Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17803

Rechtbank

Rotterdam

Datum

26 May 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49878
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.49879), op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en H. Ahmad als tolk. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Totstandkoming van het besluit

Het asielrelaas

1. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 2] . Hij behoort tot de Jezidi bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser komt uit [locatie] in de regio [regio] . Op 3 augustus 2014 heeft de Islamitische Staat (IS) een aanval gepleegd op de Jezidi gemeenschap. Eiser is toen vanuit zijn woonplaats de [locatie] berg op gevlucht. Eiser is vervolgens naar Syrië en de Koerdische Autonome Regio (KAR) gevlucht. Hier heeft eiser een jaar verbleven. Eiser is toen teruggekeerd naar [locatie] . De leefomstandigheden in [locatie] zijn enorm verslechterd en voorzieningen en huizen zijn verwoest. Er is sprake van geweld en bombardementen door verschillende strijdende groeperingen. Eisers moeder is door het ontbreken van ziekenhuizen en medische zorg overleden. Eiser is ook door een gewapende groepering benaderd om te vechten, maar eiser heeft dit geweigerd. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser gedood te worden door IS of door geweld van andere strijdende partijen. Daarnaast vreest eiser vanwege zijn geloof en afkomst te worden gediscrimineerd.

Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

Iraaks identiteitsbewijs

Iraaks nationaliteitsbewijs

Het bestreden besluit

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst

Problemen vanwege Jezidi etniciteit

2.1.. Verweerder acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Verweerder legt aan dit standpunt ten grondslag dat het door eiser overgelegde identiteitsbewijs door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is bevonden en dat het nationaliteitsbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen. Verder heeft eiser zijn Griekse verblijfsvergunning niet overgelegd en heeft hij in Griekenland verklaard dat hij op [geboortedatum 2] is geboren. Verweerder acht verder geloofwaardig dat eiser problemen heeft gehad vanwege zijn Jezidi etniciteit en laat eisers verklaring dat hij is gerekruteerd door een gewapende groepering in het midden.

2.2.. Eisers nationaliteit en herkomst en zijn problemen vanwege zijn Jezidi etniciteit leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw omdat eiser valse informatie en documenten heeft verstrekt. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit.

Beoordeling door de rechtbank

Internationale bescherming in Griekenland

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn Griekse asieldossier ten onrechte niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

3.1.. Eiser heeft in 2022 internationale bescherming gekregen in Griekenland. Op 9 maart 2023 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag inhoudelijk beoordeeld. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) volgt dat verweerder in een dergelijk geval, voorafgaand aan het nemen van het besluit, contact moet opnemen met de Griekse autoriteiten. Dit om informatie uit te wisselen over het verzoek van betrokkene om internationale bescherming, haar standpunt daarover en de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus. Met deze informatie moet verweerder de asielaanvraag opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken onderzoeken aan de hand van de in de Procedurerichtlijn en Kwalificatierichtlijn neergelegde criteria. Verweerder dient hierbij ten volle en kenbaar rekening te houden met de door de Griekse autoriteiten verstrekte informatie waarover zij beschikt en die tot toekenning van de status heeft geleid. Verweerder is echter niet gebonden aan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus.

3.2.. Uit het dossier blijkt dat verweerder in het kader van zijn beoordeling het Griekse asieldossier heeft opgevraagd en dat dossier heeft laten vertalen, maar verweerder heeft dit op geen enkele manier betrokken in de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt.

Leeftijd

4. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van [geboortedatum 2] als zijn geboortedatum. Eiser heeft namelijk documenten overgelegd waarop staat dat hij op [geboortedatum 2] is geboren. Deze documenten zijn echt bevonden. Daarnaast heeft eiser uitgelegd waarom hij geen Grieks document meer heeft en waarom hij in Griekenland een andere geboortedatum heeft doorgegeven. Dit betekent volgens eiser ook dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.

4.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086), volgt dat verweerder niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat. Wel mag verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.

