[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-14790":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-14790":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1712","ECLI:NL:RBDHA:2026:14790","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\n Zittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.28827\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989, van Turkse nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,de minister,\n\n(gemachtigde: mr. H. van Halteren).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag voor bepaalde tijd.\n\n1.1. Eiseres heeft op 27 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juni 2025 haar aanvraag afgewezen, maar aan eiseres een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vwverleend.\n\n1.2. Eiseres is het daar niet mee eens en stelt dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandige asielvergunning. Eiseres heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd.\n\n2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n3. Eiseres legt het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag. Eiseres verklaart dat haar man werkzaam was bij de politie en in 2019 is opgepakt op verdenking van lidmaatschap van de Gülenbeweging in Turkije. Haar echtgenoot was in eerste instantie vrijgesproken, maar deze uitspraak is in 2023 vernietigd en zijn zaak wordt momenteel opnieuw onderzocht. Eiseres verklaart in Turkije [functie] in het onderwijs te zijn geweest. Vanwege de activiteiten van haar echtgenoot heeft zij zes keer van baan moeten wisselen tussen 2019 en 2023. Eiseres stelt sociaal te zijn buitengesloten door haar collega’s omdat zij zelf ook als lid van de Gülenbeweging wordt gezien. Eiseres heeft ook contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft. Bij terugkeer vreest eiseres voor de Turkse autoriteiten.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Volgens de minister bestaat het asielrelaas van eiseres uit de volgende relevante elementen:\n\nhaar identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nhaar problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\nDe minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiseres geen gegronde vrees voor vervolging. Het is niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. De minister acht geloofwaardig dat zij op haar werk en in sociale kringen problemen heeft ervaren, maar zij heeft volgens de minister niet te vrezen voor aanhouding of vervolging bij terugkeer naar Turkije. Eiseres verklaart namelijk zelf geen problemen te hebben ervaren met de Turkse autoriteiten. Verder blijkt uit een document dat eiseres heeft overgelegd dat haar naam wordt genoemd in het strafproces van haar echtgenoot. Ook blijkt uit dit document dat er geen gegevens over eiseres gevonden zijn. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen.\n\n4.1. De minister heeft vanwege de ambtshalve verlening van de afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vw aan eiseres geen voornemen voorafgaand aan het bestreden besluit uitgebracht.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij met haar verklaringen zelfstandige asielmotieven naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dat zij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. Eiseres stelt dat zij als echtgenote van een Gülenist wél in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het enkele feit dat haar naam wordt genoemd in het onderzoek van haar echtgenoot is daar een indicatie voor. Verder vreest eiseres voor spionnen in asielzoekerscentra in Nederland. Het ligt dan ook in de lijn der verwachtingen dat de negatieve belangstelling ten aanzien van eiseres bij terugkeer naar Turkije herleeft of toeneemt. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de minister met het nieuwe beleid een aanzienlijk zwaardere bewijslast oplegt. Eiseres verwijst in dat verband naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, van 15 augustus 2024en deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024. Uit landeninformatie blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije nog steeds extreem willekeurig is. Dat geldt ook voor familieleden van Gülenisten. De minister had op 1 december 2023 dan ook niet kunnen besluiten tot wijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten.\n\n6. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de Afdelingin haar uitspraken van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de minister tot de beleidswijziging heeft kunnen komen. Daarvoor vindt de Afdeling steun in de landeninformatie over Turkije waaruit blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije minder ernstig is geworden na de couppoging van 2016. Op basis van het nieuwe beleid blijft er ook voor eiseres een individualiseringsvereiste gelden. Volgens de minister staat eiseres niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten. Uit de beroepsgronden is dat ook niet gebleken. De bronnen die eiseres aanhaalt onderbouwen de individuele vrees van eiseres niet. Zij zijn ouder dan het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025. Volgens