Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18166

Rechtbank

Amsterdam

Datum

2 July 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18025

V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2005 en van Dominicaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S.L. Soedamah),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. E. Konstapel).

Samenvatting

Eiser woont in de Dominicaanse Republiek. Hij wil graag op bezoek bij zijn tante, [referente] , in Nederland. Daarom heeft hij een visum voor kort verblijf aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, onder andere omdat hij twijfelt of eiser op tijd terug zal gaan naar de Dominicaanse Republiek. De rechtbank vindt dat de minister de afwijzing op bepaalde punten niet goed heeft gemotiveerd. Daar heeft eiser op dit moment alleen niets aan. Dat komt omdat de aanvraag ook is afgewezen omdat eiser niet voldoende middelen zou hebben om zijn verblijf in Nederland en de terugreis te kunnen betalen. Eiser heeft in beroep niet gezegd waarom dit niet zou kloppen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de minister hierin gelijk heeft. Het niet voldoen aan het zogenoemde middelenvereiste is namelijk genoeg om de aanvraag af te wijzen. De afwijzing van de aanvraag blijft dan ook in stand. Dit betekent niet dat eiser nooit op familiebezoek in Nederland zou kunnen komen. Eiser zou namelijk een nieuwe aanvraag kunnen indienen en in dat kader zou deze uitspraak misschien wat richting kunnen bieden.

Procesverloop

Met het primaire besluit van 5 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf afgewezen.

Met het bestreden besluit van 21 maart 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft via een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen. Eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook de gemachtigde van de minister is verschenen. Aan de kant van eiser is tot slot verschenen [referente] (referente) en R.A. Caicedo Larrea, als tolk in de Spaanse taal.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Beroep tegen het bestreden besluit

Achtergrond

2. Eiser heeft op 19 juni 2024 een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij referente in de periode 1 augustus 2024 tot en met 21 augustus 2024.

Besluitvorming

3. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en eiser niet heeft aangetoond dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om zowel de duur van het voorgenomen verblijf als de terugreis te kunnen betalen. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. Volgens de minister heeft eiser de sociale en economische binding met de Dominicaanse Republiek namelijk onvoldoende aangetoond. Eiser is 19 jaar, ongehuwd, heeft geen kinderen en draagt dus geen verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Ook is niet gebleken dat hij zorgdraagt voor directe familieleden of dat er zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen op hem rusten. Ten aanzien van de [opleiding] is onvoldoende gebleken dat eiser die opleiding daadwerkelijk volgt. Maar ook als dat wel zo is, dan is volgens de minister niet vast komen te staan dat eiser een dusdanige waarde hecht aan deze opleiding om op basis daarvan tijdig naar de Dominicaanse Republiek terug te keren. Er zijn immers geen stukken overgelegd die de studievoortgang van eiser kunnen aantonen. Bovendien is niet gebleken dat de opleiding architectuur niet ergens anders dan in de Dominicaanse Republiek kan worden voortgezet.

Juridisch kader

4. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a (onderdeel ii en iii) en b, van de Visumcode staat dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, en als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe.De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.

Vragenlijst

5. Eiser voert allereerst aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat de vragenlijst niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Eiser had uitstel van de termijn tot 22 november 2024 en heeft de vragenlijst op 19 november 2024 ingediend via Zivver, als één van de bijlagen bij het bezwaarschrift. Voor zover de minister deze niet heeft gedownload, kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen.

5.1.. De minister heeft zich (in het verweerschrift) op het standpunt gesteld dat de vragenlijst geen onderdeel uitmaakte van de bijlagen. De minister heeft deze dus niet ontvangen. Als moet worden aangenomen dat eiser wél de vragenlijst visumaanvraag had meegestuurd in bezwaar, dan is volgens de minister alsnog niet gebleken dat het aangevoerde had kunnen leiden tot een ander standpunt. De vragenlijst dient immers alsnog onderbouwd te worden met objectieve stukken. Uit de overgelegde stukken werd voor de minister direct duidelijk dat het visum niet verstrekt kon worden. Een ingevulde vragenlijst had dan ook niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

5.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vragenlijst als bijlage bij het bezwaar (via Zivver) op 19 november 2024 aan de minister is gestuurd. Bijlage 4 bij het beroepschrift betreft namelijk een printscreen van Zivver en daarop is te zien dat er op 19 november 2024 een document is verstuurd met als titel 3.2 – Vragenlijst visumaanvraag’ maar dat deze kennelijk niet is gedownload door de Directie Juridische Zaken van de minister. De minister heeft eiser daarom ten onrechte tegengeworpen dat de vragenlijst niet op tijd is ontvangen.

Bijlage 4 bij het beroepschrift

5.3.. De rechtbank wenst verder op te merken dat ook in het geval dat eiser wel zou hebben nagelaten om de vragenlijst als bijlage toe te voegen – wat volgens de rechtbank dus niet het geval is – de minister vanuit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming eiser hierop had moeten wijzen. Uit het bezwaarschrift blijkt immers duidelijk dat eiser deze vragenlijst als bijlage wenste toe te voegen. De rechtbank volgt de minister wel in zijn standpunt dat een vragenlijst met objectieve documenten dient te worden onderbouwd, en de minister deze overige overgelegde documenten wel heeft beoordeeld. In zoverre is eiser dan ook niet in zijn belangen geschaad.

Doel en de omstandigheden van het verblijf

6. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond, omdat eiser de familieband met zijn tante niet zou hebben aangetoond. Uit de geboorteaktes van eiser, de vader van eiser en referente, blijkt dat referente de tante is van eiser.

