Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18167

Rechtbank

Amsterdam

Datum

2 July 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.27585 (beroep) en NL26.27586 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).

Samenvatting

1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen. Het beroep is dus ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.. Eiser heeft op 16 december 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2.2.. Met het besluit van 15 mei 2026 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen.

2.3.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Besluitvorming

3.1.. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad naar aanleiding van zijn asielaanvraag. De minister stelt dat eiser wel is uitgenodigd voor een gehoor. Op 11 februari 2026 is hij gekoppeld aan een advocaat. Maar vanaf dat moment heeft hij niet met de mogelijkheid van correcties en aanvullingen via zijn advocaat kenbaar gemaakt dat hij geen uitnodiging voor een gehoor heeft ontvangen. Hij is vervolgens wederom uitgenodigd voor een gehoor, maar ook na het rapport ‘niet verschijnen voor gehoor’ heeft eiser ondanks een uitnodiging daartoe geen correcties en aanvullingen ingediend en de reden van het niet verschijnen niet laten weten.

3.2.. De minister ziet geen reden om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Dat hij een negatieve ervaring heeft gehad in Duitsland, is op zichzelf niet genoeg. Eiser heeft zijn bijzondere situatie niet kenbaar gemaakt en niet met medische documenten aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland behandeling krijgt voor zijn paniekaanvallen.

Beroepsgronden

Gehoor

4.1.. Eiser voert aan dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad. Hij heeft de uitnodiging daartoe nooit ontvangen. Eiser verblijft op de [locatie] en keek elke dag of hij post had, maar hij heeft nooit een brief voor het gehoor ontvangen. Daarom heeft zijn gemachtigde gevraagd om nog een keer een uitnodiging te sturen en die te plaatsen in het asielportaal, maar dat is nooit gebeurd. Eiser voert verder aan dat hij geen correcties en aanvullingen kon indienen, omdat hij geen gehoor heeft gehad. Hij heeft wel een zienswijze ingebracht, waarin hij heeft aangegeven dat hij gehoord wenste te worden.

4.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De uitnodigingen voor de gehoren zijn geüpload in het dossier. Deze zijn gericht aan het adres waar eiser verblijft. Eiser heeft niet betwist dat dit het adres is waar hij verblijft. Ook de uitnodiging om correcties en aanvullingen op te sturen is geüpload in het dossier. De minister heeft op de zitting laten weten dat de brieven niet retour gekomen zijn. Dat is volgens de minister een bevestiging dat ze op het adres van eiser zijn aangekomen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande voldoende duidelijk dat de minister eiser op de juiste wijze heeft uitgenodigd voor de gehoren. De enkele stelling van eiser dat hij de uitnodigingen niet heeft ontvangen, is onvoldoende om te oordelen dat deze hem niet hebben bereikt.

4.3.. De rechtbank overweegt verder dat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij gehoord wilde worden, maar hij heeft daarin niet geconcretiseerd wat hij zou willen toelichten op een gehoor. Eiser heeft dat ook niet geconcretiseerd in zijn beroepsgronden. De zitting bij de rechtbank was voor eiser ook een mogelijkheid om zijn standpunten nader toe te lichten, maar eiser is niet naar de zitting gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gezegd worden dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het niet houden van een gehoor. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat de minister hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze heeft betrokken in de beoordeling. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om eiser opnieuw uit te nodigen voor een gehoor.

Artikel 17 van de Dublinverordening5.1.. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Bij eiser is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat hij vreest voor indirect refoulement naar Duitsland. Hij heeft paniekaanvallen en eerdere negatieve ervaringen in Duitsland, omdat hij daar geen behandeling heeft gekregen voor zijn paniekaanvallen. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom zijn bijzondere omstandigheden geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

5.2.. De rechtbank stelt voorop dat binnen de Europese Unie het uitgangspunt geldt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat zij hun internationale verplichtingen naleven. Dit wordt het interstatelijke vertrouwensbeginsel genoemd. De minister mag bij Duitsland in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel.En daarmee dus dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRMen artikel 4 van het Handvest.De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de Duitse autoriteiten met het accepteren van het claimverzoek de garantie hebben gegeven om de opvolgende asielaanvraag van eiser met inachtneming van de EU-regelgeving te behandelen.

5.3.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 17 van de Dublinverordening volgt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. De minister heeft in beleid opgenomen hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft hierin een ruime beoordelingsmarge en de rechtbank dient de beslissing van de minister op dit punt terughoudend te toetsen.

5.4.. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid. Hij heeft slechts gesteld dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg voor zijn paniekaanvallen. Hij heeft echter op geen enkele wijze toegelicht of met medische stukken onderbouwd dat hij last heeft van paniekaanvallen, dan wel dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg of kan krijgen voor zijn paniekaanvallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij aan Duitsland mag worden overgedragen. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27585:

  • verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27586:

  • wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, en 8 oktober 2025 ECLI:NL:RVS:2025:4770.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Meer Beslissingen