4.2.. Verweerder heeft nader onderzoek verricht naar de leeftijd van eiser door navraag te doen bij de Griekse autoriteiten. Hieruit is gebleken dat eiser in Griekenland is geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum 2] . Verder blijkt uit de reactie van de Griekse autoriteiten dat deze registratie is gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser. Dat betekent dat aan de registratie op zichzelf geen doorslaggevend gewicht mag worden toegekend. Verweerder wijst er in dit kader op dat het door eiser in eerste instantie overgelegde identiteitsbewijs Bureau Documenten is onderzocht en dat hieruit is gebleken dat het identiteitsbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is bevonden en dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Het nationaliteitsbewijs dat eiser in eerste instantie heeft overgelegd is door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt bevonden, maar uit het rapport van Bureau Documenten blijkt ook dat deze hoogstwaarschijnlijk frauduleus is verkregen. Verweerder hecht dan ook niet ten onrechte geen waarde aan deze documenten.

4.3.. De rechtbank stelt verder vast dat eiser nogmaals een identiteitskaart en nationaliteitsbewijs heeft overgelegd. Deze zijn door Bureau Documenten echt bevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom eiser met deze documenten niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is. Dat, zoals verweerder stelt, een nationaliteitsbewijs niet kan worden gezien als identificerend document zoals bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Eiser heeft namelijk ook een echt bevonden identiteitsbewijs overgelegd. Verweerder heeft onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom er aan dit identiteitsbewijs geen waarde wordt gehecht. De beroepsgrond slaagt dus.

Vrees voor vervolging / reëel risico op ernstige schade vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep

5. Eiser voert verder aan dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op vervolging en/of ernstige schade. De situatie van Jezidi’s in Irak is volgens eiser namelijk onhoudbaar. Daarnaast stelt eiser dat hij individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging en/of ernstige schade. Eiser verwijst hierbij ook naar het risico om door een gewapende militie te worden gerekruteerd vanwege zijn leeftijd en de omstandigheid dat hij eerder is gerekruteerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 31 juli 2025 over de positie van Jezidi’s in Irak (de brief van VWN) en het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023 (ambtsbericht).

5.1.. Eiser komt uit de regio [locatie] . De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd of Jezidi’s in [locatie] niet op structurele wijze in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan (risicoprofiel zoals bedoeld in paragraaf C2/2.4. van de Vc).

5.2.. Uit het beleidvan verweerder volgt dat Jezidi’s niet worden aangemerkt als risicogroep of risicoprofiel (voorheen kwetsbare minderheidsgroep). Dit betekent dat verweerder er vanuit gaat dat Jezidi’s niet structureel in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten of derden en dat Jezidi’s vanwege hun geloof niet per definitie het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade (zie paragraaf C2/2.4. van de Vc). In het bestreden besluit stelt verweerder zich hierover op het standpunt dat uit het ambtsbericht niet volgt dat Jezidi’s op grote schaal te maken krijgen met ernstige beperkingen in het uiten en belijden van hun geloof of dat zij bij terugkeer in algemene zin en op grote schaal te vrezen hebben voor vervolging of ernstige schade vanwege hun religie. Verweerder verwijst hierbij op de initiatieven van de autoriteiten om Jezidi’s te laten terugkeren naar [locatie] en de herstelbetalingen aan ISIS-slachtoffers. De situatie voor Jezidi’s is volgens verweerder daarom niet dusdanig ernstig dat alle Jezidi’s in Irak gevaar lopen. Over de door eiser overgelegde brief van VWN stelt verweerder zich op het standpunt dat hieruit blijkt dat er zorgen zijn over Jezidi’s in Irak maar dat hieruit niet volgt dat Jezidi’s worden vervolgd. Verweerder ziet geen aanleiding om op elk rapport dat is opgenomen in de brief van VWN in te gaan omdat deze de algemene situatie beschrijft en niet eisers persoonlijke situatie. Eiser heeft volgens verweerder ook niet op individuele gronden aannemelijk gemaakt dat hij vreest voor vervolging vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap. Verweerder verwijst hierbij op de omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat hem na de aanval van IS in 2014 persoonlijk niets meer is overkomen (p. 16 nader gehoor), dat eiser pas zeven jaar na de aanval is vertrokken en dat eiser in Irak naar school is geweest, heeft gewerkt en toegang had tot zorg. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de geloofwaardig bevonden discriminatie vanwege het Jezidi zijn zo ernstig was dat eiser hierdoor bij terugkeer wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden en dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Verweerder wijst hierbij op eisers verklaringen waaruit volgt dat hij toegang had tot onderwijs, zorg en werk.

