ECLI:NL:RBDHA:2026:17916
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.22382
V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1950, van Syrische nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. C.C. Smit),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het EVRM.
1.1.. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 2 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.. Voorafgaand aan de zitting op 18 december 2025 heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier afzonderlijke kindgesprekken gehouden met [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] , vier van de vijf kleinkinderen van eiseres.De verslagen zijn aan het digitale dossier toegevoegd. Wat de kleinkinderen tijdens de kindgesprekken hebben verteld, zal de rechtbank voor zover relevant bij haar beoordeling betrekken.
1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [referent] (referent), zijn echtgenote en hun jongste dochter [persoon 5] , Z. Hmawandi als tolk in de taal Arabisch (Syrisch-Libanees) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiseres heeft
aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft. Aan het einde van de uitspraak heeft de rechtbank een brief gevoegd voor [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] waarin de uitspraak en de gevolgen van deze uitspraak in kindvriendelijke taal worden uitgelegd.
Waar deze zaak over gaat
4. Eiseres is 75 jaar oud en afkomstig uit Syrië. Eiseres heeft één zoon, referent, en twee dochters. De echtgenoot van eiseres is overleden. Referent heeft op 1 december 2015 in Nederland een verblijfsvergunning asiel gekregen. Uit zijn huwelijk met [persoon 6] zijn vijf kinderen geboren: [persoon 1] (2010), [persoon 2] (2011), [persoon 3] (2013), [persoon 4] (2017) en [persoon 5] (2018). Het gezin is vanwege de oorlog in 2015 uit Syrië vertrokken en verbleef daarna in het vluchtelingenkamp [plaats] in Jordanië bij de grens met Syrië.
4.1.. Referent heeft op 27 januari 2016 een aanvraag gedaan om zijn ouders, echtgenote en (destijds drie) kinderen te laten nareizen. De aanvraag is op 14 augustus 2017 buiten behandeling gesteld omdat geen leges waren betaald voor wat betreft de ouders van referent, en afgewezen voor de echtgenote en kinderen omdat referent zich weer in Jordanië bevond.
4.2.. Op 1 november 2018 heeft referent opnieuw een aanvraag ingediend voor gezinshereniging in het kader van nareis. Op 30 april 2019 heeft de minister deze aanvraag afgewezen omdat wat betreft de echtgenote en drie oudste kinderen geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. De minister heeft in een apart besluit de nareisaanvraag voor de twee jongste kinderen en eiseres afgewezen. De twee jongste kinderen waren destijds nog niet geboren en vallen daarom niet binnen de nareistermijn. Eiseres viel niet binnen de categorie van nareizigers zoals bepaald in artikel 29, tweede lid, van de Vw. Beide afwijzingen zijn gehandhaafd met de besluiten van 20 mei 2020.
4.3.. Bij besluit van 17 juni 2021 zijn de nareisaanvragen voor de echtgenote van referent en de drie oudste kinderen ingewilligd. Op 22 juni 2021 heeft referent verzocht om gezinshereniging met zijn twee jongste kinderen. Deze aanvraag is ingewilligd.
4.4.. Op 5 juli 2021 heeft eiseres een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven bij referent, zijn echtgenote en de vijf kleinkinderen. Eiseres bevindt zich op dit moment weer in Syrië.