de minister is niet gebleken dat zij een familielid van een hooggeplaatst Gülenist is. Zij heeft weliswaar vaak van baan moeten wisselen, maar is steeds aan nieuw werk gekomen, ook toen de problemen van haar man al aanwezig waren. Dit laat zien dat het niet aannemelijk is dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres vanwege de strafrechtelijke vervolging van haar man zes keer is overgeplaatst en dat haar collega’s om diezelfde reden geen contact met haar wilden. Eiseres mocht binnen de uitoefening van haar functie als [functie] ook geen overleggen met het Turkse ministerie bijwonen. Verder staat niet ter discussie dat de echtgenoot van eiseres politieman is, er (weer) een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt en dat de naam van eiseres in dit strafrechtelijk onderzoek eerder is genoemd. Ook wordt geloofwaardig geacht dat eiseres in Turkije contact heeft gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.\n\n7.1. Wat partijen verdeeld houdt, is of eiseres risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Turkije.\n\nWijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije\n\n8. De rechtbank ziet aanleiding zich eerst te buigen over de vraag of de minister over had kunnen gaan tot de beleidswijziging op 1 december 2023. Door deze wijziging geldt niet langer dat bij het ontbreken van geringe indicaties de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de “diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten”.\n\n8.1. De minister heeft er ter zitting op gewezen dat de beleidswijziging zijn oorzaak vindt in het feit dat de situatie in Turkije voor (vermeende) Gülenisten weliswaar nog steeds niet gunstig is, maar wel minder slecht dan voorheen. De minister wijst daarbij op de volgende drie aspecten. Er is een getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten, de vervolging van (vermeende) Gülenisten is minder willekeurig dan voorheen en de rechterlijke macht kijkt strenger naar de strafrechtelijke bewijsvoering in Gülen-zaken. Ter nadere onderbouwing van de rechtmatigheid van de beleidswijziging verwijst de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026.\n\n8.2. De rechtbank ziet zich aldus meer specifiek voor de vraag gesteld of de minister deugdelijk heeft onderbouwd dat er sprake is van een verbetering in de positie van (vermeende) Gülenisten in Turkije. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank verlaat zich daarbij op de navolgende algemene landeninformatie. De rechtbank zal de drie door de minister aangedragen aspecten eerst afzonderlijk bespreken, steeds gevolgd door een tussenconclusie, en eindigen met het oordeel dat uit de landeninformatie niet volgt dat de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten beter is geworden.I. De getalsmatige daling in het aantal vervolgingen van (vermeende) Gülenisten\n\nDe intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken\n\n9. Uit de Algemene ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025 (hierna: ambtsbericht 2023 en ambtsbericht 2025) volgt dat de intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken onverminderd groot blijft. In het ambtsbericht 2025 staat geschreven:\n\n“De Turkse autoriteiten maakten gelijk duidelijk dat hun strijd tegen de Gülenbeweging onverdroten zou doorgaan. Op 21 oktober 2024 deelde Hakan Fidan, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, mee dat de Turkse regering niet zou verslappen in de bestrijding van de Gülenbeweging. Op dezelfde dag riep het Turkse ministerie van Defensie de volgelingen van Gülen op om zich over te geven aan de Turkse overheid. Begin november 2024 woonde president Erdoğan een topbijeenkomst bij van de Organisatie van Turkse Staten in de Kirgizische hoofdstad Bisjkek. Daar zei hij: ‘Onze strijd tegen alle vormen van terrorisme, in het bijzonder tegen FETÖ, zal ononderbroken doorgaan’.”\n\n9.1.. Uit een rapport van de Finse immigratiedienst volgt dat de Turkse minister van Defensie op 13 december 2023 een persbericht heeft doen uitgaan waarin werd aangegeven dat sinds de mislukte coup 23.971 mensen die betrokken waren bij de Gülenbeweging uit de militaire dienst zijn ontslagen. Daarin staat ook “the fight against FETÖ continues until there is not a single person affiliated with the movement among the personnel of the armed forces”\n\n9.2.. Tijdens een bijeenkomst op 15 juli 2025 ter herdenking van de militaire coup in 2016 refereerde president Erdoğan aan de Gülenbeweging als een virus dat nog niet weg is: “We defeated traitors during the 2013 probes and on July 15, but we have not yet completely removed the FETÖ virus from the body.”\n\nDe aanpak van (vermeende) Gülenisten in de praktijk\n\n10. Volgens cijfers uit juli 2023 van het Turkse Ministerie van Justitie zijn sinds de coup in 2016 bij elkaar 122.632 mensen veroordeeld voor vermeende banden met de Gülenbeweging, waarvan er op dat moment nog 12.108 in de gevangenis zaten. Tegen 67.893 mensen liep in juli 2023 nog een strafrechtelijk onderzoek inzake vermeende banden met de Gülenbeweging.Volgens cijfers van de Turkse overheid zijn in de periode 2016-2018 als gevolg van banden met de Gülenbeweging 125.678 overheidsdienaren ontslagen.