6.1.. De beroepsgrond slaagt. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting desgevraagd geantwoord dat de in beroep overgelegde geboorteaktes als een onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt kunnen worden gezien en dus bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Uit deze geboorteaktes volgt dat referente de tante is van eiser. Hierop heeft de gemachtigde van de minister de afwijzingsgrond dat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zouden zijn aangetoond, laten vallen. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit punt geen standhoudt en vernietigt dient te worden.

Sociale en economische binding

7. Eiser voert verder aan dat hij wel degelijk een sterke sociale en economische binding met de Dominicaanse Republiek heeft. Daartoe heeft eiser onder andere gesteld dat hij momenteel tweedejaars student is aan een universitaire opleiding architectuur in de Dominicaanse Republiek en uitstekende studieresultaten behaalt, getuige zijn GPAvan 3.3 op een schaal van 4.0. Eiser verwijst naar bijlage 6 bij het beroepschrift. Zijn studie is van essentieel belang voor zijn toekomstperspectief en vormt een sterke motiverende factor om terug te keren na een kort verblijf in Nederland. Het onderbreken of beëindigen van zijn opleiding zou niet in het belang van eiser zijn, juist omdat hij aantoonbaar goed presteert.

7.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn aanvraag van 19 juni 2024 heeft aangegeven dat hij student is en dat hij daarbij een certificaat van de [universiteit] van 6 juni 2024 heeft overgelegd. Daaruit volgt dat eiser sinds 7 maart 2023 staat ingeschreven voor de [opleiding] . In bezwaar heeft eiser een inschrijvingsbewijs van 9 oktober 2024 (met betrekking tot studiecycli in de periode 14 augustus 2023 tot en met 15 december 2024) en een overzicht van het collegegeld dat is betaald in 2024 overlegd. Als bijlage bij het beroepschrift heeft eiser verschillende facturen van de universiteit (over de periode augustus 2023 tot en met april 2025), en verschillende inschrijvingsbewijzen(met betrekking tot studiecycli in de periode 12 augustus 2024 tot en met 17 augustus 2025) overgelegd. Tot slot heeft eiser bij zijn aanvullende beroepschrift van 26 mei 2026 onder andere een inschrijvingsbewijs van 8 april 2026, met betrekking tot de studieperiode van 24 april 2026 tot en met 16 augustus 2026, vier facturen, een betalingsoverzicht en studieresultaten over de maanden januari, april en september 2025 en januari 2026 overgelegd.

7.2.. De rechtbank overweegt dat de in beroep overgelegde stukken bij de beoordeling kunnen worden betrokken, omdat zij een nadere onderbouwing zijn van een eerder ingenomen standpunt, te weten dat eiser gebonden is aan de Dominicaanse Republiek vanwege zijn studie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de minister dat onvoldoende is gebleken dat eiser daadwerkelijk een [opleiding] volgt geen stand kan houden. Datzelfde geldt voor de stelling dat niet is gebleken dat eiser een dusdanige waarde hecht aan deze opleiding om op basis daarvan tijdig naar de Dominicaanse Republiek terug te keren, omdat eiser geen stukken heeft overgelegd die de studievoortgang kunnen aantonen. Uit de stukken blijkt immers dat eiser over de periode januari, april en september 2025 vijftien vakken heeft voltooiden in januari 2026 vijf vakken met een voldoende heeft afgesloten. De beroepsgrond slaagt.

Voldoende middelen van bestaan

8. Uit het voorgaande volgt dat er meerdere motiveringsgebreken kleven aan het bestreden besluit. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awbde rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Het niet voldoen aan het zogenoemde middelenvereiste is als afwijzingsgrond namelijk op zichzelf voldoende om de aanvraag af te wijzen. De rechtbank licht dat hieronder verder toe.

8.1.. De rechtbank stelt vast dat de minister de aanvraag mede heeft afgewezen omdat eiser niet zou hebben aangetoond dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om zowel de duur van zijn voorgenomen verblijf als de terugreis te kunnen betalen. Deze afwijzingsgrond heeft de minister in het bestreden besluit gehandhaafd. Zo heeft de minister in het bestreden besluit op pagina 3 onder andere artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel iii, van de Visumcode – wat ziet op de middelen – genoemd en aangegeven dat eiser onder andere daarom niet in aanmerking komt voor een visum kort verblijf. Op diezelfde pagina heeft de minister geschreven dat de aanvraag ‘onder andere’ is afgewezen vanwege onvoldoende sociale en economische binding, waaruit de rechtbank eveneens opmaakt dat de overige afwijzingsgronden gehandhaafd zijn. Ook op de zitting heeft de minister bevestigd dat hij deze afwijzingsgrond handhaaft.

8.2.. Eiser heeft zich in beroep echter niet tegen deze afwijzingsgrond gekeerd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de minister deze afwijzingsgrond terecht heeft tegengeworpen. Op zitting heeft eiser wel opgemerkt dat deze afwijzingsgrond geen stand kan houden, omdat er een garantstelling is, maar het op de zitting pas aanvoeren van deze grond is te laat. De rechtbank laat deze grond daarom buiten beschouwing. Omdat het niet voldoen aan het middelenvereiste een zelfstandige afwijzingsgrond is, heeft de minister zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat alleen al om deze reden het visum terecht is geweigerd. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser om een visum kort verblijf terecht heeft afgewezen.

10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit van 21 maart 2025;

  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.

GPA staat voor Grade Point Average en daarmee worden de studieresultaten tot uitdrukking gebracht.

Bijlagen bij het beroepschrift van 7 mei 2026.

Zie productie 14, pagina 7.

Zie productie 15a, pagina 9.

Zie de producties 19 en 19a.

Algemene wet bestuursrecht.

Meer Beslissingen