ECLI:NL:RBDHA:2026:17438
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1055
Zaaknummer: C/09/680135
Datum beschikking: 28 mei 2026
Gezag, vervangende toestemming, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, informatieregelingBeschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schuerman te [geboorteplaats 1] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te [geboorteplaats 1] .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het aanvullend verzoekschrift;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken;
het F9-bericht van de zijde van de vader van 14 februari 2025;
-het F9-bericht met de brief d.d. 12 januari 2026 van de zijde van de moeder;
het F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026;
het F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026 met bijlagen;
het F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;
het F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;
het F9-bericht van de zijde van de vader van 2 februari 2026 met bijlagen;
het F9-bericht van de zijde van de vader van 3 februari 2026 met bijlage;
het F9-bericht met de brief d.d. 5 februari 2026 van de zijde van de moeder;
het F9-bericht van de zijde van de vader van 6 februari 2026 met bijlage;
het F9-bericht van de zijde van de vader van 13 april 2026 met bijlage;
het F9-bericht van de zijde van de moeder van 27 april 2026 met bijlagen.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 2 februari 2026 in een gesprek met de rechter hun mening gegeven.
Op 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de moeder;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Op de zitting heeft de advocaat van de moeder een wrakingsverzoek gedaan en ter onderbouwing daarvan een pleitnota overgelegd. Na het voordragen van de pleitnota door de advocaat van de moeder is de zitting gesloten.
Het wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer.
Op 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam 2] namens de Raad.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2015 tot [datum 2] 2023.
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .
De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vader.
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, die is hersteld bij beschikking van 16 maart 2023, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang – een co-ouderschapsregeling bepaald waarbij de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder met een wisselmoment op maandag om 19.00 uur, waarbij de ouders in onderling overleg in het traject ouderschapsbemiddeling nadere afspraken kunnen maken.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en zijn de ouders verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, met voorkeur voor het Wilmahuis en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
te bepalen dat hij alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum indiening verzoekschrift;
vervangende toestemming te verlenen voor de bijschrijving van de minderjarige kinderen op de zorgverzekering van de vader;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
indien de verzoeken van de vader niet direct worden afgewezen, doorverwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer;
de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de verzoeken van de vader en de rechtbank te adviseren;
de minderjarigen (voorlopig) onder toezicht te stellen van een GI;
de zorgregeling/omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen te wijzigen naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de 14 dagen een weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder zijn en alle vakanties bij helfte worden verdeeld;
een informatieregeling vast te stellen waarbij de vader de moeder eens per vier weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarige en dat de vader de moeder telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van de minderjarige, althans een informatieregeling te treffen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;
Bij wijze van voorlopige voorziening:
een voorlopige zorgregeling/omgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen en de moeder middels begeleide bezoeken naar de uitbreiding van een zorgregeling werken;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voorlopige voorziening
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige zorgregeling/omgangsregeling afwijzen bij gebrek aan belang.
Verwijzing naar de meervoudige kamer
Juridisch kader
Als een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen (artikel 15 lid 2 Rv).
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt om een verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer, omdat het de zoveelste rechtszaak is tussen de ouders na een langlopende en ingewikkelde echtscheiding en de beslissing over het verzoek van de vader over het eenhoofdig gezag een zo vergaande beslissing is dat deze volgens haar meervoudig genomen moet worden.
De vader ziet geen reden om de zaak meervoudig te behandelen en is van mening dat de kinderrechter de zaak in een eindbeschikking kan afdoen op basis van de stukken en de zitting.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak geschikt voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom wijst zij dit verzoek van de moeder af.
Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming
De rechtbank acht zich op grond van de stukken en de zitting voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen in het belang van de kinderen en ziet ook verder geen redenen om een raadsonderzoek te gelasten. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al veel hulpverlening betrokken is geweest bij partijen, waaronder een bijzondere curator. De kinderen hebben aangegeven rust te willen; ze hebben al heel veel gesprekken met hulpverleners gevoerd en ze hopen dat daar een einde aan komt. Zoals ook door de Raad op de zitting naar voren gebracht, is het de vraag of het in het belang van de kinderen is om ze aan nog een onderzoek bloot te stellen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een raadsonderzoek tot nieuwe inzichten zal leiden. Daarbij komt, zoals ook door de vader aangevoerd, dat de kinderen behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Een raadsonderzoek gaat lang duren en brengt ook weer onzekerheid met zich mee. Dit alles overwegende zal de rechtbank het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek afwijzen.
