ECLI:NL:RBDHA:2026:17277
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704991 / KG ZA 26-498
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[de moeder]te [woonplaats 1],
eiseres,
advocaat mr. J.B. de Bruin te Amsterdam,
tegen:
[de vader]te [woonplaats 2],
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’ en samen als ‘de ouders’.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties namens de moeder.
1.2. De vader is niet verschenen op de zitting. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het dagvaardingsexploot op de door de wet voorgeschreven wijze aan hem is uitgebracht. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de vader verstek wordt verleend.
1.3. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 26 mei 2026.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1. De moeder en de vader zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].
2.2. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige].
3. Het geschil
3.1. De moeder vordert – zakelijk weergegeven – om haar bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vader vervangt, om met de minderjarige op vakantie te gaan naar [land 1] van 30 mei 2026 tot en met 12 juni 2026, en voor de vakantie van [minderjarige] in de periode van 3 augustus tot en met 24 augustus 2026 naar [land 2], en de vader te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.
3.2. Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Het verzoek van de moeder betreft een vakantie van de moeder en [minderjarige] naar [land 1] waarbij zij bij de oma moederszijde zullen verblijven en een vakantie van [minderjarige] met vrienden en de ouders van deze vrienden naar [land 2]. De moeder vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij op vakantie kan gaan. [minderjarige] is bijna klaar met haar eindexamens. De vakanties bieden rust, ontspanning en zien onder andere op een familiebezoek in [land 1]. De moeder heeft de vader om toestemming gevraagd. De vader weigert zijn toestemming te verlenen, zonder dat hij hier een reden voor geeft. De moeder is bekend met dit patroon waarbij de vader toestemming weigert te geven. De moeder stelt dan ook dat de vader misbruikt maakt van zijn gezag en vraagt de vader te veroordelen in de proceskosten, mede ter voorkoming van herhaling.
4. De beoordeling van het geschil
Vervangende toestemming4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder, gelet op hetgeen zij heeft aangevoerd en nu de vader niet ter zitting is verschenen, belang heeft bij toewijzing van de vordering. De vordering komt de voorzieningenrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voor en zal daarom – op de wijze zoals hierna vermeld – worden toegewezen.
Proceskosten4.2. Hoewel het in familierechtelijke zaken als deze gebruikelijk is om de proceskosten te compenseren, zal de voorzieningenrechter de vader in de proceskosten veroordelen. De voorzieningenrechter vindt dat de vader zijn positie als gezaghebbende ouder niet juist heeft gebruikt. Hij heeft zijn toestemming onthouden zonder kenbare (geldige) reden aan de vrouw kenbaar te maken. Daarom is de vrouw genoodzaakt geweest dit kort geding te starten. Gelet op zijn afwezigheid ter zitting, gaat de voorzieningenrechter er van uit dat de man geen geldige reden heeft om de vakantie tegen te houden. Daarbij komt dat dit de tweede keer is dat de vrouw vervangende toestemming moet vragen voor een vakantie.
4.3. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vader veroordelen in de kosten van de deurwaarder (€ 153,77), de kosten van het griffierecht (€ 341,-), en het salaris van de advocaat conform het liquidatietarief (€ 760,-). Onder proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (€ 178,-).
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1. verleent verstek tegen de vader;
5.2. verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming van de vader vervangt - om met het minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], op vakantie te gaan naar [land 1] van 30 mei 2026 tot en met 12 juni 2026, en voor de vakantie van [minderjarige] in de periode van 3 augustus tot en met 24 augustus 2026 naar [land 2],
5.3. veroordeelt de vader in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de moeder begroot op € 1.254,77 , waarvan € 760,- aan salaris advocaat, € 341,- aan griffierecht, € 151,94 aan dagvaardingskosten en € 1,83 aan verschotten, te vermeerderen met nakosten zoals vermeld in 4.3.;
5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
CAEdK