Besluitvorming
5. De minister heeft de aanvraag met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens de minister is er geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres, referent en zijn echtgenote. Dit kan volgens de minister niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat het gezin altijd samen heeft gewoond. Eiseres, referent en zijn echtgenote wonen immers sinds 2015 niet meer samen. Ondanks dat eiseres hulpbehoevend is, is niet gebleken dat zij specifiek afhankelijk is van referent en heeft zij toegang tot medische zorg. Ook zijn er nog twee zussen van referent in Syrië, en is volgens de minister niet aannemelijk waarom zij niet voor eiseres zouden kunnen zorgen. Verder weegt de minister mee dat ten tijde van het vertrek van referent uit Syrië er nog geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Daarnaast vormt de omstandigheid dat de echtgenote van eiseres eerder naar Syrië is vertrokken en ervoor koos niet bij eiseres te verblijven voor de minister een belangrijke indicatie dat eiseres zich zonder zijn zorg staande kon houden. Eiseres weet zich de afgelopen jaren, met enige hulp van familie en kennissen staande te houden. Verder heeft eiseres geen bewijs overgelegd van de gestelde financiële ondersteuning en zou deze ook op afstand kunnen worden verleend, dan wel voortgezet. De verklaringen over de goede band tussen eiseres, referent en echtgenote trekt de minister niet in twijfel, maar wordt niet meer dan gebruikelijk geacht. De minister concludeert daarom dat er geen zodanige emotionele afhankelijkheid is dat eiseres zonder de fysieke nabijheid van referent of zijn echtgenote niet kan functioneren. Allerlaatst betrekt de minister dat eiseres sterke banden heeft met Syrië, maar niet met Nederland.
5.1.. Volgens de minister is er ook geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en de kleinkinderen. Niet is gebleken dat eiseres de ouderlijke zorg (deels) voor de kleinkinderen op zich heeft moeten nemen, omdat referent of zijn echtgenote niet in beeld waren. Ook is niet gebleken dat de rol van eiseres bij de zorg van de kleinkinderen de gebruikelijke omgang tussen grootouder en kleinkinderen heeft overstegen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Uit rechtspraak van het EHRMvolgt dat bij relaties tussen meerderjarige
familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM sprake moet zijn van ‘more than the normal emotional ties’
(meer dan gebruikelijke emotionele banden). Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt hetEHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van
afhankelijkheid).Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning,
de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de
banden met het land van herkomst. De rechtbank dient – evenals het EHRM doet en
conform de jurisprudentie van het EHRM – het standpunt van de minister of er sprake is van
familieleven tussen volwassenen vol te toetsen.
6.1.. De rechtbank is vol toetsend van oordeel dat tussen eiseres en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal dat in de hierna volgende overwegingen toelichten.
6.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat referent zijn gehele leven met zijn moeder heeft samengewoond. Evenmin is in geschil dat slechts sprake is geweest van een korte onderbreking van die samenwoning, toen referent vanuit Syrië naar Jordanië is gevlucht en zijn ouders zich kort daarna bij het gezin in het vluchtelingenkamp hebben gevoegd. De stelling van de minister in het verweerschrift dat samenwoning op zichzelf geen afhankelijkheid impliceert, omdat het gezin sinds 2015 niet meer zou hebben samengewoond, doet geen recht aan de aangevoerde feiten en omstandigheden en miskent hetgeen door eiseres en referent naar voren is gebracht. Daarbij heeft de minister ten onrechte niet kenbaar betrokken dat referent het gezin in 2015 onvrijwillig heeft verlaten in het kader van een vluchtsituatie en dat hij tijdens zijn nareisprocedure nog is teruggekeerd om bij het gezin te zijn. Verder heeft de minister niet betwist dat het gezin, waartoe ook eiseres behoort, nadien bijeen is gebleven en dat de echtgenote van referent in het kader van de nareisprocedure langer bij eiseres is gebleven om voor haar te zorgen. Daarnaast acht de rechtbank van belang onder welke omstandigheden sprake was van samenwoning. Na de vlucht naar Jordanië verbleef het gezin in één tent en sliep het in één ruimte. De rechtbank acht dit geen gewone samenwoning. Anders dan in het verweerschrift is gesteld, heeft de minister nagelaten alle door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden kenbaar bij de besluitvorming te betrekken, waaronder de bijzondere omstandigheden van de gezinssituatie.