Gezag
Wettelijk kader
Uitgangspunt is dat de ouders, ook na een scheiding, gezamenlijk het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
Het is de rechtbank gebleken dat er al geruime tijd geen contact meer is tussen de moeder en de kinderen, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt hem te belasten met het éénhoofdig gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. Voor het nemen van gezagsbeslissingen moet een ouder voldoende betrokken zijn en ook weten hoe het staat met het welzijn en de behoefte van de kinderen. De moeder is al jaren niet betrokken bij het leven van de kinderen en heeft geen zicht op hun ontwikkeling. Met [de minderjarige 2] is er vanaf juni 2022 geen contact en met [de minderjarige 1] vanaf medio 2023. De kinderen verzetten zich tegen het contact met de moeder. De vader ervaart bovendien moeilijkheden in de communicatie met de moeder. De moeder werkt onvoldoende mee bij te nemen gezagsbeslissingen, zoals vakanties, het aanvragen van identiteitsbewijzen voor de kinderen en de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dat geeft de vader en kinderen spanning en stress. Als de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag dan sluit dat aan bij de feitelijke situatie. Ook geeft dat de kinderen rust, stabiliteit en duidelijkheid.
De moeder stelt zich op het standpunt dat er niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om het gezamenlijke gezag te kunnen beëindigen. Het klopt dat er geen contact is tussen haar en de kinderen, zij wordt structureel buitengesloten door de vader. Desondanks blijft zij zoveel mogelijk actief betrokken bij de kinderen. De moeder is gestart met het documenteren van de ontwikkelingen van de kinderen. Op deze manier heeft zij zicht op het leven van de kinderen en is zij in staat samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. Hoewel er al geruime tijd geen constructief overleg tussen de ouders heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een gezagsvacuüm, volgens de moeder. De vader heeft gezagsbeslissingen zelfstandig kunnen nemen. Zij heeft geen gezagsbeslissingen tegengewerkt. De moeder is bang dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het ouderlijk gezag is op dit moment het enige wat haar verbindt met de kinderen.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet toekomen.
De rechtbank ziet zich in dit geval gesteld voor een keuze tussen twee kwaden. In stand houden van het gezamenlijk gezag betekent dat partijen gezamenlijk beslissingen moeten nemen over de kinderen terwijl de verstandhouding tussen hen heel slecht is en de communicatie feitelijk niet bestaand. Dat maakt het samen nemen van beslissingen voor de kinderen heel lastig zo niet onmogelijk. Dit levert voor de kinderen veel onzekerheid en onrust op. Daar staat tegenover dat wanneer de moeder geen gezag meer heeft, het risico bestaat dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het gezag is op dit moment het laatste lijntje van de moeder met de kinderen. Beide situaties zijn niet goed voor de kinderen en de rechtbank moet daarin een belangafweging maken.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de moeder aangegeven niet aan gezagsbeslissingen in de weg te willen staan. Tegelijkertijd is het de rechtbank uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken gebleken dat het partijen vaker niet dan wel lukt om samen gezagsbeslissingen te nemen. Er is steeds tussenkomst van een derde nodig, zoals de bijzondere curator, de advocaten of de rechtbank zoals in deze procedure waar het gaat om de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat partijen niet in staat zijn samen beslissingen te nemen. Gelet op de al jaren ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders, ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit (in de nabije toekomst) zal veranderen. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben hier last van, het levert voor hen steeds stress en onzekerheid op. Daarbij komt dat er bij de kinderen door gebeurtenissen uit het verleden grote weerstand is tegen contact met de moeder, waardoor het voor hen extra belastend is als gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. De rechtbank weegt ook mee dat de moeder op dit moment geen rol speelt in het leven van de kinderen. Ook daar is niet de verwachting dat dit (op korte termijn) zal veranderen. Zij kan daarom niet een sparring partner voor de vader zijn waar het gaat om gezagsbeslissingen die in het belang van de kinderen moeten worden genomen. De rechtbank ziet een moeder die van haar kinderen houdt en niets liever wil dan betrokken worden in het leven van haar kinderen, maar door alles wat er is gebeurd niet altijd in staat lijkt mee te werken in het belang van de kinderen.
Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat het in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader alleen de beslissingen over hen kan nemen en dat hij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Anders dan de vader verzoekt zal de rechtbank bepalen dat dit geldt vanaf de datum van deze beschikking.
Vervangende toestemming zorgverzekering
Nu de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag zal belasten, kan hij zelfstandig de kinderen bijschrijven op zijn zorgverzekering en heeft hij de toestemming van de moeder niet meer nodig. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen wegens een gebrek aan belang.
(Voorlopige) ondertoezichtstelling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen. Op grond van het tweede lid is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.
Op grond van artikel 1:257 lid 1 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:257 lid 2 BW is artikel 1:255 lid 2 BW overeenkomstig van toepassing. De kinderrechter bepaalt de duur van dit toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.