5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank kan het hiervoor weergegeven standpunt geen stand houden. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie blijkt dat de situatie voor Jezidi’s zowel in de regio [locatie] als in geheel Irak precair is. Zo blijkt uit het algemeen ambtsbericht dat Jezidi’s in geheel Irak dagelijks forse discriminatie en sociale uitsluiting ondervinden (o.a. p. 54 en 68). Dit wordt bevestigd door de brief van VWN waaruit volgt dat Jezidi’s worden geconfronteerd met systematische discriminatie en stigmatisering, waardoor de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs (naar verluidt) wordt vermoeilijkt. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie volgt verder dat de veiligheidssituatie voor Jezidi’s in [locatie] precair is. Zo volgt uit de International Protections Considerations van de UNHCR van januari 2024, waar in de brief van VWN naar wordt verwezen, dat verschillende actoren met elkaar strijden om controle waardoor de veiligheidssituatie complex en fragiel is (p. 27). Het rapport van de EUAA, Country Guidance: Iraq, van november 2024 bevestigt dat er sprake is van een fragiele veiligheidssituatie (p. 40). Verder geldt dat uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat de humanitaire situatie voor Jezidi’s in [locatie] ernstig is. Uit een rapport van het Duitse Federal Office for Migration and Refugees van 23 april 2025, waar in de brief van VWN naar wordt verwezen, volgt bijvoorbeeld dat de bevoorradings- en veiligheidssituatie in Nineva (waar [locatie] ligt), problematisch is. Uit het ambtsbericht volgt verder dat de infrastructuur en huizen in steden en dorpen in [locatie] veelal verwoest zijn en dat bewoners beperkt toegang hebben tot stromend water, elektriciteit, gezondheidszorg en onderwijs (p. 67).

5.4.. Kort samengevat volgt dus uit deze informatie dat er sprake is van wijdverbreide discriminatie jegens Jezidi’s, dat de leefomstandigheden voor Jezidi’s in [locatie] slecht zijn, en dat de veiligheidssituatie en humanitaire situatie precair zijn. Gelet hierop en nu verweerder in het bestreden besluit niet op de door eiser overgelegde landeninformatie heeft gereageerd, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dat, zoals verweerder stelt, eiser niet op individuele gronden aannemelijk heeft gemaakt dat hij vreest voor vervolging doet daar niet aan af. Dit ontslaat verweerder namelijk niet van zijn verplichting om een besluit voldoende zorgvuldig te motiveren en om te reageren op de door eiser (onder andere) in de zienswijze aangehaalde landeninformatie, temeer nu de brief van VWN dateert van na het beleid van verweerder. Verweerder heeft niet uitgelegd waarom er ondanks de zorgwekkende landeninformatie, niet vanuit wordt gegaan dat Jezidi’s in Irak, dan wel in de [locatie] regio, op structurele wijze in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan (risicoprofiel). Het bestreden besluit is ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

Terugkeerbesluit

6. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat het terugkeerbesluit geen stand kan houden omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn Griekse verblijfsstatus.

6.1.. Uit het bovenstaande volgt dat de afwijzing van eisers asielaanvraag geen stand kan houden. Dit volgt dus ook voor het terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt verder dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Verweerder is in zo’n geval gehouden om de Griekse autoriteiten op de hoogte te stellen van de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus. Pas als de Griekse autoriteiten hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken, kan verweerder een terugkeerbesluit opleggen. Ook om deze reden kan het terugkeerbesluit geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gelet op de hiervoor genoemde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Evenmin kan de rechtbank zelf in de zaak voorzien. Het is aan verweerder om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw een beslissing te nemen op eisers asielaanvraag. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2025;

draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

In deze brief wordt verwezen naar landeninformatie, waaronder rapporten van EUAA, Yale University, Freedom House en UNHCR.

Zie o.a. paragraaf C7/16 van de Vc en de Kamerbrief over landenbeleid Irak van 27 mei 2024 (kenmerk 5002295).

Vergelijk met de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865 en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936).

Meer Beslissingen