[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-14207":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-14207":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"438","ECLI:NL:RBDHA:2026:14207","",58,"Den Haag","den-haag","2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701618 \u002F KG ZA 26-289\n\nVonnis in kort geding van 28 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nCOONEEN PROTECTION LTD., gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland),\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. E. Verweij te Amsterdam,\n\ntegen:\n\n1. POLITIE te Den Haag,\n\n2. DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Korps Politiediensten Caribisch Nederland (KPCN), Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Nederlandse Arbeidsinspectie en Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)).\n\ngedaagden,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser, beiden te Zwolle,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nSIOEN N.V.te Ardooie (België),\n\nadvocaat mr. J.H.J. Bax te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Cooneen’, ‘de Politie’, ‘de Staat’ en ‘Sioen’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 20 maart 2026, met producties 1 tot en met 20;\n\n- een aan de Staat betekend herstelexploot van 24 april 2026, waarin de woorden ‘rechtspersoon met wettelijke taak’, die in de oorspronkelijk aan de Staat betekende dagvaarding bij de vermelding van de Staat als gedaagde waren opgenomen, zijn weggelaten;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging van Sioen;\n\n- de schriftelijke reactie van gedaagden, met producties A tot en met C;\n\n- de door Cooneen overgelegde aanvullende producties 21 tot en met 23;\n\n- de door gedaagden overgelegde aanvullende productie D.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 7 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Cooneen en gedaagden het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. \n\nTijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst, althans voeging, en het debat over de door Cooneen overgelegde producties\n\n2.1.. Sioen heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Cooneen en gedaagden, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben Cooneen en gedaagden verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Sioen is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n2.2.. De advocaat van Sioen heeft er bij aanvang van de mondelinge behandeling op gewezen dat Cooneen niet al haar producties met Sioen heeft gedeeld. Uit een bericht van de advocaat van Cooneen, dat op 6 mei 2026 is geüpload in het digitale dossier, blijkt dat Cooneen de producties 9 tot en met 14, 22 en 23 niet aan Sioen beschikbaar heeft gesteld. De advocaat van Sioen heeft verzocht om op die stukken te mogen reageren, voor zover deze voor het debat nodig zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Cooneen stellingen naar voren gebracht, gebaseerd op met name haar producties 10 en 23. Nadat de voorzieningenrechter partijen had meegedeeld geen acht te kunnen slaan op die producties, tenzij deze alsnog zouden worden gedeeld met Sioen, heeft Cooneen zich bereid verklaard om de producties 10 en 23 aan Sioen te verstrekken. Dat heeft Cooneen vervolgens gedaan tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling. Tijdens deze schorsing heeft Sioen deze producties bestudeerd en zij heeft daarop in haar tweede termijn gereageerd.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. Op 27 februari 2025 heeft de Politie op TenderNed een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht met de titel “Kogel- en steekwerend vest met Molle-draagsysteem (KSWV) & opschalingsmodule (OM)”, hierna ‘de opdracht’. Het KSWV, ook wel veiligheidsvest genoemd, is een essentieel onderdeel van het uniform en de verplichte uitrusting van bewapende politiemedewerkers en bestaat uit een hoes en beschermende soft ballistische inlagen. De OM is een platendrager met harde ballistische platen voor extra bescherming, die over het KSWV wordt gedragen. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een raamovereenkomst met een looptijd van zes jaar, met de optie tot verlenging (drie keer drie jaren).