Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17238

Rechtbank

Den Haag

Datum

26 May 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Personen- en familierecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 26-347

Zaaknummer: C/09/697671

Datum beschikking: 26 mei 2026Informele rechtsingang

Beschikkingnaar aanleiding van de op 13 januari 2026 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:253a lid 4 jo 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) van:

[minderjarige],

hierna te noemen: [minderjarige],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen.

en

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.C. Braun te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft op 9 januari 2026 de brief ontvangen die [minderjarige] heeft gestuurd.

Op 3 maart 2026 heeft [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.

Bij brief van 6 maart 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige] en hen uitgenodigd om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is voor de zitting uitgenodigd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

de brief van [minderjarige] van 13 januari 2026;

het bericht van de vader op 2 maart 2026;

het bericht van de moeder op 2 maart 2026;

de brief van de vader op 11 maart 2026;

de brief van de vader op 13 maart 2026;

de brief van de vader op 28 april 2026;

de brief van de moeder op 8 mei 2026.

De zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad.

Feiten

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

  • [minderjarige] ([minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats].

De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit ingevolgde een aantekening in het gezagsregister van 10 augustus 2016.

[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader.

Bij de beschikking van 22 november 2019 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 24 december 2020, is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader vastgesteld en is een zorgregeling vastgesteld, in die zin dat de moeder twee van de drie weekenden voor [minderjarige] zorgt, waarbij zij [minderjarige] op vrijdag ophaalt uit school en de vader haar op zondag om 18.00 uur, althans na het eten, ophaalt bij de moeder en dat [minderjarige] 60% van de vakantieperiodes bij de moeder verblijft en 40% bij de vader, in onderling overleg tussen partijen nader overeen te komen.

Bij de beschikking van deze rechtbank op 22 juli 2024 is de bestaande weekendregeling en een vaste verdeling van de feest- en vakantiedagen vastgesteld.

Aanvraag en verzoeken

[minderjarige] heeft de kinderrechter gevraagd om de zorgregeling te wijzigen in die zin dat zij haar hoofdverblijfplaats voortaan bij haar moeder zal hebben en haar vader volgens een nader vast te stellen zorgregeling te zien in de weekenden en vakanties.

De vader heeft bij de brief van 28 april 2026 de rechtbank verzocht om een zorgregeling vast te stellen die passend is bij de situatie dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. De vader verzoek daarom vast te stellen:

een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de moeder per 6 juli 2026;

een weekendregeling waarbij [minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft (conform de aangepaste schema’s);

een omgekeerde haal- en brengregeling ten opzichte van de huidige situatie, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;

een gelijke (50/50) verdeling van de vakantiedagen, overeenkomstig de door de vader aangepaste schema’s;

handhaving van de beschikking van 22 juli 2024 vastgestelde feestdagenregeling, met dien verstande dat de schema’s zijn aangepast aan de nieuwe hoofdverblijfssituatie.

De moeder heeft bij de brief van 8 mei 2026 de rechtbank verzocht om, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

de beschikking van 22 juli 2024 wordt vernietigd;

het hoofdverblijf van [minderjarige] met ingang van 6 juli 2026 bij de moeder te bepalen, waardoor zij tevens gerechtigd is alle tegemoetkomingen voor de minderjarige te innen;

een zorgregeling wordt vastgesteld die recht doet aan de wensen van [minderjarige] waarbij [minderjarige] gedurende één weekend per maand en verder op verzoek van [minderjarige] bij de vader verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, althans een regeling welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

de vader [minderjarige] op vrijdag na school ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondagavond rond 18:00 uur weer ophaalt bij de vader;

op een later moment in deze procedure, rekening houdend met de nog vast te stellen zorgregeling, een bijdrage van de vader aan de moeder wordt vastgesteld voor de kosten van de opvoeding en verzorging van de minderjarige, welke bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.

Op de zitting heeft de moeder het verzoek om kinderalimentatie ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat zij daarom op dat punt niets meer hoeft te beslissen.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats

Juridisch kader

Op grond van de artikelen 1:377g en 1:253a BW kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing nemen over de zorgregeling. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Hoewel de wet geen expliciet wetsartikel heeft opgenomen voor een informele rechtsingang tot een wijziging van de hoofdverblijfplaats, kan dit naar het oordeel van de kinderechter wel. De wijziging van de hoofdverblijfplaats is namelijk ‘het mindere’ is van een gezagswijziging, waarvoor de wetgever wel heeft voorzien in een informele rechtsingang.