Ontvankelijkheid
De rechtbank overweegt dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de Raad op de zitting heeft laten weten niet over te gaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat er gewerkt moet worden aan het negatieve en vertekende beeld dat de kinderen van haar hebben. Volgens de moeder is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en zijn de ouders tot op heden niet in staat gebleken om hulp te regelen die nodig is om deze zorgen weg te nemen.
De vader is het hier niet mee eens. De kinderen worden volgens hem helemaal niet in hun ontwikkeling en veiligheid bedreigd, zodat er niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.
Op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een (spoed) ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op een eerdere zitting is er ook al gesproken over een mogelijke ondertoezichtstelling. In de beschikking van 8 augustus 2024 is hierover het volgende opgenomen: “Op de zitting is nog gesproken over een mogelijk raadsonderzoek naar een eventuele kinderbeschermingsmaatregel, zodat een jeugdbeschermer met de ouders mee kan kijken. De Raad vindt dit echter niet in het belang van de kinderen is. Een jeugdbeschermer wordt dan verantwoordelijk gemaakt voor het probleem dat de ouders niet lijken te kunnen oplossen.”Dat is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd de situatie. Daarbij komt dat de Raad op deze zitting wederom heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een ondertoezichtstelling.
Omgang
Juridisch kader
Nu de rechtbank de vader zal belasten met het eenhoofdig gezag, zal de rechtbank hierna daar waar van toepassing de term omgang gebruiken.
Op grond van artikel 1:377e lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt, als de kinderen niet onder toezicht gesteld worden, om een regeling waarbij de kinderen, al dan niet met een opbouwregeling, om de veertien dagen één weekend van vrijdag tot zondag en de vakanties bij helfte bij haar verblijven. Op de zitting heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat de moeder begrijpt dat dit verzoek niet volledig kan worden toegewezen. Zij zet echter hoog in, in de hoop dat er op deze manier contactherstel tussen de moeder en de kinderen tot stand komt. Het is aan de rechtbank om hierin een afweging te maken.
De vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij te allen tijde het contact van de kinderen met de moeder heeft aangemoedigd en gestimuleerd. Op enig moment hebben de kinderen aangegeven dat zij zich dusdanig gepusht voelden terwijl ze niet naar de moeder wilden, dat ze het vertrouwen in hem aan het verliezen waren. Daar heeft de vader de grens getrokken in het stimuleren. Als de kinderen contact willen met hun moeder dan zal de vader dat ondersteunen. De kinderen weten wie hun moeder is en ze hebben een leeftijd waarop ze hierin zelfstandig een keuze kunnen maken. Voor contactherstel en het opstarten van de zorgregeling is al veel hulpverlening ingezet, zonder resultaat. De kinderen verzetten zich steeds. Gelet op de leeftijd van de kinderen moet er rekening worden gehouden met hun mening.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er zijn meerdere procedures gevoerd en verschillende hulpverleningstrajecten opgestart. Het laatste traject, begeleide omgang via ’t Zorghuisje, is vastgelopen omdat de weerstand bij de kinderen te groot was. ‘t Zorghuisje heeft geconcludeerd dat herstel van het contact een beladen thema is en dat verdere stappen in het tempo van de kinderen moeten gebeuren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de kinderen consequent zijn in hun verhalen. Hun ervaringen zijn heftig. De rechtbank constateert dat dit voor de moeder moeilijk is om te horen. Zij herkent de door de kinderen aangehaalde ervaringen niet en kan dit ook niet begrijpen. Zoals ook eerder door de bijzondere curator opgemerkt, is voor een mogelijk contactherstel nodig dat de kinderen zich gezien en gehoord voelen. Zij hebben het nodig om serieus genomen te worden. Dit is voor de moeder (op dit moment) niet haalbaar. De rechtbank ziet, evenals in eerdere procedures, geen draagvlak bij de kinderen en partijen om een omgangsregeling te bepalen. Het verzoek van de moeder zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Informatieregeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:377b, lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen. Over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt een informatieregeling, waarbij de vader de moeder eens per vier weken moet informeren over de kinderen. De vader kan zich hierin vinden, maar wil mede gelet op de leeftijd van de kinderen ééns per kwartaal de moeder informeren.
De rechtbank acht het gelet de leeftijd op de kinderen niet nodig dat de vader de moeder elke vier weken op de hoogte houdt. De rechtbank gaat mee in de voorgestelde frequentie door de vader en stelt vast dat de vader de moeder eens per kwartaal informeert over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarigen met toezending van een recente foto van de minderjarigen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ;
bepaalt een informatieregeling waarbij de vader de moeder eens per kwartaal moet informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de kinderen met toezending van een recente foto van de kinderen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.