\n\n3.2.. De opdracht is nader omschreven in de Inschrijvingsleidraad van 13 februari 2025, hierna ‘de Inschrijvingsleidraad’, met bijlagen. Verder heeft de Politie in de Nota van Inlichtingen d.d. 13 juni 2024-13 juni 2025, hierna ‘de Nota van Inlichtingen’, vragen van potentiële inschrijvers beantwoord.\n\n3.3.. In paragraaf 1.2 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat het KSWV wordt geleverd met drie verschillende hoezen: een politieblauwe hoes met gele Huisstijlstrepen, een fluogele hoes met high-vis Huisstijlstrepen voor hoge zichtbaarheid in het verkeer en\u002Fof in het donker en een witte hoes voor onder de kleding voor verdekte activiteiten en werkzaamheden. Deze laatste hoes wordt na de gunning van de opdracht in samenspraak met de opdrachtnemer ontwikkeld.\n\n3.4.. De opdracht wordt volgens paragraaf 2 van de Inschrijvingsleidraad gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding, met hierin opgenomen de Gunningscriteria Prijs en Kwaliteit 1 tot en met 5. De kwalitatieve gunningscriteria zijn: K1 Draagcomfort, K2 Gebruiksgemak, K3 Uiterlijk, K4 Algehele beoordeling en K5 Slijtage-simulatietest. De beoordeling met betrekking tot gunningscriterium K5 wordt uitgevoerd door TNO.\n\n3.5.. In paragraaf 2.2. van de Inschrijvingsleidraad is beschreven dat de beoordeling van de inschrijvingen voor wat betreft de gunningscriteria K1 tot en met K4 plaatsvindt door middel van een gebruikerstest. Voor die gebruikerstest moesten de inschrijvers bij hun inschrijving 30 samples van het veiligheidsvest en de platendragers in de standaard dames- en herenmaten indienen (overeenkomstig paragraaf 3.1 van de Inschrijvingsleidraad). Verder is in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad onder meer vermeld:\n\n3.6.. In paragraaf 3.1 van de Inschrijvingsleidraad is met betrekking tot de samples voor de gebruikerstest een overzicht gegeven van de aantallen van iedere vestmaat die de inschrijver moest indienen, waarbij is vermeld “Let op: de maten hebben betrekking op de MENSmaattabel in Bijlage 15”.\n\n3.7.. In Bijlage 14 bij de Inschrijvingsleidraad (MENS-maattabellen) wordt het gebruik van de MENS-maattabellen voor het toekennen van de juiste maat vest voor de gebruikerstest nader toegelicht. Bij Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad (Tekeningen, Politiehuisstijl, logo’s en maatvoering), hierna Bijlage 15, zijn bijlagen verstrekt, waaronder bijlage 6 “Politie maattabellen KSWV”. In bijlage 6 bij Bijlage 15 zijn ten behoeve van het KSWV de MENS-maattabellen Politie normale maten, lange maten en korte maten (voor zowel mannen als vrouwen) en extra lange maten (voor mannen) opgenomen. In de tabellen zijn per confectiemaat en uitgesplitst in dames- en herenmaten afmetingen genoemd, bijvoorbeeld van de lichaamslengte, de taille-ruglengte, de bovenwijdte, de taillewijdte en de bandwijdte.\n\n3.8.. In Bijlage 1B bij de Inschrijvingsleidraad zijn de Producteisen met betrekking tot de hoezen, platendrager en transporttassen vermeld. Voor zover voor deze procedure van belang is in de producteisen 10.7 en 10.8 opgenomen dat voor de maten van het KSWV de in Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad vermelde MENS-maattabellen moeten worden gevolgd.\n\n3.9.. De politiemedewerkers die deelnamen aan de gebruikerstest moesten na de test de als bijlage 7 bij de Inschrijvingsleidraad verstrekte vragenlijst invullen, met per gunningscriterium een of meer vragen, waarbij per vraag een cijfer kon worden gegeven: 0 bij Onvoldoende, 1 bij Voldoende, 2 bij Goed en 3 bij Uitstekend.\n\n3.10.. In de Nota van Inlichtingen is antwoord gegeven op een aantal vragen met betrekking tot de gebruikerstest. In 125 wordt onder meer gevraagd op basis van welke parameters wordt bepaald welke vestmaat elke agent voor de gebruikerstest krijgt. Als antwoord op die vraag is vermeld:\n\nVerder heeft de Politie in het antwoord op vraag 144 duidelijk gemaakt dat niet de door de inschrijvers voorgestelde maattabellen zullen worden gebruikt om elke proefpersoon te voorzien van een passend vest, maar dat de Politie de eigen maattabel daarvoor zal hanteren.\n\nIn het antwoord op vraag 197 heeft de Politie toegelicht dat de beoordelaars draaginstructies van de Politie krijgen en geen instructieboekje en in het antwoord op vraag 211 heeft de Politie opgenomen:\n\nTen slotte heeft de Politie in het antwoord op vraag 231 meegedeeld dat de inschrijvers geen gelegenheid krijgen om een fysieke demonstratie of uitleg te geven, maar dat zij de mogelijkheid hebben om een instructiefilmpje te uploaden waarin het aantrekken\u002Fafstellen van het veiligheidsvest kan worden getoond.