6.3.. De minister heeft voorts nagelaten de samenwoning van het gezin in samenhang te bekijken met de medische hulpbehoevendheid van eiseres. Uit de ingebrachte stukken volgt dat eiseres lijdt aan een chronische ontsteking in het binnenoor, en aan chronische duizeligheid en onbalans, waarvoor zij permanente begeleiding nodig heeft om een plotselinge val als gevolg van het evenwichtsverlies te voorkomen. Tijdens de hoorzitting is naar voren gebracht dat referent en zijn echtgenote samen de zorg voor eiseres droegen, en dat de echtgenote langer is gebleven in Jordanië om voor eiseres te kunnen zorgen, haar bloeddruk te meten en medicijnen te geven. In dit verband heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting terecht gewezen op overweging 49 van het arrest Martinez Alvarado, waaruit volgt dat het gewicht dat de minister mag toekennen aan de aanwezigheid van andere alternatieven die zorg aan eiseres kunnen bieden, relatief is en afhangt van de andere feiten en specifieke omstandigheden van het geval. Tijdens de hoorzitting is verklaard dat omdat eiseres niet voldoende zorg in Jordanië kreeg, zij daarom naar Syrië is vertrokken, en sindsdien bij verschillende gezinnen verblijft. Dit betreffen steeds tijdelijke oplossingen. In beroep heeft eiseres een verklaring overgelegd van de kennis bij wie zij nu verblijft, waarin deze kennis verklaart alleen tijdelijke hulp te verstrekken. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking wat door referent over zijn zussen op de zitting is verklaard. De jongste zus is tijdens detentie gescheiden geraakt, waarna de relatie met de familie is vertroebeld. Zij woont alleen in Damascus en er is nauwelijks nog contact met eiseres. Met de oudste zus is helemaal geen contact meer. Zij is gehuwd en teruggekeerd naar een gebied dat volledig is verwoest, en verblijft sindsdien op verschillende locaties. Gekeken naar alle omstandigheden van het geval, heeft de minister daarom niet van grote betekenis mogen achten dat eiseres zich op dit moment staande weet te houden met de hulp van kennissen.
6.4.. Wat betreft de financiële ondersteuning, heeft de minister eiseres tegengeworpen dat deze ondersteuning niet met objectieve stukken is onderbouwd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan de verklaringen hierover te twijfelen. Referent heeft van meet af aan consistent verklaard dat hij de enige is die financieel in het onderhoud van eiseres voorziet. Daarbij heeft hij toegelicht dat hij gebruik maakt van het (informele) Hawala-banksysteem, waardoor hij geen schriftelijke bewijzen van de geldtransacties kan overleggen. Verder is op de zitting toegelicht dat eiseres geen eigen inkomsten heeft. De rechtbank heeft geen redenen om hieraan te twijfelen. Gelet op de consistente verklaringen van referent, het ontbreken van eigen inkomen aan de zijde van eiseres en de toelichting dat referent maandelijks geld aan eiseres overmaakt, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat sprake is van financiële ondersteuning.
6.5..
De minister heeft op de zitting erkend dat sprake is van sterke banden tussen eiseres
en referent, maar beschouwt deze als niet meer dan gebruikelijk. De rechtbank volgt dat
niet. De rechtbank stelt hierbij allereerst vast dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. In het bestreden besluit staat dat er geen zodanige emotionele afhankelijkheid is dat eiseres zonder de fysieke nabijheid van referent of zijn echtgenote niet kan functioneren, terwijl dit vereiste niet geldt.De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een zeer sterke verwevenheid van de levens van eiseres, referent en zijn echtgenote, en dat dit heeft geleid tot een meer dan gebruikelijke emotionele band. Hierbij had de minister ook weer de samenwoning en de hele vluchtsituatie moeten betrekken. De rechtbank acht het voorstelbaar dat gelet op de hele context in het gezin waartoe ook eiseres behoort waarbij altijd is samengewoond, het gezin is gevlucht en daarna op één kamer heeft geleefd, een sterke mate van emotionele afhankelijkheid bestaat. Ook het feit dat referent en zijn echtgenote de zorg voor eiseres op zich namen, duidt op een sterke emotionele band. De stelling van gemachtigde van de minister op zitting dat uit het feit dat eiseres op enig moment, in het geheim, vanuit Jordanië naar Syrië is gegaan zonder dit referent te vertellen, juist duidt op het ontbreken van een emotionele afhankelijkheid, volgt de rechtbank niet. Dit betreft een aanname, en met de gegeven toelichting van referent op zitting dat eiseres het gezin niet onnodig ongerust wilde maken, wijst dit juist op een sterke band.
