ECLI:NL:RBDHA:2026:17809
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Zwolle
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34635
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
gemachtigde: mr. E.J.P. Cats,
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 15 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 25 juni 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Palestijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 juni 2026 in de zaak NL26.27593 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek 28 mei 2026.
4. Eiser stelt dat bewaring niet langer nodig is en dat kan worden volstaan met een meldplicht, nu eiser bereid is mee te werken aan de overdracht van 30 juni 2026. De bewaring valt eiser erg zwaar.
5. In de maatregel heeft de minister uitgebreid overwogen waarom gelet op de gronden en motiveringen een lichter middel niet is aangewezen. Door eiser is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van zijn vertrek kan volstaan. In het vertrekgesprek van 21 mei 2026 blijkt dat eiser niet wilde meewerken aan zijn overdracht. De rechtbank verwijst ook naar wat in de uitspraak in zaaknummer NL26.27593 is overwogen ten aanzien van een lichter middel. Dat eiser op 22 juni 2026 het beroep tegen het overdrachtsbesluit en het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingetrokken, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, onvoldoende om aan te nemen dat nu wel met een lichter middel kan worden volstaan. Weliswaar geeft eiser aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring hem zwaar valt maar de overdracht aan Duitsland staat gepland op 30 juni 2026 en de bewaring zal dan ook niet lang meer duren. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel
van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:EU:C:2022:858.