\n\n3.11.. De Politie heeft een Excel-bestand aan de inschrijvers verstrekt met daarin onder meer de volgende gegevens met betrekking tot de deelnemers die voor de gebruikerstest zijn geselecteerd: het model vest (dames of heren), de bovenwijdte, de bandwijdte, de lichaamslengte, voor de dames de taillewijdte en de “Te testen maat volgens maattabel normale maat”(de door de Politie geselecteerde maat op basis van de MENS-maattabel).De laatste kolom van de tabel is niet ingevuld en daar is ruimte gelaten voor het invullen van“Maat van de Inschrijver”door de inschrijver. In een begeleidend bericht bij dit Excel-bestand heeft de Politie onder meer het volgende aan de inschrijvers meegedeeld:\n\nCooneen heeft het bedoelde Excel-bestand niet ingevuld retour gestuurd.\n\n3.12.. Cooneen heeft tijdig een inschrijving voor de opdracht ingediend. Bij brief van 25 februari 2026 heeft de Politie aan Cooneen meegedeeld dat de inschrijving van Cooneen als tweede is geëindigd, dat de opdracht niet aan Cooneen zal worden gegund en dat de Politie voornemens is de opdracht te gunnen aan Sioen (hierna ‘de gunningsbeslissing’).\n\n3.13.. In de gunningsbeslissing is de volgende tabel opgenomen met een overzicht van de scores van Cooneen en Sioen op de verschillende gunningscriteria:\n\nDaarnaast is in Bijlage 1 bij de gunningsbeslissing (“Motivering kwalitatieve Gunningscriteria”) een toelichting gegeven op de scores met betrekking tot de kwalitatieve gunningscriteria K1 tot en met K4. In die toelichting is beschreven dat de beoordelaars met betrekking tot het draagcomfort (K1) hebben opgemerkt dat het vest van Cooneen omhoog kruipt, dat de buikband aan de korte kant is en dat het vest als ‘te klein’ voelt, zodat de beoordelaars zich te veel onbeschermd voelden. Met betrekking tot het gebruiksgemak (K2) hebben de beoordelaars over het vest van Cooneen opgemerkt dat het Molle-draagsysteem veel te gemakkelijk door derden kan worden losgetrokken, dat het volledig los van het vest kan worden gehaald, waardoor het risico bestaat dat een gebruiker na het opschalen vergeet om het losse Molle-systeem terug op de opschalingsmodule te plaatsen, wat een veiligheidsrisico inhoudt, dat de zakken te klein zijn en dat het klittenband te snel loslaat. Uit de toelichting volgt daarnaast dat de beoordelaars met betrekking tot het uiterlijk van het vest van Cooneen (K3) hebben geoordeeld dat het vest er vrij klein uit ziet, dat het een beetje te goedkoop oogt, dat het te weinig daadkracht uitstraalt en dat het fluogele vest te veel zwarte vlakken heeft. In het kader van gunningscriterium K4 (Algemene beoordeling) is door de beoordelaars opgemerkt dat het vest van Cooneen te kort is, dat de zakken te klein zijn, dat de buikbanden te kort en te smal zijn en dat het Molle-draagsysteem (met klittenband) te gemakkelijk loslaat. Ten slotte zijn in de toelichting op de scores de relatieve voordelen van het vest van Sioen beschreven.\n\n3.14.. Door middel van een bericht in Mercell van 6 maart 2026 heeft Cooneen aan de Politie om aanvullende informatie met betrekking tot de totstandkoming van de scores gevraagd. Daarbij heeft Cooneen kenbaar gemaakt te willen vernemen welk sample met welke maat door welke beoordelaar is gebruikt, hoe is beoordeeld of de aan de beoordelaars toegewezen maten van samples voldoende passen om een goede beoordeling te doen en of en hoeveel beoordelingen van beoordelaars buiten beschouwing zijn gelaten vanwege het onvoldoende passen van de maat. Verder heeft Cooneen verzocht om een overzicht van de individuele scores van de beoordelaars per kwaliteitscriterium en om een motivering van de score van Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5( Slijtage-simulatietest).