ECLI:NL:RBDHA:2026:17385
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2019
Zaaknummer: C/09/700441
Datum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 27 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende te op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Sanger te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens verzoekschrift.
Op 13 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.
Feiten
Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] met elkaar gehuwd.
Op 5 februari 2026 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaakkenmerk C/09/699137.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.331,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van het verzoekschrift, te weten 27 februari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
althans een beschikking af te geven zoals de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:
de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;
indien de rechtbank een bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststelt, deze te bepalen op maximaal € 878,- bruto per maand, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Beide partijen hebben verzocht het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning te verkrijgen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
Partijen hebben op 27 juli 2025 afspraken gemaakt. Een van die afspraken was dat de man in de woning zou blijven. De broer van de vrouw heeft partijen geholpen om deze afspraken tot stand te brengen. Volgens de vrouw zijn deze afspraken echter onder dwang en druk tot stand gekomen. Zij wil terug naar de echtelijke woning, onder andere omdat zij in die omgeving haar sociale contacten heeft en psychologische behandeling krijgt. De vrouw stelt geen andere zelfstandige woonruimte te kunnen vinden in de omgeving. Zij heeft de afgelopen maanden bij familie en vrienden verbleven maar daar kan zij niet langer terecht. De man betwist dat de afspraken onder dwang of druk tot stand zijn gekomen. Hij verzoekt te bepalen dat het uitsluitend gebruik aan hem toekomt omdat hij niet over andere zelfstandige woonruimte beschikt en niet bij derden terecht kan.
Tussen partijen zijn afspraken vastgelegd, onder andere met betrekking tot de woning. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat deze afspraken onder druk tot stand zijn gekomen. Het lag op de weg van de vrouw om die stelling handen en voeten te geven maar zij heeft in het kader van deze procedure op geen enkele manier onderbouwd dat zij met de afspraken die zijn gemaakt op 27 juli 2025 onder druk heeft ingestemd. Bovendien is ook uitvoering gegeven aan de afspraken in die zin dat de vrouw de woning heeft verlaten, de man in de woning is gebleven en de man aan de vrouw een bedrag van € 5.500,- heeft betaald. De enkele omstandigheid dat zij enkele maanden later door de verhuurder weer is aangemerkt als medehuurder doet daar niet aan af. Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. De vrouw heeft gesteld dat zij de afgelopen acht maanden bij familie en vrienden heeft verbleven in de omgeving van [plaats 3]. Zij reist nu voor haar psychologische behandeling vanuit die omgeving naar [plaats 2]. Daarnaast heeft zij op de zitting aangegeven dat zij deze behandeling ook op een andere plek kan volgen. De man verblijft momenteel in de echtelijke woning conform de door partijen gemaakte afspraken. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu verandering in te brengen en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Het verzoek van de man zal de rechtbank toewijzen en aan hem zal het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekennen voor de duur van echtscheidingsprocedure.
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Spoedeisend belang
De vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 2.331,- per maand.
De man heeft zich hiertegen verzet. Hij stelt dat de vrouw haar spoedeisend belang bij een dergelijke voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft zij haar behoefte en haar aanvullende behoefte onvoldoende onderbouwd, aldus de man.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie is, anders dan de man heeft aangegeven, gegrond op artikel 822 lid 1 sub e van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het primaire standpunt van de man en het verzoek van de vrouw inhoudelijk zal beoordelen.
Behoefte
De vrouw heeft gesteld dat haar huwelijkse behoefte € 5.998,- netto per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. Primair betwist de man dat de vrouw behoeftig is, subsidiair berekent hij haar behoefte op € 4.348,- netto per maand.
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk, op het moment van feitelijk uiteengaan, worden bepaald.
NBI man
Het NBI van de man wordt berekend aan de hand van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze gemiddelde winst uit onderneming bedraagt afgerond € 72.916,- bruto per jaar, gebaseerd op de door de man overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van 2023 en 2024 en de prognose van 2025. Ook ten aanzien van zijn inkomen uit loon zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van deze drie jaren. In 2023 had de man een inkomen uit loon van € 19.438,- bruto per jaar, in 2024 bedroeg dit € 3.872,- en van 2025 heeft de man op de zitting onbetwist gesteld dat dit circa € 6.000,- bruto bedroeg. Het gemiddelde inkomen uit loon van de man berekent de rechtbank daarmee op € 9.770,- bruto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.670,- per maand.
NBI vrouw
Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde loonstroken van 2025, waaruit een brutoloon volgt van afgerond € 2.612,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:
de pensioenpremie van afgerond € 120,- per maand;
de premie AOP van afgerond € 2,- per maand;
de premie PAWW van afgerond € 5,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.410,- per maand.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 7.080,- per maand (€ 4.670 + € 2.410). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.248,- netto per maand (60% van € 7.080,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 4.443,- per maand.
Aanvullende behoefte vrouw
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.443,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het bruto-inkomen van de vrouw is in 2026 toegenomen naar afgerond € 2.733,- per maand. Dit volgt uit de door haar overgelegde loonstroken van januari en februari 2026. De rechtbank zal ook hier rekening houden met 8% vakantietoeslag.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:
de pensioenpremie van afgerond € 136,- per maand;
de premie AOP van afgerond € 3,- per maand;
de premie PAWW van afgerond € 3,- per maand.
Op basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.498,- per maand.
De man heeft aangevoerd dat voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw moet worden afgeweken van het woonbudget van 30% en dat voor de vrouw geen rekening moet worden gehouden met woonlasten. Zij woont immers nu in bij familie. De vrouw heeft dit betwist, haar woonlasten zijn niet nihil. Zij draagt bij in de woonkosten bij haar familie. Bovendien is zij opzoek naar een woning en hiervoor is ook het woonbudget bedoeld.
De rechtbank zal rekening houden met het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI. In het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. De man heeft zijn stellingen dat niet gerekend moet worden met woonlasten onvoldoende onderbouwd.
Het voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.945,- netto per maand (€ 4.443 -/- € 2.498). Dat is € 3.780,- bruto per maand.
Draagkracht man
Op basis van de inkomensgegevens van de man bij de berekening van de huwelijkse behoefte in 2025 berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.693,- per maand.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.
De man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn maandelijkse aflossing van € 129,- voor zijn studieschuld. De vrouw heeft dit betwist en stelt dat deze schuld al lange tijd afgelost had kunnen zijn. Een last wordt niet meegenomen in de berekening van alimentatie wanneer deze vermijdbaar en/of verwijtbaar is. Van een vermijdbare last is sprake als de betaler zich geheel of gedeeltelijk van deze last kan bevrijden, bijvoorbeeld als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen of de maandelijkse aflossingen kan verlagen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt niet dat dit voor de man mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de last niet verwijtbaar is. Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De rechtbank houdt er daarom rekening mee in de berekening van de draagkracht van de man.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.075,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 129,-)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.721,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn een hoger bedrag te betalen dan zijn draagkracht toelaat, namelijk € 1.918,- bruto per maand. De rechtbank zal daarom de voorlopige alimentatie vaststellen gelijk aan zijn bruto draagkracht van € 1.721,- per maand.
Ingangsdatum
De vrouw heeft verzocht de voorlopige alimentatie vast te stellen per datum indiening verzoekschrift. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank komt deze ingangsdatum ook redelijk voor, omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De rechtbank zal daarom de datum van het verzoekschrift als ingangsdatum hanteren.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van het verzoekschrift voorlopig een partneralimentatie van € 1.721,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.