Beide ouders hebben ook zelfstandig verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rechtbank zal daarom niet het verzoek van [minderjarige] in behandeling nemen maar beslissen op de verzoeken van de ouders op grond van artikel 1:253a, lid 2, onderdeel b BW.

Inhoudelijke beoordeling

[minderjarige] heeft in haar brief en in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij graag bij haar moeder zou willen wonen. Zij heeft de kinderrechter wel gevraagd terughoudend om te gaan met hetgeen zij heeft verteld in dat gesprek. De kinderrechter heeft de indruk dat [minderjarige] dat heeft gevraagd omdat zij niemand wil kwetsen. De kinderrechter heeft besloten de wens van [minderjarige] te respecteren en ouders tijdens de mondelinge behandeling alleen voorgehouden dat [minderjarige] bij haar moeder wilde wonen.

Tijdens de mondelinge bleek dat de ouders al op de hoogte waren van de wens van [minderjarige] en dat [minderjarige] vooraf de informele rechtsingang had besproken met de advocaat van de moeder. De vader en de moeder hebben uitgesproken dat zij kunnen instemmen met de wens van [minderjarige] om per 6 juli 2026 te verhuizen naar haar moeder en daar voortaan haar hoofdverblijfplaats te zullen hebben. De rechtbank zal daarom de verzoeken van de vader en de moeder toewijzen waarmee de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] per 6 juli 2026 wijzigt naar het adres van de moeder.

Zorgregeling

Juridisch kader

De rechtbank kan op grond van artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 3 BW op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing over een zorgregeling of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt in een dergelijk geval een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Nu [minderjarige] per 6 juli 2026 haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben, is de rechtbank van oordeel dat er sprake van een wijziging van omstandigheden als hiervoor bedoeld. De zorgregeling zal daarom door de rechtbank opnieuw beoordeeld worden.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat de ouders niet geheel op één lijn lagen met betrekking tot het wijzigen van de zorgregeling. De mondelinge behandeling is daarom geschorst om ouders gelegenheid te geven met elkaar in gesprek te gaan om te kijken of ze hierover toch nadere afspraken konden maken. Dit is de ouders gelukkig met behulp van de advocaten en de Raad gelukt. De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader verblijft waarbij de vader haar vrijdag ophaalt uit school en de moeder [minderjarige] op zondag rond 18:00 uur weer ophaalt bij de vader. Wat betreft de vakanties en feestdagen zijn de ouders overeengekomen dat deze moeten worden vastgesteld in lijn met de beschikking van 22 juli 2024. Hiervoor heeft de vader destijds schema’s aangeleverd die wederom zullen gelden. Dit betekent voor verdere jaren dat het schema van 2027 geldt voor de komende oneven jaren en het schema van 2028 geldt voor de even jaren in de toekomst. Het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders gezamenlijk afspraken hebben kunnen maken. De rechtbank zal daarom de zorgregeling wijzigen overeenkomstig met wat de ouders hebben afgesproken. De schema’s zal de rechtbank aan deze beschikking hechten

Geen kindbrief

De kinderrechter heeft tijdens het gesprek met [minderjarige] besproken of zij een brief van de kinderrechter wilde ontvangen. Zij gaf aan geen prijs hierop te stellen. De kinderrechter zal haar daarom geen brief sturen. Wel wil de kinderrechter ouders nadrukkelijk vragen om [minderjarige] te vertellen dat zij samen hebben ingestemd met haar wens tot wijziging van de hoofdverblijfplaats én ook samen hebben gekozen voor de nieuwe zorgregeling omdat zij vinden dat die regeling in het belang van [minderjarige] is.

Beslissing

De rechtbank:

neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige];

met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 november 2019 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 24 december 2020:

stelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast bij de moeder per 6 juli 2026;

bepaalt dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader verblijft waarbij de vader [minderjarige] vrijdag uit school ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondag rond 18:00 uur weer ophaalt;

stelt vast dat de vakanties en feestdagen gelden volgens de schema’s zoals bepaald bij de beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2024 waarbij het schema van 2027 geldt voor de komende oneven jaren en het schema van 2028 geldt voor de even jaren in de toekomst;

wijst al het meer en anders verzochte af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 mei 2026.

Meer Beslissingen