\n\n3.15.. In reactie op het in 3.14. bedoelde bericht van Cooneen heeft de Politie op 10 maart 2026 (samengevat) aan Cooneen meegedeeld dat de beoordelaars de toegewezen maten van de samples van Cooneen daadwerkelijk hebben getest, dat slechts één beoordelaar in aanmerking kwam voor een andere maat, omdat hij in de periode tussen het aanmeten en de gebruikerstest dertig kilo was afgevallen, en dat zijn beoordeling daardoor niet is meegenomen in de totaalbeoordeling. Verder heeft de Politie toegelicht dat de toegewezen maten van de samples op de testdag door een kledingdeskundige aan de hand van de door Cooneen ingediende handleiding maatvoering en instructievideo zijn gecontroleerd en dat bij twijfel een beoordeling is gedaan door een tweede kledingdeskundige. Ten slotte heeft de Politie aan Cooneen laten weten dat niet alle individuele scores zullen worden verstrekt. Volgens de Politie gaat de informatieverplichting van de Politie niet zo ver dat Cooneen in staat moet worden gesteld om de beoordeling volledig over te kunnen doen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat Cooneen op K5 een veel hogere score heeft behaald dan Sioen, zodat er geen sprake is van een relatief voordeel van de winnaar en er daarom ook geen aanleiding bestaat om de motivering van de score van Sioen aan Cooneen te verstrekken.\n\n3.16.. De advocaat van Cooneen heeft bij brief van 11 maart 2026 gereageerd op het bericht van de Politie van 10 maart 2026 en hij heeft daarbij aan de Politie gevraagd om te bevestigen dat de Politie de beoordeling van het toewijzen van maten in alle gevallen heeft verricht in overeenstemming met de documenten uit de inschrijving van Cooneen. Verder is in die brief gevraagd om de score met betrekking tot het uiterlijk van het fluogele vest te corrigeren, omdat het vest van Cooneen voldoet aan de gestelde eisen, en om een toelichting te geven op de score van Sioen op gunningscriterium K5.\n\n3.17.. In een brief van 17 maart 2026 heeft de Politie voor zover hier van belang en samengevat aan de advocaat van Cooneen meegedeeld dat Cooneen geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voorafgaand aan de gebruikerstest op basis van de door de Politie verstrekte lichaamsmaten van de beoordelaars de juiste maat van het KSWV aan de Politie door te geven en dat de toewijzing en controle van de maten geheel conform de aanbestedingsstukken heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot dit laatste aspect heeft de Politie gemotiveerd toegelicht dat de toewijzing van de maten is gebaseerd op de MENS-maattabellen en dat aan de hand van de handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat van de inschrijvers, in voorkomende gevallen ondersteund door instructievideos, is gecontroleerd of de toegewezen maat voldoende past. Verder heeft de Politie een toelichting gegeven op de score van Cooneen met betrekking tot gunningscriterium K3 en is opnieuw meegedeeld dat de Politie niet verplicht is om een motivering van de score van Sioen op gunningscriterium K5 aan Cooneen te verstrekken.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Cooneen vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van de eis ter zitting – primairgedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en een aangepaste voorlopige gunningsbeslissing te communiceren, waarin de aan Cooneen toegekende scores op de gunningscriteria K1 tot en met K4 zijn gecorrigeerd door de beoordeling van de in randnummer 2.21 van de pleitaantekeningen van Cooneen genoemde beoordelaars buiten beschouwing te laten, en om in die aangepaste voorlopige gunningsbeslissing een deugdelijke toelichting te geven op de met betrekking tot gunningscriterium K5 toegekende score. Subsidiairvordert Cooneen gedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, een herbeoordeling van de inschrijving van Cooneen, althans van alle ontvangen geldige inschrijvingen, uit te laten voeren op de gunningscriteria K1 tot en met K4 en vervolgens een aangepaste voorlopige gunningsbeslissing te communiceren, waarin tevens een deugdelijke toelichting wordt gegeven op de met betrekking tot gunningscriterium K5 toegekende score.Meer subsidiairvordert Cooneen gedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en, als zij de opdracht nog willen gunnen, tot heraanbesteding over te gaan, althans een in goede justitie te bepalen maatregel te treffen, een en ander met veroordeling van gedaagde in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n\nDaartoe stelt Cooneen – kort samengevat – het volgende. De door Cooneen aangeleverde samples zijn niet op de in de aanbestedingsstukken vermelde wijze beoordeeld.