\n\n10.1.. De UK Home Office schrijft dat er kritiek is op de door de Turkse overheid aangedragen cijfers. Zo geven geraadpleegde experts aan dat uit andere cijfers van de Turkse overheid blijkt dat in de periode 2016 – 2020 meer dan 265.000 mensen zijn veroordeeld voor lidmaatschap van een terroristische organisatie.De Finse immigratiedienst schrijft dat twee door hen geraadpleegde bronnen het aantal strafrechtelijke onderzoeken naar vermeende Gülenisten sinds 2016 op 2.000.000 schatten.Volgens een geraadpleegde expert zouden er bij elkaar voorts 400.000 overheidsdienaren zijn ontslagen sinds de militaire coup.\n\n10.2.. Uit de ambtsberichten 2023 en 2025 volgt dat (vermeende) Gülenisten nog steeds regelmatig op grotere of kleine schaal door de Turkse autoriteiten worden gearresteerd. Ter illustratie wordt onder andere gewezen op een door de Turkse overheid vrijgegeven overzicht van gerichte (landelijke) acties in de verslagperiode 10 januari tot 23 oktober 2023, waarbij in totaal 1.824 personen zijn aangehouden.\n\n10.3.. \n\nHuman Rights Watch schrijft in haar jaarverslag over 2024:\n\n“Thousands of people face detention, investigations and unfair trials on terrorism charges for alleged links with the movement led by deceased US-based cleric Fethullah Gülen (…). Many have faced arbitrary imprisonment with no effective remedy after mass removal from civil service jobs and the judiciary.”\n\n10.4.. In een bericht van het Turkse Ministerie van Justitie van 12 juli 2024 verklaart de minister dat er op dat moment tegen 61.769 mensen een strafrechtelijk onderzoek vanwege FETÖloopt en dat bij 23.052 mensen het proces net is begonnen.\n\n10.5.. In een rapport van 21 januari 2025 schrijft hoogleraar Vande Lanotte dat in Turkije jaarlijks nog steeds enkele duizenden Gülenisten worden vervolgd.\n\n10.6.. Uit het ambtsbericht 2025 volgt dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op “burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Ook hoogleraar Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’. Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.\n\n10.7.. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülenbeweging.Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülenbeweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”\n\n10.8.. Op basis van het onderzoek van de Finse Immigratiedienst kunnen daarnaast nog twee andere categorieën mensen in de negatieve belangstelling van de Turkse politie en justitie komen te staan. Dit betreft enerzijds het gebruik van publieke telefooncellen en treft met name militairen (de zogenoemde ‘payphone-investigations’). Volgens een geraadpleegde expert kunnen deze onderzoeken nog heel lang duren omdat er zo’n 90.000 openbare telefooncellen in Turkije zijn. Anderzijds lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaat dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülenschool hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülenbeweging wordt verweten.\n\n10.9.. Uit de landeninformatie volgt voorts dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse Immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Dit nieuwe onderzoek kan dan eveneens hun vrouwen en kinderen betreffen.Ook Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.\n\n10.10.. De UK Home Office schrijft dat de Turkse overheid actief probeert om vermeende Gülenisten uit het buitenland overgedragen te krijgen. Uit een vertrouwelijk document van de Turkse geheime dienst volgt dat Turkije aan 112 landen heeft gevraagd om de uitlevering van 1.271 Gülenleden en dat op de peildatum 13 juli 2023, 126 van hen ook daadwerkelijk aan Turkije waren overgedragen.\n\n10.11.. De Turkse overheid laat zich in haar vervolging van (vermeende) Gülenisten, tot slot, niet corrigeren door de rechterlijke macht. Zo legde de overheid een belangrijke uitspraak van het EHRMvan 26 september 2023 naast zich neer.Ook legt de overheid zich niet neer bij hen onwelgevallige uitspraken van Turkse rechters. Een terugplaatsingsbesluit van de Raad van State ten aanzien van 450 ontslagen rechters en aanklagers werd door president Erdoğan onaanvaardbaar genoemd. Naar aanleiding van deze uitspraak stelde de Raad van Rechters en Aanklagers een nieuw onderzoek in bij 387 rechters en aanklagers.\n\nDe getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen\n\n11. Uit de Ambtsberichten van 2023 en 2025 volgt dat er sprake is van een getalsmatige daling in de aantallen strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen en gedwongen ontslagen van (vermeende) Gülenisten ten opzichte van de periode 2020. Ook de rapporten van UK Home Office en de Finse Immigratiedienst spreken van een getalsmatige daling.\n\n11.1.. Deze daling wordt door twee vertrouwelijke bronnen toegeschreven aan het feit “dat de meerderheid van (vermeende) Gülenisten inmiddels strafrechtelijk was vervolgd dan wel uitgeweken naar het buitenland”. Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht, is de daling het gevolg van het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving al waren ontslagen dan wel strafrechtelijk onderzocht en vervolgd.