ECLI:NL:RBDHA:2026:18024
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.28251 en NL26.28256uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker
[verzoekster], v-nummer: [nummer 2], verzoekster
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
1. Verzoekers hebben een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 3 februari 2026 afgewezen.
1.1.. Verzoekers hebben op 9 februari 2026 tegen de afwijzing van de aanvraag bezwaar gemaakt.
1.2.. Verzoekers hebben op 19 mei 2026 de voorzieningenrechter verzocht om hangende dit bezwaar een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om hen gedurende de behandeling van de bezwaarprocedure te behandelen als ware zij in bezit van een visum kort verblijf. Verzoeker wil graag met verzoekster (zijn dochter) naar Nederland reizen om hier te verblijven bij hun vrouw/moeder die met drie minderjarige kinderen in Nederland woont.
1.3.. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist.Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.
Hebben verzoekers een spoedeisend belang?
3. Uit de door verzoekers overgelegde vluchtgegevens blijkt dat op 10 juli 2026 een vlucht gepland staat voor verzoekers om naar Nederland te reizen. Omdat de beslissing op bezwaar niet te verwachten is vóór 10 juli 2026 is het spoedeisend belang gegeven.
Waarom is de aanvraag afgewezen?
4. De minister heeft de aanvraag van verzoekers afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond.Volgens de minister hebben verzoekers onvoldoende aannemelijke dan wel verifieerbare informatie weten te verschaffen omtrent het doel en de verblijfsomstandigheden. Hierdoor kan de minister niet vaststellen dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van een visum wordt voldaan en in het bijzonder onder welke omstandigheden het verblijf zal plaatsvinden.
Moeten verzoekers worden beschouwd als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf?
5. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter te bepalen dat zij worden beschouwd als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf of anderszins een voorziening te treffen die voor hen feitelijk de toegang tot Nederland mogelijk maakt. Verzoekers geven daarbij aan dat zij als gezin in Nederland willen verblijven. De reden daarvan is dat de in Nederland wonende minderjarige kinderen recht hebben op contact met hun vader. De huidige omstandigheden leiden ertoe dat dit contact enkel beperkt en op afstand kan plaatsvinden.
5.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van het verzoek om verzoekers te behandelen als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf feitelijk een voorlopig karakter ontbeert. Uit het systeem van de toepasselijke voorschriften volgt dat een vreemdeling in zijn land van herkomst een visum voor kort verblijf moet aanvragen, alvorens hij de Europese Unie (waaronder Nederland) kan inreizen. Indien de verzochte voorlopige voorziening wordt toegewezen, zullen verzoekers Nederland kunnen inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoekers met hun aanvraag hebben beoogd, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan onomkeerbaar. In zeer bijzondere omstandigheden kan niettemin aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister een aanvrager gedurende de bezwaarprocedure dient te beschouwen als ware hij in het bezit van een visum. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.
5.2.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het naar Nederland reizen door verzoekers om hier samen met verzoekers vrouw en verzoeksters moeder en de minderjarige kinderen te verblijven niet een zodanig bijzondere omstandigheid is dat het daardoor gerechtvaardigd is om een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen toe te wijzen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat niet is gebleken dat de wens van verzoekers om naar Nederland te komen is gebonden aan een specifieke datum of tijd. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekers altijd op afstand hebben gewoond van hun vrouw dan wel moeder en de minderjarige kinderen. De stelling van verzoekers dat het weigeren van toegang tot Nederland leidt tot verhindering van de feitelijke uitvoering van het gezinsleven volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Ook de stelling van verzoekers dat de minderjarige kinderen recht hebben op contact met hun vader volgt de voorzieningenrechter niet. Gebleken is dat dit contact, al dan niet op afstand, er is. De stelling van verzoeker dat het uitblijven van toelating van verzoekers tot Nederland leidt tot aantasting van de belangen van de in Nederland wonende minderjarige kinderen, is niet verder onderbouwd en volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.
5.3.. De voorzieningenrechter ziet ook verder geen grond voor het oordeel dat het weigeringsbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Verzoekers stellen hierover dat de minister niet inzichtelijk maakt waarom de door verzoekers overgelegde documenten onvoldoende het doel en omstandigheden van het voorgenomen aantoont. Ook als dat standpunt wordt gevolgd, is dat geen reden om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat een dergelijk motiveringsgebrek in het besluit op bezwaar kan worden hersteld. Verder stellen verzoekers hierover dat de minister in de besluitvorming de belangen en rechten van de in Nederland wonende minderjarige kinderen onvoldoende heeft gewogen en dat hij heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de gevolgen dat het weigeren van het visum heeft op de emotionele ontwikkeling, welzijn en familieleven van de minderjarige kinderen. Daarnaast zou de minister onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar het gezinslevenen zijn de arresten Chavez-Vilchezen K.A.niet kenbaar bij de beoordeling hebben betrokken. Verzoeker heeft daarmee echter niet onderbouwd dat en waarom de weigeringsgrond waarop de minister de visumaanvraag van verzoekers heeft afgewezen onjuist zouden zijn.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.
Op grond van artikel 32, sub a, onder ii, van de Visumcode.
In de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, zaaknummer C-82/16 (K.A.).