\n\nVerder heeft de beoordeling met betrekking tot de gunningscriteria K2, K3 en K4 niet op de juiste wijze en in overeenstemming met de aanbestedingsstukken plaatsgevonden en heeft de Politie deze gunningscriteria niet voldoende duidelijk en transparant in de aanbestedingsstukken bekend gemaakt. Ten slotte weigert de Politie ten onrechte om een toelichting te geven op de score die Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5 heeft behaald. Gelet op al het voorgaande moet de Politie de gunningsbeslissing intrekken en de scores van Cooneen corrigeren, althans de inschrijving van Cooneen\u002Falle inschrijvingen opnieuw beoordelen, althans de opdracht opnieuw aanbesteden.\n\n4.3.. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Cooneen in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Cooneen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van gedaagden zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. Sioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cooneen, althans tot afwijzing van de vorderingen van Cooneen. Ook het verweer van Sioen zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. Verder vordert Sioen (1) Cooneen te gebieden om te gehengen en te gedogen dat de Politie een overeenkomst met Sioen sluit, althans de opdracht definitief aan Sioen gunt, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, en (2) de Politie te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief aan Sioen te gunnen, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, met veroordeling van Cooneen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen de wettelijke rente, en met compensatie van proceskosten in de relatie tussen Sioen en de Politie.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt Sioen daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Cooneen, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van Cooneen en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Sioen hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\nOntvankelijkheid\n\n5.1.. De Staat heeft aangevoerd dat de Politie de aanbesteding heeft georganiseerd en dat de Staat geen deelnemer aan de aanbesteding is. Daarbij heeft de Staat er op gewezen dat hij de Politie een volmacht heeft gegeven om de aanbestedingsprocedure uit te voeren en de raamovereenkomst te sluiten en dat de Politie de opdrachtgever is met betrekking tot de onderhavige aanbesteding. De Staat heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer verwezen naar de aankondiging van de opdracht, waarin alleen de Politie is vermeld als “Koper”, en naar de alleen namens de Politie verstuurde voorlopige gunningsbeslissing. Cooneen heeft zich met betrekking tot dit verweer van de Staat gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat voldoende onderbouwd dat niet hij de aanbestedende dienst is die bij toewijzing van de vorderingen van Cooneen gehouden is om de gunningsbeslissing in te trekken en tot herbeoordeling, dan wel heraanbesteding van de opdracht over te gaan, maar dat dat de Politie is. Dit betekent dat Cooneen niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, voor zover die zijn gericht tegen de Staat.\n\n5.3.. Hierna zal worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om de Politie te verplichten om de gunningsbeslissing in te trekken, om de aan Cooneen toegekende score op de gunningscriteria K1 tot en met K4 te corrigeren, althans de inschrijving van Cooneen opnieuw te beoordelen, althans de opdracht opnieuw aan te besteden. Daartoe zullen de door Cooneen naar voren gebrachte bezwaren achtereenvolgens worden besproken.\n\nDe uitgevoerde gebruikerstest (K1 tot en met K4)\n\n5.4.. Cooneen heeft gesteld dat de door haar aangeleverde samples niet op de in de aanbestedingsstukken vermelde wijze zijn beoordeeld, zodat die beoordeling ondeugdelijk is geweest. Daarbij heeft Cooneen betoogd dat de Politie heeft nagelaten om de door Cooneen verstrekte gedetailleerde informatie en instructies over de juiste toedeling van de maten van haar vesten bij de beoordeling van de samples te betrekken. Volgens Cooneen komt daar nog bij dat de Politie slechts in één geval een beoordeling buiten beschouwing heeft gelaten omdat het toegewezen vest onvoldoende paste, zodat onduidelijk is hoe de Politie in de overige gevallen heeft beoordeeld of het vest voldoende paste.