6.6.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte veel gewicht heeft toegekend aan de banden van eiseres met Syrië. Logischerwijs zijn de banden van eiseres sterker met Syrië, maar de minister heeft onvoldoende betrokken in welke situatie eiseres zich daar bevindt. Hierover is door eiseres terecht aangevoerd dat niet is meegenomen dat zij nu in een gebied verblijft waar zij niet vandaan komt en waar zij bijna niemand kent; evenmin is meegenomen dat er in Syrië niemand is die haar structurele opvang en zorg kan bieden.
6.7..
De minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende
elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het
geval betrekt. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, maakt duidelijk dat de
minister dat in het onderhavige geval onvoldoende gedaan heeft. Daarnaast heeft de minister
nagelaten alle elementen in samenhang te bekijken en te beoordelen. Voor de rechtbank is
niet inzichtelijk welke waarde de minister aan elk element heeft gehecht om vervolgens tot
de weging te komen dat de lat van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie niet
wordt gehaald.
6.8.. De rechtbank concludeert dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Gelet op de samenwoning, de financiële afhankelijkheid, de medische afhankelijkheid en de hechte emotionele banden die daaruit voortvloeien, allemaal in onderlinge samenhang bezien, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en dus beschermenswaardig familieleven tussen referent en eiseres.
Hechte persoonlijke banden
7. De rechtbank overweegt dat de minister conform de jurisprudentie van het EHRM
tussen een minderjarig kind en zijn grootouder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel
8 van het EVRM aanneemt als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk
sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit is een kwestie van feitelijke aard. Hierbij moet
de minister alle relevante individuele aspecten betrekken. Omstandigheden die hierop
kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig
contact, of als betrokkenen hebben samengewoond.
7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat tussen eiseres en haar kleinkinderen geen sprake is van hechte persoonlijke banden. In de besluitvorming is niet meegenomen dat alle kinderen zijn geboren binnen het gezin waarvan eiseres deel uitmaakte, dat zij met eiseres hebben samengeleefd tot aan hun vertrek, in haar dagelijkse aanwezigheid zijn opgegroeid en dat eiseres zeer nauw betrokken was bij hun opvoeding, temeer na het vertrek van referent naar Nederland. Verder zijn de verklaringen over de sterke emotionele gehechtheid van de kinderen aan eiseres niet kenbaar betrokken. Tijdens de hoorzitting is onder meer verklaard dat de kinderen eiseres als hun moeder beschouwen, dat zij met elkaar en met eiseres in één tent leefden, dat de kinderen bij hun oma sliepen en dat eiseres, behalve borstvoeding, alle zorgtaken op zich nam. Toen eiseres ziek werd, gingen de oudere kinderen haar verzorgen. Door de echtgenote van referent is tijdens de hoorzitting ook verklaard dat de kinderen meer van hun oma houden dan van hun moeder, dat de kinderen niet weg wilden uit Syrië en bij eiseres wilden blijven. En voorts dat de kinderen tot op heden bepaalde feestdagen, zoals verjaardagen, niet vieren vanwege het gemis van eiseres en dat de kinderen nergens meer van kunnen genieten omdat hun oma er niet is. Deze verklaringen worden onderstreept door hetgeen de kleinkinderen aan de rechtbank hebben verteld tijdens de kindgesprekken. Zo verklaarden de kleinkinderen dat zij ruzie maakten om wie naast oma mocht slapen. Ook is verklaard dat indien zij op de hoogte waren geweest van een negatieve beslissing, zij niet zonder eiseres zouden zijn vertrokken. Gelet op de samenwoning sinds de geboorte, de zeer emotionele gehechtheid die uit voorgaande verklaringen blijkt, en de rol die eiseres heeft gespeeld in de opvoeding en verzorging van de kleinkinderen, komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van hechte persoonlijke banden.