\n\n11.2.. UK Home Office geeft als reden voor de getalsmatige daling dat de meeste arrestaties en detenties al hebben plaatsgevonden tijdens de noodtoestand van juli 2016 tot juli 2018.De Finse immigratiedienst tekent, tot slot, op dat door hen gesproken experts de daling toeschrijven aan “an unprecedented number of people having already been arrested”, en wat betreft de gedwongen ontslagen dat “almost all the civil servants associated with the movement were dismissed under the decree laws”.\n\n11.3.. In het Ambtsbericht van 2023 wordt een vertrouwelijke bron aangehaald die een andere reden geeft voor de daling. Deze bron schrijft de daling toe aan het feit “dat de Turkse regering haar negatieve aandacht had verlegd van de Gülenbeweging naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+ gemeenschap”.\n\n11.4.. De rechtbank stelt vast dat in de ambtsberichten van 2023 en 2025 geen met de daling corresponderende stijging van het aantal vervolgde Koerdische- en\u002Fof LHBTI+-mensen in Turkije is waar te nemen.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen.\n\n12. Gelet op de onverminderd grote negatieve aandacht en vastberadenheid van de Turkse overheid jegens de Gülenbeweging en de nog steeds overweldigende cijfers over het aantal strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen op grond van (vermeend) Gülenisme, is de rechtbank van oordeel dat de na de noodtoestand ingezette getalsmatige daling is toe te schrijven aan het getalsmatige gegeven dat inmiddels veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. Dit wordt niet alleen door diverse bronnen en experts aangegeven, maar is ook de conclusie van gerenommeerde entiteiten als voornoemde delegatie van de Europese Unie en UK Home Office. De rechtbank gaat dus niet mee in de mogelijkheid dat de daling het gevolg is van het verleggen van de aandacht naar andere groeperingen. Er is slechts één bron die dit naar voren brengt en uit het ambtsbericht 2023 en 2025 blijkt dat daar geen cijfermatige onderbouwing voor is gegeven. Sterker nog, uit alle hierboven aangehaalde landeninformatie blijkt dat de negatieve aandacht jegens (vermeende) Gülenisten in de loop van de tijd juist is verbreed naar nieuwe groepen, zoals mensen die (vermeende) Gülenisten in gevangenschap en\u002Fof hun familieleden (financieel) ondersteunen, het zogenoemde verboden ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging, en kinderen van Gülenisten die ten tijde van de coup nog geen 18 jaar oud waren.\n\nII. Minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten\n\n13. Het ambtsbericht 2025 vermeldt dat vervolgde Gülenisten uit alle geledingen van de maatschappij komen en dat mensen nog steeds relatief makkelijk kunnen worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n13.1.. De Finse Immigratiedienst schrijft dat aan de hand van de volgende criteria iemand gelinkt kan worden aan de Gülenbeweging:\n\nhas used or downloaded the ByLock messaging application\n\nhas deposited money or possessed a bank or credit card in Bank Asya or used one of its payment terminals\n\nhas been denounced anonymously or his or her name appears in secret witness statements\n\nhas attended the Gülen movement’s religious gatherings (sohbets)\n\nhas served in an executive role or as a member in an association that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas served in an executive role or as a member in a trade union that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas been a shareholder, manager or employee in companies and other legal persons, including schools, universities, hospitals, media outlets, publishing houses that have been closed down or seized under the State of Emergency for their alleged ties with the Gülen movement\n\nhas subscribed to newspapers or magazines dissolved or seized during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas been in possession of copies of the above-mentioned newspapers or magazines or books, CDs or DVDS issued by publishing houses closed, dissolved or seized because of their alleged connections to the Gülen movement\n\nhas studied in schools or universities or resided in dormitories closed during the State of Emergency for their alleged connections to the Gülen movement or sent his or her children to these educational institutions\n\nhas travelled abroad\n\nhas followed certain accounts on social media or shared articles critical of the AKP government\n\nhas donated to relief organisations associated with the Gülen movement\n\nhas resided in hotels associated with the Gülen movement\n\nhas been found to be in possession of a one-dollar (USD) banknote\n\nhas cancelled their subscription to the digital TV platform DIGITURK after its decision to end the broadcasting of seven television channels allegedly connected to the Gülen movement\n\nhas participated in protests reacting to the Turkish government’s takeover of (Gülen movement linked) the newspaper Zaman and Samanyolu TV or made press statements protesting