\n\n5.5.. Op grond van het bepaalde in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad moesten inschrijvers ten behoeve van de gebruikerstest samples van het KSWV indienen met maten overeenkomstig de in paragraaf 3.1 vermelde informatie, waarbij er uitdrukkelijk op is gewezen dat die maten betrekking hebben op de MENS-maattabellen van Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad. In die MENS-maattabellen heeft de Politie informatie gegeven over de afmetingen van de in te dienen samples. Ook in de Producteisen 10.7 en 10.8 in Bijlage IB bij de Inschrijvingsleidraad en in de antwoorden op de vragen 125, 144 en 211 in de Nota van Inlichtingen heeft de Politie tot uitdrukking gebracht dat de MENS-maattabellen bepalend zijn voor de toewijzing van de maten van het KSWV. In het antwoord op vraag 125 in de Nota van Inlichtingen heeft de Politie daarnaast uiteengezet dat na toewijzing van de maten aan de hand van de MENS-maattabellen op basis van de handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat van de inschrijver wordt gecontroleerd of de toegewezen maat voldoende past. Daaruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op ondubbelzinnige wijze dat de toewijzing van de maten van het KSWV voor de gebruikerstest plaatsvond aan de hand van de MENS-maattabellen en dat vervolgens aan de hand van de door de inschrijver verstrekte handleiding werd gecontroleerd of de toegewezen maat ook passend was. Voor de situatie dat uit de controle bleek dat de toegewezen maat van het vest niet passend was, is in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad vermeld dat de beoordeling van de betreffende deelnemer aan de test dan niet mee zou tellen.\n\n5.6.. Voorafgaand aan de gebruikerstest heeft de Politie de afmetingen van de deelnemers aan de gebruikerstest aan de inschrijvers bekend gemaakt (zie hiervoor in 3.11.) en de inschrijvers in de gelegenheid gesteld om desgewenst andere vestmaten door te geven voor specifieke beoordelaars. Vast staat dat Cooneen van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.\n\n5.7.. De Politie heeft genoegzaam toegelicht dat bij de gebruikerstest van de door Cooneen verstrekte samples op basis van de door Cooneen verstrekte handleiding met betrekking tot de maatvoering en instructievideo is geconcludeerd dat alle beoordelaars de juiste maat toegewezen hadden gekregen, op een beoordelaar na, die in de periode tussen de toewijzing van de maat en de gebruikerstest dertig kilo was afgevallen, waarna die beoordeling buiten beschouwing is gelaten.\n\n5.8.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de gebruikerstest met betrekking tot de door Cooneen aangeleverde samples heeft plaatsgevonden overeenkomstig de aanbestedingsstukken: de Politie heeft aan de hand van de MENS-maattabellen aan de deelnemers aan de gebruikerstest een maat van het KSWV toegewezen (overeenkomstig (de bijlagen bij) de Inschrijvingsleidraad en de Nota van Inlichtingen) en heeft vervolgens aan de hand van de door Cooneen verstrekte handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat (en instructievideo) gecontroleerd of die maat voldoende wassend pas (overeenkomstig onder meer paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad en het antwoord op vraag 125 in de Nota van Inlichtingen). Hiertegenover heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat de Politie nog andere door Cooneen verstrekte informatie bij de gebruikerstest had moeten betrekken, dat haar samples anderszins ondeugdelijk en in strijd met de aanbestedingsstukken zijn beoordeeld of dat de Politie onduidelijkheid heeft laten bestaan met betrekking tot de wijze waarop de samples zijn beoordeeld. Daarmee heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat intrekking van de gunningsbeslissing gerechtvaardigd is.\n\nDe score van Cooneen op gunningscriterium K3\n\n5.9.. Cooneen heeft gesteld dat de beoordeling met betrekking tot gunningscriterium K3 niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Volgens Cooneen is het oordeel van enkele beoordelaars dat het door Cooneen aangeleverde fluogele vest te veel zwarte vlakken bevat niet in overeenstemming met de aanbestedingsstukken. Daarbij heeft Cooneen uiteengezet dat de Politie nergens in de aanbestedingsstukken heeft beschreven dat het fluogele vest zo min mogelijk zwarte vlakken moest bevatten. Verder heeft Cooneen benadrukt dat haar fluogele vest voldoet aan de door de Politie voorgeschreven specificaties voor de onderdelen van het vest die fluogeel moesten zijn en voor de onderdelen van het vest die zwart mochten zijn.