Ook uit eiser zich nog altijd actief tegen het regime op sociale media.\n\n24. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de documenten de verklaringen van eiser over de problemen vanwege zijn politieke activiteiten niet onderbouwen.\n\n24.1.. Ten aanzien van de medische documenten over de verwondingen van eiser en de psychische klachten van eiseres, volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat deze documenten een weergave zijn van eisers eigen verklaringen en daarom niet objectief zijn. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de foto’s verwondingen laten zien, maar dat hieruit niet kan worden opgemaakt hoe deze verwondingen zijn opgelopen en de foto’s daarom niet aantonen dat eiser deze verwondingen heeft opgelopen als gevolg van problemen vanwege zijn politieke activiteiten.\n\n24.2.. Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat de aangifte bij het OM een weergave is van eisers eigen verklaringen en daarom niet als objectief is aan te merken. De rechtbank is verder van oordeel dat, ook als wel van de medische documenten en de aangifte wordt uitgegaan, eisers met die documenten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten is aangevallen, gelet op de omstandigheid dat de minister de politieke activiteiten van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.\n\n24.3.. Ten aanzien van de documenten die eiser heeft overgelegd die volgens hem ondersteunen dat zijn moeder is bedreigd en aangevallen door de colectivos,heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten problemen heeft. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder is aangevallen vanwege de politieke activiteiten die eiser in Nederland heeft uitgevoerd. Omdat eiser op 12 februari 2023 iets op sociale media heeft gepost, zou zijn moeder op 16 mei 2023 en op 17 november 2023 zijn bedreigd. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de moeder recent is bedreigd en dat de daders op zoek zijn naar eiser. De minister heeft terecht erop gewezen dat eiser sinds 2018 Venezuela heeft verlaten en heeft opmerkelijk mogen achten dat de moeder pas vijf jaar nadat eiser is vertrokken uit Venezuela problemen zou hebben ondervonden. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat de aangifte en klacht zijn gebaseerd op verklaringen van de moeder, geen objectieve weergave zijn van feiten en dat niet is gebleken wie de daders waren en waarom de vermeende aanval zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat uit de aangifte en klacht van de moeder niet volgt dat deze verband houden met de politieke activiteiten van eiser in Nederland. Ook volgt de rechtbank dat het Whatsapp-bericht van eisers zus het voorgaande niet aannemelijk maakt, omdat het geen objectieve onderbouwing betreft. Dat de daders al sinds vorig jaar op zoek zijn naar eiser en naar hem vragen, zoals in dit bericht staat, blijkt ook niet uit andere verklaringen (van eisers) of documenten.\n\n24.4.. De rechtbank concludeert dat uit het samenstel van de verklaringen van eiser en de documenten volgt dat eiser is aangevallen, maar dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit was vanwege zijn politieke activiteiten. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de politieke activiteiten niet geloofwaardig zijn zodat eiser niet kan worden gezien als (politiek) activist. Gelet hierop, heeft de minister kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten is bedreigd en aangevallen en doelwit is geworden van de Venezolaanse autoriteiten.\n\nConclusie problemen vanwege politieke activiteiten\n\n23. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de minister niet heeft mogen tegenwerpen dat eisers wisselend hebben verklaard over de bedreigingen en dat de verklaringen over de aangifte ongerijmd zijn, is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte de problemen vanwege de politieke activiteiten van eiser ongeloofwaardig heeft geacht omdat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt.\n\n23.1.. Omdat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de politieke activiteiten en de problemen vanwege deze politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn, wordt niet toegekomen aan de vraag of sprake is van omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vw.\n\nGegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer (eiser)\n\n24. Eiser stelt dat hij uit een politieke familie komt. Eiser staat dicht bij zijn broer die is verkozen tot gemeenteraadslid en behoort tot de oppositie. Eisers broer is eerder ook aangevallen. Daarnaast heeft eiser aangetoond dat hij vanuit Nederland politiek actief is. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023blijkt uit algemene informatie dat mensen die politiek actief zijn een verhoogd risico lopen als zij dichtbij belangrijke leden van de oppositie in Venezuela staan, zeker als dat familieleden zijn. Dat heeft de minister niet betrokken in de beoordeling. Eiser stelt dat van belang is dat het geloofwaardig is dat hij lid is van Acción Democrática en dat hij zich online is gaan uiten ruim voor de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op verschillende bronnen (sociale media posts) gewezen waaruit volgt dat hij zich in Nederland politiek actief uit. Verder wijst eiser op verschillende bronnenwaaruit volgt dat terugkeerders het risico lopen om te worden gedetineerd. Eiser vindt daarom dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers bij terugkeer naar Venezuela geen vrees hebben voor vervolging of ernstige schade.