the government’s actions\n\nhas expressed support for the opposition parties or criticised the Turkish government for human rights violations\n\nhas been associated with the so-called “restructuring” of the Gülen movement’s structures or, in general, with assisting those associated with the movement financially or otherwise\n\nhas made consecutive calls from payphones connected to the activities of the Gülen movement’s members\n\nhas a family member who has downloaded the ByLock messaging application\n\nhas been mentioned in a ByLock correspondence without their knowing and without using the software themselves\n\nhas participated in the Gülen movement’s religious conversations and programs\n\nhas authored books published by the Gülen movement’s publishing houses and\u002For about Fethullah Gülen\n\nhas been mentioned in an intelligence report\n\nhas been in contact with people influential in the Gülen movement\n\nhas participated in a demonstration or written an article critical of the Turkish government\n\n13.2.. UK Home Office benoemt daarnaast nog de volgende criteria:\n\nPolice or secret service reports\n\nInformation received from work colleagues or from neighbours\n\nRapid promotion in the public service or military\n\n13.3.. Volgens Human Rights Watch is de vervolging van (vermeende) Gülenisten “extreem willekeurig en onvoorspelbaar” en is er geen duidelijkheid over de criteria die daarbij door de Turkse autoriteiten worden gehanteerd. Human Rights Watch vermoedt dat deze willekeur het gevolg is van niveauverschillen bij de politie en veiligheidsdiensten op lokaal niveau. In sommige districten zijn de autoriteiten eenvoudigweg goed in staat iedereen op te pakken en in andere niet.Een voor het ambtsbericht 2025 gesproken vertrouwelijke bron bevestigt de willekeur in vervolging.\n\n13.4.. Ook door de Finse Immigratiedienst gesproken bronnen benoemen de willekeur bij vervolging van vermeende Gülenisten. Zo spreekt een van de experts van een “all-pervasive sense of randomness with regard to how even a person without any ties to the movement can be subjected to investigation\".Dit laatste wordt door een andere expert beaamd: “For example, just being a friend of a convicted person can be seen as a sign of affiliation with the movement and in these cases, simply meeting a friend can be dangerous.”Weer een andere expert benoemt de normale achtergrond (ordinary background) van de mensen die door de Turkse autoriteiten zijn vervolgd voor Gülenisme. Volgens deze expert was bijna niemand van de veroordeelden op een eerder moment met justitie in aanraking gekomen.\n\n13.5.. Ondanks voorgaande willekeur zijn volgens de Finse immigratiedienst ook specifieke categorieën van (vermeende) Gülenisten aan te duiden die in de negatieve belangstelling staan van de overheid. Het gaat daarbij om:\n\noverheidsdienaren en leden van de veiligheidsdiensten;\n\nindividuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme;\n\noperaties tegen “herstructureren” van de Gülenbeweging;\n\nindividuen die betrokken zijn bij het zogenaamde “payphone investigation”;\n\nindividuen die na de coup van 2016 de leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid hebben bereikt;\n\nmensenrechtenactivisten, mensen die het (juridisch) hebben opgenomen voor Gülenisten en critici van de Turkse overheid;\n\nzakenlieden.\n\n13.6.. Het ambtsbericht 2025 spreekt ook over een specifieke groep die in de negatieve aandacht staat. Het gaat daarbij om (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers.Zo zijn bij de operaties die tussen 10 januari en 23 oktober 2024 plaatsvonden, in de meeste gevallen militairen, politieagenten en medewerkers van justitie opgepakt.\n\n13.7.. De Finse immigratiedienst schrijft verder dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten nog steeds willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de vraag of er sprake is van minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat nog steeds iedereen die in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging door de Turkse autoriteiten het risico loopt op een willekeurige verdenking en strafrechtelijke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme. De mate van willekeur manifesteert zich niet alleen bij de vraag wie de autoriteiten in het vizier hebben, maar lijkt ook verband te houden met de vraag of de lokale autoriteiten organisatorisch voldoende in staat zijn om een verdenking om te zetten in concrete vervolgingsacties. Daarnaast volgt uit de landeninformatie dat een aantal categorieën mensen in een gerichte en bijzondere negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Die bijzondere aandacht kan bovengenoemde willekeur evenwel niet wegnemen. Sterker nog, de Turkse overheid laat in woord en gebaar juist zien dat het hen serieus is om iedereen die in hun ogen betrokken is bij de Gülenbeweging aan te pakken.