\n\n5.10.. De Politie heeft aangevoerd dat gunningscriterium K3 uitsluitend betrekking heeft op het uiterlijk van het KSWV en dat de deelnemers aan de gebruikerstest niet hoefden te beoordelen of het vest voldeed aan de gestelde eisen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat een aantal deelnemers aan de gebruikerstest het fluogele vest van Cooneen als minder mooi heeft beoordeeld vanwege de zwarte vlakken op het vest. De Politie heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat dit subjectieve oordeel met betrekking tot het uiterlijk van het vest onverlet laat dat het vest overigens voldoet aan de door de Politie gestelde minimumeisen. Verder heeft de Politie voldoende onderbouwd dat in de aanbestedingsstukken duidelijk is gemaakt dat het KSWV op het uiterlijk zou worden beoordeeld, dat Cooneen daarover geen vragen heeft gesteld en dat zij door haar inschrijving met de bekendgemaakte beoordelingssystematiek heeft ingestemd. Dat de deelnemers aan de gebruikerstest een oordeel hebben gegeven over het uiterlijk van het vest van Cooneen, inhoudende dat zij de zwarte vlakken minder mooi worden, is daarmee in lijn met de vooraf bekend gemaakte beoordelingssystematiek en niet onredelijk. Voor zover Cooneen zich heeft beroepen op de in Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad weergegeven afbeelding met specificaties van de fluogele hoes, volgens Cooneen inclusief de voorgeschreven zwarte vlakken, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie hiertegenover voldoende heeft onderbouwd dat de op die afbeelding zichtbare donkere kleur op het vest niet betekent dat het vest op die plek zwart moet zijn, maar dat die donkere kleur correspondeert met een legenda, waarmee de “Ruimte voor Molle (bovenzijde) en Molle-draagsysteem (onderzijde)”wordt aangegeven.\n\n5.11.. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat het uiterlijk van haar vest onjuist en in strijd met de aanbestedingsstukken is beoordeeld. Voor intrekking van de gunningsbeslissing op die grond bestaat dan ook geen aanleiding.\n\nDe score van Cooneen op gunningscriteria K2 en K4\n\n5.12.. Ook de beoordeling met betrekking tot de gunningscriteria K2 en K4 heeft volgens Cooneen niet in overeenstemming met de aanbestedingsstukken plaatsgevonden. Cooneen heeft in dit verband gesteld dat de Politie niet duidelijk en op een transparante manier in de aanbestedingsstukken bekend heeft gemaakt dat het niet wenselijk is dat het Molle-draagsysteem volledig kan worden losgekoppeld van het vest. Het door Cooneen aangeboden Molle-draagsysteem voldoet aan de door de Politie gestelde eisen en specificaties en de in de gunningsbeslissing gegeven motivering ziet niet op de kwaliteit van het door Cooneen aangeboden vest, maar op de wijze waarop sommige gebruikers met het vest omgaan, aldus Cooneen.\n\n5.13.. De Politie heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat in Bijlage 7 bij de Inschrijvingsleidraad, met daarin de vragen die de deelnemers aan de gebruikerstest moesten beantwoorden, vragen zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van de draagmiddelen aan het vest, de mate waarin de beoordelaar zich beschermd voelde door het betreffende vest en de wijze waarop het geheel van het vest en de OM werd beoordeeld. Daarbij heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de deelnemers aan de gebruikerstest in het kader van die vragen in hun oordeel met betrekking tot het gebruik van het KSWV konden meewegen dat de draagmiddelen en het Molle-draagsysteem te gemakkelijk los kwamen en dat zij zich daardoor onvoldoende beschermd voelden. Hiertegenover heeft Cooneen niet concreet gemaakt dat de beoordeling van de gunningscriteria K2 en K4 in afwijking van de aanbestedingsstukken heeft plaatsgevonden. Voor zover Cooneen heeft betoogd dat de Politie heeft nagelaten om specifieke eisen te stellen aan de bevestiging van het Molle-draagsysteem aan het vest, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie in dit verband voldoende heeft toegelicht dat het niet de taak van de Politie is om uitdrukkelijk voor te schrijven hoe een inschrijver de maximale score op de gunningscriteria kan behalen, maar dat het de inschrijver is die inventief moet inschrijven en inzicht moet tonen in de aard van de opdracht en de strekking van de gunningscriteria.