8. De rechtbank merkt samenvattend op dat, gelet op de samenwoning van het hele gezin, de hechte onderlinge banden, en de uiteindelijke onvrijwillige scheiding, het tegen deze achtergrond voor de rechtbank duidelijk is dat eiseres als het ware altijd deel uit heeft gemaakt van het kerngezin. De minister heeft ten onrechte geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar minderjarige kleinkinderen.
Conclusie en gevolgen
9. Uit wat hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het
zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank
vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het
besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal een nieuw besluit
moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat tussen eiseres en referent en tussen eiseres en
haar minderjarige kleinkinderen sprake is van familieleven als bedoeld
in artikel 8 van het EVRM moet de minister een belangenafweging verrichten met
inachtneming van deze uitspraak. Hierbij moet de minister het belang van de minderjarige kinderen voorop stellen, daaraan zwaar gewicht toe kennen en, eventueel via de Raad van de Kinderbescherming onderzoeken. Met andere woorden, de minister moet actief de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de kinderen onderzoeken en betrekken bij het nieuw te nemen besluit. Artikel 3 van het IVRKen artikel 24 van het Handvestverplichten de minister daartoe. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
11. De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen gezien de lange duur van de procedure en het belang van de minderjarige kinderen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awbdat de minister een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
12. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over het hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger
beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten
waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen
van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de
Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van
toepassing.
Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 2] , [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 4]
Beste [persoon 2] , [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 4] ,
Op 18 december 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank.
[persoon 2] , jij hebt mij verteld dat je het liefste wilt dat je samen bent met je oma, omdat jullie bij elkaar horen. Als je bij haar bent, heb je een mooi gevoel. Ook heb je mij verteld dat zij als een andere moeder voor je was.
[persoon 1] , jij hebt mij verteld dat voor jou het belangrijkste is dat jouw oma naar Nederland komt. Oma is zoals een moeder voor jou. Jij voelt je veilig bij oma.
[persoon 3] , jij hebt mij verteld dat je wilt dat jouw oma naar Nederland komt. Zij is alles voor jou. Jij zorgt voor haar en houdt van haar.
En [persoon 4] , jij hebt mij verteld dat je graag wilt dat jouw oma naar Nederland komt. Je maakt je zorgen om haar, omdat ze niet goed voor zichzelf kan zorgen. Jij vindt oma lief en wilt graag weer bij haar slapen.
Aan het eind van elk gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jullie zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik jullie nu deze brief.
Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar waren jullie ouders en jongste zusje [persoon 5] ook bij. Ik heb toen gepraat met jullie oma, jullie moeder en haar advocaat. Ik heb ook gepraat met de mevrouw die namens de minister voor Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.
Ik heb besloten dat de minister beter naar de situatie van jullie oma moet kijken. Dit betekent dat de minister beter moet kijken naar de zorg die jullie oma nodig heeft, maar ook de band die zij heeft met jullie en jullie ouders. De minister moet daarom nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.
Mijn beslissing betekent niet dat jullie oma definitief naar Nederland mag komen. De minister moet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Ik heb de minister daarvoor een termijn van acht weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen.
Als jullie familie of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen
vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister een nieuw besluit nemen.
Ik vind het heel goed van jullie dat jullie bij mij langs zijn gekomen om mij te vertellen wat jullie ervan vinden. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen.
Groetjes,
De rechter.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De rechtbank hoort in beginsel alleen kinderen boven de acht jaar en heeft daarom de jongste kleindochter, [persoon 5] , niet gehoord.
Vreemdelingenwet 2000.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna:
de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2024,
ECLI:NL:RBDHA:2025:9087 en 23 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5387.
Arrest van het EHRM van 10 maart 2025, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5692.
Zie par. 108 van Kruškić tegen Kroatië, arrest van 25 november 2014,
ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.
Verdrag inzake de rechten van het kind.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Algemene wet bestuursrecht.