\n\nIII. Meer bescherming door de rechterlijke autoriteiten\n\n15. De Europese Commissie schrijft in 2022 dat er serieuze zorgen zijn over de “continued deterioration of the independence of the judiciary” en dat de Turkse overheid deze zorgen niet beantwoordt.Ook schrijft de Europese Commissie dat “The serious backsliding observed since 2016 continued during the reporting period. Concerns remained, in particular the systemic lack of independence of the judiciary and undue pressure on judges and prosecutors. Particular concerns relating to the judiciary’s adherence to international and European standards increased, in particular in relation to the refusal to implement rulings by the European Court of Human Rights.”\n\n15.1.. Freedom House schrijft dat “Judicial independence has been severely compromised, as thousands of judges and prosecutors have been replaced with government loyalists since 2016 (…). The Constitutional Court has shown some independence since 2019 but is not free form political influence and often delivers rulings in line with AKP interests”\n\n15.2.. De United States State Department schrijft in haar rapport van 2022 dat “Observers noted prosecutors and courts often failed to establish sufficient evidence to sustain indictments and convictions in cases related to supporting terrorism, highlighting concerns regarding respect for due process and adherence to credible evidentiary thresholds. In numerous cases, authorities used secret evidence or witnesses to which defense attorneys and the accused had no accesss or ability to cross-examine and challenge in court, particularly in cases related to national security.”\n\n15.3.. Human Rights Watch schrijft in haar jaarrapport uit 2024 dat president Erdoğan en zijn AKP “exert strong control over the media, courts and most state institutions, regularly sidelining or punishing perceived government critics. Political divisions and power struggle within Türkiye top courts and increasing reports of corruption within the state and judiciary have further undermined human rights and the rule of law.”\n\n15.4.. Op 26 september 2023 oordeelde het EHRM dat de veroordeling van docent Yukŝel Yalçinkaya in strijd was met artikel 6, eerste lid (recht op een eerlijk proces), artikel 7 (het legaliteitsbeginsel) en artikel 11 (vrijheid van vereniging) van het EVRM.In september 2024 werd Yalçinkaya voor dezelfde feiten door een Turkse rechtbank wederom veroordeeld. Volgens Human Rights Watch met terzijde schuiving van het oordeel van het EHRM.\n\n15.5.. In het ambtsbericht 2023 wordt melding gemaakt van het feit dat er door het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie strenger wordt toegezien op het gebruik van strafrechtelijk bewijs in zaken tegen Gülenisten.Zo heeft het Hof van Cassatie in 2021 geoordeeld dat het gebruik van ByLock alleen kan worden tegengeworpen als bewezen is dat de betrokkene de app daadwerkelijk heeft gebruikt, en niet iemand anders. Het Constitutioneel Hof heeft op 13 februari 2020 bepaald dat het hebben gehad van een rekening bij Bank Asya niet kan niet worden aangemerkt als een activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging, tenzij er een instructie vanuit de beweging aan ten grondslag ligt. Verder oordeelde het Hof van Cassatie in januari 2022 dat alledaagse transacties via Bank Asya niet kunnen worden beschouwd als activiteiten ten behoeve van de Gülenbeweging.\n\n15.6.. Verder staat in het ambtsbericht 2025 beschreven dat voormelde eisen aan de bewijsvoering door lagere rechters niet altijd worden gevolgd.\n\n15.7.. Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat strafrechtelijke vervolgingen op basis van het gebruik van ByLock en\u002Fof Asya Bank inmiddels bijna allemaal zijn afgerond.\n\n15.8.. Verscheidene door de Finse immigratiedienst gesproken bronnen geven aan dat geheime getuigenverklaringen een belangrijk bewijsmiddel zijn in aanklachten tegen Gülenisten.Deze verklaringen kunnen afkomstig zijn van mensen die zelf verdacht werden van Gülenisme en, in ruil voor vrijlating of strafvermindering dan wel anderszins onder druk, besloten anderen te noemen (dit zijn zogenaamde “spijtoptanten”). Geheime getuigenverklaringen kunnen ook afkomstig zijn van politieagenten zelf.Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht worden geheime getuigenverklaringen in zaken tegen gewone burgers nog steeds gebruikt.\n\n15.9.. De Finse Immigratiedienst schrijft ook dat volgens Human Rights Watch en een door hen geraadpleegde advocaat, de Turkse rechtspraak niet eenduidig omgaat met Gülen-zaken. Bij nagenoeg hetzelfde bewijsmateriaal wordt in de ene zaak wel en de andere geen veroordeling uitgesproken.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de vraag of de rechterlijke autoriteiten meer bescherming biedt.\n\n16. Uit de landeninformatie volgt dat de rechterlijke macht meegaat in strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten. Tegen het politiek vervolgen van (vermeende) Gülenisten an sich wordt dan ook geen rechtsbescherming geboden. Ook heeft de rechterlijke macht het uitgangspunt van gedwongen ontslagen op grond van (vermeend) Gülenisme in stand gelaten.