\n\n5.14.. Het voorgaande betekent dat ook de beoordeling van de gunningscriteria K2 en K4 geen aanleiding geeft voor intrekking van de gunningsbeslissing.\n\nDe motivering met betrekking tot gunningscriterium K5\n\n5.15.. Cooneen heeft ten slotte gesteld dat de Politie ten onrechte weigert om een toelichting te geven op de score die Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5 heeft behaald. Volgens Cooneen heeft zij die toelichting nodig om de score van Sioen en daarmee de uitkomst van de aanbestedingsprocedure te kunnen verifiëren.\n\n5.16.. Op grond van vaste jurisprudentie moet de motivering van de gunningsbeslissing alle relevante redenen voor die beslissing bevatten. Hieronder vallen in ieder geval de kenmerken en voordelen van de winnende inschrijver. De achtergrond van die verplichting is dat een afgewezen inschrijver in staat moet worden gesteld om na te gaan om welke redenen zij niet en de winnende inschrijver wel is uitgekozen. Die motivering is echter niet bedoeld om het voor de afgewezen inschrijver mogelijk te maken om te controleren of de beoordeling op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, zoals Cooneen met haar vordering op dit punt beoogt. Vast staat dat de Politie in de gunningsbeslissing heeft meegedeeld dat Cooneen op gunningscriterium K5 de maximale score van 9 punten heeft behaald en Sioen een score van 2,81 punten. Verder staat vast dat de Politie met betrekking tot de gunningscriteria K1 tot en met K4, waarop Sioen hoger heeft gescoord dan Cooneen, in Bijlage 1 bij de gunningsbeslissing een toelichting heeft gegeven op de beoordeling van zowel het vest van Cooneen als dat van Sioen, waarbij de Politie de relatieve voordelen van het door Sioen aangeboden vest heeft beschreven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Cooneen daarmee in voldoende mate heeft kunnen nagaan waarom de gunningsbeslissing in het voordeel van Sioen is uitgevallen. Anders dan Cooneen heeft gesteld gaat de motiveringsplicht van de Politie niet zo ver dat ook een toelichting moet worden gegeven met betrekking tot de onderdelen waarop Sioen lager heeft gescoord dan Cooneen, zoals gunningscriterium K5, wanneer er zoals hier geen enkele concrete aanleiding bestaat om aan te kunnen nemen dat er bij die beoordeling een fout is gemaakt. Ook de daartoe strekkende vordering wordt daarom afgewezen.\n\nSlotsom en proceskosten5.17.. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Cooneen worden afgewezen.\n\n5.18.. Nu de Politie voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Sioen, brengt voormelde beslissing mee dat Sioen geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Sioen zal worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Cooneen in haar verhouding tot Sioen worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Sioen was immers te voorkomen dat de opdracht aan Cooneen zou worden gegund, welk doel is bereikt. Cooneen zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Sioen. Verder zal Cooneen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden.\n\n5.19.. De proceskosten van zowel gedaagden als Sioen worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.20.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. verklaart Cooneen niet-ontvankelijk in haar vorderingen, voor zover deze zijn gericht tegen de Staat;\n\n6.2.. wijst de tegen de Politie gerichte vorderingen af;\n\n6.3.. veroordeelt Sioen voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen tegen de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.4.. veroordeelt Cooneen in de overige proceskosten van zowel gedaagden als Sioen, ten behoeve van zowel gedaagden als Sioen begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Cooneen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Cooneen € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.5.. veroordeelt Cooneen in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.6.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.\n\nmvt","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14207","ecli-nl-rbdha-2026-14207",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]