\n\n24.1.. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat zij bij terugkeer gevaar lopen, omdat het aannemelijk is dat zij vanwege hun uitingen op sociale media in de negatieve aandacht staan van de Venezolaanse autoriteiten. Eisers hebben een rapport van [persoon3] overgelegd waarin de algemene situatie in Venezuela voor wat betreft telefooncontroles wordt beschreven. Eisers stellen dan ook dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen gelet op de inhoud van hun telefoons en de (sociale media) activiteiten die zij in Nederland hebben verricht. Verder hebben eisers een rapport van [persoon4] en een rapport van [persoon5] ingebracht ter onderbouwing van hun standpunten.\n\nLidmaatschap van Acción Democrática en risicoprofiel\n\n25. In het landgebonden beleidten aanzien van Venezuela is bepaald dat oppositieleden en politiek activisten worden aangemerkt als risicoprofiel.De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet valt onder dit risicoprofiel. De minister vindt geloofwaardig dat eiser lid is van Acción Democrática, maar dat betekent niet dat eiser per definitie onder het risicoprofiel valt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser lid is van een oppositiepartij die is opgehouden te bestaan. Dat betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij lid is van een oppositiepartij. Eiser valt daarom ook niet onder het risicoprofiel ‘oppositielid’. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat hij een politiek activist is, aangezien zijn gestelde politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn bevonden. Weliswaar uit eiser zich in Nederland politiek op sociale media, maar dat is onvoldoende om hem aan te merken als oppositielid of politiek activist. De rechtbank is daarom met de minister van oordeel dat het lidmaatschap van Acción Democrática niet maakt dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.\n\nPolitieke overtuiging en uitingen op sociale media in Nederland\n\n26. De minister stelt zich op het standpunt dat het gegeven dat eiser lid is van Acción Democrática, dat hij een politieke overtuiging heeft en dat zijn familieleden politiek actief zijn, niet maakt dat voor eiser bij terugkeer naar Venezuela gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bestaat. De minister vindt de politieke overtuiging niet dusdanig sterk, dat hij hierdoor heeft te vrezen voor vervolging. Daarbij vindt de minister van belang dat eiser oppervlakkig en algemeen heeft verklaard over waarom hij voor Acción Democrática heeft gekozen en weinig tot niet onder woorden kan brengen wat de standpunten van de partij zijn. Ook zijn de politieke activiteiten – en de daaruit voortkomende problemen – van eiser niet geloofwaardig bevonden en is eiser al jaren weg uit Venezuela. Dat eiser zich na aankomst in Nederland pas politiek is gaan uiten op sociale media en dat hij zijn broer politiek adviseert is ook geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen. De minister vindt het niet aannemelijk dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat, omdat eisers bereik op sociale media niet groot is aangezien hij niet veel volgers heeft en niet is gebleken dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn sociale media account of zijn adviesrol. De minister vindt daarom dat van eiser terughoudendheid mag worden verwacht wat betreft zijn toekomstige politieke activiteiten bij terugkeer naar Venezuela.\n\n27. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan van een vreemdeling niet worden verlangd dat hij zich bij terugkeer naar het land van herkomst terughoudend opstelt in de uitoefening van zijn geloof of politieke overtuiging. Wanneer de minister geloofwaardig acht dat een vreemdeling in Nederland politieke activiteiten heeft ontplooid en niet heeft bestreden dat deze voortkomen uit een politieke overtuiging, kan niet van die vreemdeling worden verwacht dat hij zich bij terugkeer onthoudt van dergelijke activiteiten om vervolging te voorkomen.\n\n27.1.. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Y. en Z., en later in het arrest S. en A., uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van de betrokkene en eventueel verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen. Het is niet vereist dat de overtuiging van de betrokkene zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten. Volgens het arrest moet een uitputtend en grondig onderzoek worden verricht naar de relevante omstandigheden, waarbij zowel de specifieke persoonlijke situatie van de betrokkene als de bredere context van het land van herkomst in aanmerking moeten worden genomen.\n\n27.2.. Het betoog van eiser dat zijn broer politiek actief is en eiser daarom een risico loopt bij terugkeer, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eisers broer politiek actief is, niet betekent dat eiser daarom zal worden gemonitord en in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Weliswaar volgt uit openbare landeninformatie en uit de rechtspraakdat niet alleen activisten (die significantie kritiek uiten) te maken kunnen krijgen met geweld door de autoriteiten ofcolectivos.Ook worden mensen in Venezuela vrij makkelijk gezien als tegenstander van het regime en worden familieleden van opposanten van het regime soms tot doelwit gemaakt. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de politieke activiteiten van zijn broer in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Uit het rapport van [persoon4] volgt dat de bezigheden van eisers broer als politicus voor een oppositiepartij niet automatisch betekenen dat eiser zelf in het dagelijks leven in de gaten zal worden gehouden. Daarvoor zou eiser bekend moeten staan als een politiek activist, en zoals volgt uit rechtsoverweging 25 heeft de minister het ongeloofwaardig mogen achten dat eiser politieke activiteiten heeft verricht en is eiser daarom niet aan te merken als een politiek activist. Verder heeft de rechtbank hiervoor ook al overwogen dat uit de aangifte en klacht van de moeder van eiser niet blijkt dat dit verband houdt met activiteiten van eiser. Dat familieleden van eiser politiek actief zijn en problemen zouden hebben ondervonden, is daarom onvoldoende om aannemelijk te achten dat eiser daardoor in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten is komen te staan.\n\n27.3.. Over het risico dat eiser zou lopen vanwege zijn politieke overtuiging en politieke uitingen, stelt de rechtbank voorop dat eiser heeft verklaard dat hij de berichten die hij in Venezuela op sociale media heeft geplaatst en waarin hij zich politiek heeft geuit, heeft verwijderd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze politieke uitingen geen reëel risico voor vervolging of ernstige vrees (meer) opleveren bij terugkeer.\n\n27.4.. Wat betreft de politieke overtuiging en de politieke uitingen van eiser in Nederland, stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft en lid is van Acción Democrática. De minister vindt het ook geloofwaardig dat eiser in Nederland politieke uitingen heeft gedaan op sociale media en een petitie gericht aan de Venezolaanse autoriteiten met zijn naam heeft getekend.\n\n27.5.. De minister heeft zich in het kader van de zwaarwegendheid echter op het standpunt gesteld dat de politieke overtuiging van eiser niet zo sterk is en dat niet aannemelijk is dat de Venezolaanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers politieke uitingen op sociale media. Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat monitoring van sociale media, routinecontroles van (de inhoud van) telefoons en grenscontroles door de Venezolaanse autoriteiten plaatsvinden, maar dat er onvoldoende informatie is of deze controles en monitoring leiden tot arrestaties of een risico op vervolging. De minister stelt dat het feit dat de Venezolaanse autoriteiten sociale media monitoren daarom niet ertoe leidt dat iedereen die terugkeert in de problemen komt. Eisers hebben volgens de minister niet aannemelijk gemaakt de autoriteiten op de hoogte zijn van hun sociale media posts of politieke uitingen in Nederland. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat de telefoons van eisers bij terugkeer zullen worden doorzocht, maar dat van hen wat betreft uitingen op sociale media een bepaalde mate van terughoudend mag worden verwacht, bijvoorbeeld door het verwijderen van berichten op sociale media.\n\n27.6.. De rechtbank volgt de minister daarin niet. De minister acht immers aannemelijk dat eiser een politieke overtuiging heeft, lid is van Acción Democrática, zich in Nederland politieke heeft geuit op sociale media en een petitie gericht aan de Venezolaanse autoriteiten met zijn naam heeft getekend. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de geloofwaardig geachte politieke overtuiging van eiser en de kennelijke uitingen daarvan zich verhouden tot de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daaruit volgt immers dat geen terughoudendheid mag worden verwacht van een politieke overtuiging. De rechtbank ziet in dat kader niet in dat van eiser kan worden verlangd dat hij bij terugkeer zijn politieke uitingen op sociale media verwijderd. Verder is van belang dat uit bronnen volgt dat monitoring van sociale media, routinecontroles van (de inhoud van) telefoons en grenscontroles door de Venezolaanse autoriteiten plaatsvinden. In dat licht heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen risico loopt op vervolging of ernstige schade. Het is voor de rechtbank onduidelijk op welke informatie de minister baseert dat het - ondanks voormelde monitoring en controles - niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een risico zal lopen. Dit heeft de minister ook tijdens de zitting niet nader kunnen toelichten. Bovendien volgt uit het Algemeen Ambtsbericht Venezuela 2020 dat de Venezolaanse autoriteiten personen hebben aangeklaagd en veroordeeld voor de inhoud op sociale media.De rechtbank ziet in eisers verklaringen in combinatie met de aangehaalde landeninformatie en overgelegde bronnenvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de minister nader moet motiveren in hoeverre eiser in de negatieve belangstelling staat of kan komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging en sociale media activiteiten in Nederland en gelet op het risico op controles bij terugkeer. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat het meest recente Algemeen Ambtsbericht over Venezuela alweer dateert van 2020 en dus ruim vijf jaar oud is. De minister moet bij zijn beoordeling recente landeninformatie betrekken en ook de politieke uitingen van eiser op sociale media betrekken. De minister kan niet volstaan met de stelling dat het onaannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat omdat zijn bereik op sociale media beperkt is en hij niet veel volgers heeft.\n\nConclusie vrees voor vervolging en risico op ernstige schade\n\n28. De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn politieke overtuiging en sociale media activiteiten in Nederland. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.\n\nDe beoordeling van het bestreden besluit van eiseres\n\n29. Eiseres stelt dat zij tegen het regime in Venezuela is, en heeft te vrezen voor vervolging omdat zij in de zorg werkte. Eiseres voert verder aan dat zij wel lid was van Acción Democrática en ook politiek actief was. Zij betoogt dat zij is ontslagen vanwege haar politieke overtuiging. Het enkele feit dat in de officiële verklaring van haar werkgever niet staat dat zij is ontslagen vanwege haar overtuiging, betekent volgens eiseres niet dat haar verklaringen hierover ongeloofwaardig zijn. Eiseres ziet niet in waarom het weigeren om mee te doen aan pro-regime activiteiten geen mening is zoals is bedoeld met een politieke overtuiging.\n\nDe geloofwaardigheidsbeoordeling (eiseres)\n\nLidmaatschap van Acción Democrática\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat de minister het lidmaatschap van eiseres van Acción Democrática niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres heeft dit standpunt van de minister ongemotiveerd bestreden. De rechtbank volgt de minister daarom in de tegenwerpingen dat zij oppervlakkig en summier heeft verklaard over het lidmaatschap en over wat haar aanspreekt binnen de partij, en dat haar algemene kennis van Acción Democrática summier is.\n\nPolitieke activiteiten\n\n31. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de politieke activiteiten van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft eiseres kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de verrichte activiteiten, aangezien eiseres enerzijds heeft verklaard dat zij demonstraties organiseerde en vergaderingen en flyers uitdeelde bij mensen thuis, terwijl eiseres later heeft verklaard dat zij hier enkel aan deelnam maar wel meehielp bij de stembureaus. In de zienswijze licht eiseres vervolgens toe dat zij haar partner hielp met het uitdelen van flyers en water en voedsel uitdeelde bij de kieslokalen, terwijl eiseres in de gehoren niet heeft verklaard dat zij voor het voedsel en het water zorgde. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de verklaringen in het gehoor dat eiseres flyers verspreidde, aanwezig was bij bijeenkomsten en meehielp op stembureaus niet overeenkomen met het overgelegde document waaruit volgt dat eiseres de functie van coördinator van de logistiek bij de verkiezingen zou hebben bekleed.\n\nProblemen vanwege politieke activiteiten\n\n32. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister de problemen vanwege politieke activiteiten ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat uit de ontslagbrief niet kan worden afgeleid dat eiseres is ontslagen vanwege haar politieke uiting op het werk. In de brief staat namelijk dat eiseres in het ziekenhuis heeft gewerkt totdat zij op 11 november 2017 ontslag heeft genomen. Ook heeft de minister terecht geconcludeerd dat de door eiseres overgelegde landeninformatie dit deel van haar asielrelaas niet ondersteunt, aangezien die informatie gaat over gevaren voor zorgmedewerkers die zich uiten over hoe de Covid-19 situatie werd aangepakt en niet over zorgmedewerkers die problemen hebben ondervonden nadat zij kritiek hebben geuit op de regering.\n\nGegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer (eiseres)\n\n33. De rechtbank volgt eiseres in het standpunt dat de minister in de zwaarwegendheidsbeoordeling niet kenbaar heeft betrokken dat uit het niet willen meedoen aan pro-Maduro activiteiten op haar werk volgt dat eiseres niet voor de overheid is. Uit het bestreden besluit volgt ook niet expliciet dat de minister het niet geloofwaardig vindt dat eiseres heeft geweigerd om op haar werk aan deze activiteiten mee te doen. De rechtbank leidt daaruit af dat deze verklaring daarom wel geloofwaardig is bevonden en daarom moet deze verklaring worden getoetst op zwaarwegendheid.\n\n34. Hoewel de minister het niet willen meedoen aan pro-Maduro activiteiten niet kenbaar in de zwaarwegendheidsbeoordeling heeft betrokken, is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende zwaarwegend is om tot de conclusie te komen dat eiseres hierom een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Weliswaar heeft eiseres haar politieke overtuiging geuit door te weigeren deel te nemen aan politieke activiteiten op haar werk, maar de minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor problemen heeft ondervonden of in de negatieve belangstelling is komen te staan. De minister heeft zich in dit verband verder terecht op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie niet blijkt dat personen die werkzaam zijn in de zorg een verhoogd risico lopen. Verder heeft de minister terecht bij zijn beoordeling betrokken dat haar lidmaatschap van Acción Democrática, politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn bevonden en eiseres verder geen kritiek heeft geuit. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de politieke overtuiging van eiseres niet zodanig sterk is dat zij op zichzelf daardoor een risico loopt.\n\n35. Het voorgaande neemt niet weg dat de familieband tussen eiser en eiseres en het belang van eisers om niet van elkaar te worden gescheiden, maakt dat sprake is van een dusdanige samenhang tussen de zaken dat ook in het bestreden besluit ten aanzien van eiseres op het punt van de risicobeoordeling sprake is van een motiveringsgebrek. Eiseres is immers als gezinslid van eiser met hem meegekomen naar Nederland en de rechtbank heeft hiervoor onder rechtsoverweging 28 geoordeeld dat de minister ten aanzien van eiser ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn politieke overtuiging en sociale media activiteiten in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarom ook ten aanzien van eiseres een nieuw besluit zal moeten nemen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n36. De minister heeft de aanvragen van eisers ten onrechte afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn genomen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n37. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden.\n\n38. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Omdat sprake is van samenhangende zaken worden de zaken voor wat betreft de hoogte van de proceskosten beschouwd als één zaak. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 3 punten voor het verschijnen op de zittingen van 31 juli 2025, 13 januari 2026 en 5 maart 2026 met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.\n\n39. De rechtbank wijst het verzoek van eisers toe om de minister te veroordelen in de kosten van de expert [persoon3] . De rechtbank acht de kosten van dit door eisers ingebrachte rapport redelijk, mede gelet op het feit dat aan de zijde van de minister weinig tot geen actuele bronnen zijn ingebracht. Op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb wordt het uurtarief voor deskundigenonderzoek forfaitair bepaald overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komt een tarief van ten hoogste € 184,42 per uur voor vergoeding in aanmerking. Uit de door de eisers overgelegde factuur blijkt dat de deskundige voor het opgestelde rapport € 300,- in rekening heeft gebracht. Ondanks dat de deskundigenkosten niet nader zijn gespecificeerd, acht de rechtbank deze kosten redelijk.\n\n40. De totale proceskostenvergoeding bedraagt dus € 4.036,- (namelijk € 3.736,- en € 300,-)\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten van 28 mei 2024;\n\ndraagt de minister op om binnen 6 weken nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 4.036,-, waarvan € 3.736,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 300,- aan kosten van de deskundige.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. A. Skerka, leden, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 mei 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Cuerpo de Investigaciones Científicas, Penales y Criminalísticas, is belast met misdaadonderzoeken en valt onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, Justitie en Vrede.\n\n Zie pagina 16 nader gehoor.\n\n Zie pagina’s 17 en 18 nader gehoor.\n\n Zie pagina’s 17 en 18 nader gehoor.\n\n Zie pagina 17 nader gehoor.\n\n Zie pagina 15 nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 5 nader gehoor.\n\n Zie pagina 7 van het bestreden besluit.\n\n Zie pagina 9 nader gehoor.\n\n Zie pagina 10 nader gehoor.\n\n Zie pagina 12 nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 9 nader gehoor.\n\n Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:1054.\n\n Us Department of State, 2022, Country Reports on Human Rights Practices, Amnesty International report Venezuela, nieuwsartikel van NBC news van 11 februari 2022 over het uitzetten van Venezolanen uit de VS.\n\n Paragraaf C7\u002F36.3.2 van de Vc.\n\n Ten tijde van het de besluitvorming merkte de minister oppositieleden die significante kritiek uiten op de autoriteiten en\u002Fof gezien hun positie in staat zijn om de bevolking te mobiliseren en politiek activisten aan als risicoprofiel.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1970.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie, van 5 september 2012 (Y en Z), ECLI:EU:C:2012:518\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie, van 21 september 2023 (S en A), ECLI:EU:C:2023:688.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054.\n\n Zie hoofdstuk 3.8.2. van het Algemeen Ambtsbericht Venezuela juni 2020.\n\n Waaronder het rapport van [persoon4] en het rapport van [persoon5] .\n\n Pagina’s 4 en 15 nader gehoor eiseres.\n\n Pagina 15 nader gehoor eiseres.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13788","ecli-nl-rbdha-2026-13788",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]