\n\n16.1.. Weliswaar volgt uit het ambtsbericht 2023 dat het Hof van Cassatie en het Constitutioneel Hof strengere eisen stellen aan het strafrechtelijk bewijs ten aanzien van het gebruik van ByLock of Asya Bank, maar uit de landeninformatie blijkt ook dat deze eisen niet altijd door lagere rechters worden gevolgd. Bovendien tast deze aanscherping de vervolging op basis van (vermeend) Gülenisme niet aan en blijven er vele andere bewijsmiddelen over (zie onder 13.1.), waaronder de geheime getuigenverklaringen. De ‘verbetering’ in rechterlijke bescherming, althans zo begrijpt de rechtbank de minister, ziet de rechtbank dan ook niet als een werkelijke verbetering en beschermt in de kern ook niet tegen politieke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme an sich.\n\nIs de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije minder slecht geworden?\n\n17. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de negatieve aandacht van de Turkse overheid voor (vermeende) Gülenisten nog onverminderd groot is en dat deze zich in de loop van de jaren heeft uitgebreid naar nieuwe categorieën die op de radar zijn komen te staan van de Turkse autoriteiten. De getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen is het gevolg van het feit dat veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. De vervolging is nog steeds willekeurig, waarbij een aantal groepen extra kans lopen op negatieve aandacht. De rechterlijke macht biedt tegen politieke vervolgingen wegens Gülenisme an sich geen bescherming. De extra waarborgen ten aanzien van het strafrechtelijk bewijs inzake Bylock en Bank Asya zijn bovendien marginaal. Hierbij valt overigens niet uit te sluiten dat het grootste deel van de dossiers waarin ByLock en Bank Asya als initieel bewijsmiddel figureren, inmiddels is afgehandeld.\n\n17.1.. Anders dan de minister komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een minder slecht beeld voor Gülenisten dan voorheen. Dat de negatieve aandacht een aantal categorieën mensen extra treft – in zoverre is het beeld minder diffuus geworden – maakt het voorgaande niet anders. Deze mensen lopen extra gevaar, alle andere mensen gaan nog steeds gebukt onder dezelfde willekeur.\n\n17.2.. De wijziging van het beleid mist dan ook een deugdelijke motivering. Nu het bestreden besluit op die wijziging is gebaseerd, mist ook het besluit een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de minister onder het oude beleid asielaanvragen van (vermeende) Gülenisten in de regel inwilligde, ook bij het ontbreken van geringe indicaties.Het beroep is dan ook gegrond.\n\nDe op eiseres toegesneden motivering in het bestreden besluit\n\n18. De rechtbank is zich bewust van de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 waar ten aanzien van de wijziging van het beleid tot een ander oordeel wordt gekomen.De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat de minister tegen deze uitspraak in hoger beroep zal willen gaan.\n\n18.1.. De rechtbank hecht er daarom aan voorts nog het navolgende te overwegen nu ook de individuele beslissing gebaseerd op het nieuwe beleid gebreken kent.\n\n18.2.. De rechtbank herhaalt daarom kort hetgeen eiseres aan haar individuele asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Uit het door de minister geloofwaardig geachte asielrelaas komt naar voren dat eiseres de echtgenote is van een politieagent, die bij decreet is ontslagen in verband met banden met de Gülenbeweging. Ook is de echtgenoot (wederom) onderwerp van strafrechtelijk onderzoek in verband met de verdenking van banden met de Gülenbeweging. Als gevolg van het ontslag van de echtgenoot is eiseres door haar werkgever, [werkgever] , zes keer overgeplaatst. Er is ook strafrechtelijk onderzoek gedaan naar eiseres. Eiseres heeft contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.\n\n18.3.. Eiseres vreest voor negatieve aandacht van de overheid bij terugkeer naar Turkije. Zij is bang te worden beschuldigd van herstructurering.Ook is eiseres bang als echtgenote van een Gülenist en lid van de Gülenbeweging te worden gezien. Zij vreest bij terugkeer een strafrechtelijke vervolging. Dat zij niet eerder strafrechtelijk is vervolgd, maakt dit niet anders aldus eiseres.\n\n19. De minister dient het asielrelaas en de vrees van eiseres af te zetten tegen wat algemeen bekend is over de situatie van (vermeende) Gülenisten zoals hierboven is weergegeven onder 9. – 11.4, 13. – 13.7 en 15. – 15.9. Dat heeft de minister onvoldoende kenbaar gedaan. De minister had het asielrelaas en de vrees voorts ook in het licht van zijn eigen beleid dienen te beoordelen, te weten dat (vermeende) Gülenisten vanaf 1 juli 2024 zijn aangewezen als risicoprofiel. Uit het bestreden besluit volgt onvoldoende dat de minister dit toetsingskader heeft gevolgd.\n\n20. De rechtbank merkt voorts op dat de minister nader dient te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met- en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging.\n\n20.1.. Dat volgens de minister, zoals in het verweerschrift onder verwijzing naar het ambtsbericht 2025 is geschreven, niet is gebleken dat de echtgenoot een hooggeplaatste Gülenist is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing dat eiseres als echtgenote geen risico zal lopen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, meer specifiek r.o. 5.1 en 5.2. Hieruit volgt, kort gezegd, dat onduidelijk is wat onder ‘hooggeplaatste’ Gülenisten moet worden verstaan en dat niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen.\n\n20.2.. De rechtbank voegt daaraan toe dat ook UK Home Office geen onderscheid maakt tussen familieleden van hooggeplaatste of niet-hooggeplaatste Gülenisten. Volgens dit rapport is het enkel zijn van familielid van een Gülenist voldoende als risicofactor voor vervolging.De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.\n\n20.3.. Dat eiseres niet eerder problemen heeft ervaren met de autoriteiten, zoals in het bestreden besluit en het verweerschrift wordt gesteld, kan zonder nadere motivering evenmin worden gevolgd. Weliswaar heeft eiseres dit tijdens het nader gehoor zo verteld maar gelet op de context van het nader gehoor is het daarbij gegaan om de strafrechtelijke vervolging door de overheid. Als overheidsdienaar heeft eiseres wel degelijk negatieve gevolgen ondervonden. Zij is zes keer overgeplaatst in de periode 2019-2023. Anders dan het bestreden besluit stelt, is er vanuit de overheid jegens eiseres dus wel sprake van toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n20.4.. Voor zover de minister overigens geen negatieve aandacht in dit verband heeft aangenomen omdat eiseres niet is ontslagen, merkt de rechtbank op dat dit niet nader is onderbouwd. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft aan dat “Family members of people convicted due to their alleged association with the Gülen movement have been discriminated against. Relatives working in the public sector might have lost out on a promotion (…).”. Hieruit volgt dus niet dat enkel bij ontslag sprake is van negatieve aandacht.\n\n21. De rechtbank merkt, tot slot, op dat het bestreden besluit van eiseres niet vooraf is gegaan door een voornemen. Daarmee is het onderzoek in de zaak van eiseres onvoldoende zorgvuldig verlopen.\n\n22. Het beroep is ook om bovenstaande redenen gegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het is eerst aan de minister om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van het voorgaande. De minister krijgt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n24. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:13599.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:17345.\n\n WBV 2024\u002F23, Stcrt. 2023, nr. 30427.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1607.\n\n AAB Turkije 2025, p. 46.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 1.\n\n Turkish Minute, 16 juli 2025 Erdoğan calls Gülen movement a 'virus Turkey has not yet removed' - Turkish Minute.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Idem.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ juni 2024, p. 6.\n\n Idem, p. 9.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44 en AAB Turkije 2025, p. 46.\n\n AAB Turkije 2025, p. 47\u002F48.\n\n Human Rights Watch, Türkiye Events of 2024.\n\n Synoniem voor Gülenbweging.\n\n Bijlage bij het AAB Turkije 2025, p. 29.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet on-line kunnen vinden.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 14.\n\n Idem.\n\n Idem, p. 15.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 16, 17 en 18.\n\n Idem, p. 11 en 12.\n\n Idem, p. 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Europese Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n AAB Turkije 2025, p. 51. Zie verder onder r.o. 15.4.\n\n Idem.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 7.\n\n UK Home Office, Country policy and information note: Turkey - Gülenists, Octobre 2023, p. 8 en 19.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8 en 9.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 22-24.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.\n\n AAB Turkije 2025, p. 50.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.\n\n Idem.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41 en 42.\n\n Europese Commissie, Turkey 2022 Report, p. 5.\n\n Idem, p. 5 en 6.\n\n Freedom House, ‘Freedom in the World 2023’, sectie F1.\n\n USDD ‘2022 Country Reports on Human Rights: Turkey’, sectie 1E en UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Idem.\n\n EHRM, nr. 15669\u002F20, ECLI:CE:EHCR:2023:0926JUD001566920.\n\n Human Rights Watch, ‘Türkiye, Events of 2024’.\n\n AAB Turkije 2023, p. 45.\n\n AAB 2025, p. 51.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 25 en 26.\n\n Idem p. 27.\n\n Idem p. 26- 28.\n\n Idem p. 29.\n\n Idem p. 27.\n\n Idem p. 45 en 46.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 5.6.\n\n ECLI:N:RVS:2026:1607, r.o. 7.7.\n\n Idem.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1743.\n\n Rapport UK Home Office, okt. 2023 p. 8.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41.\n\n Idem p. 42.\n\n Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 3:46 van de Awb.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14790","ecli-nl-rbdha-2026-14790",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]