[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18180":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18180":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1759","ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","",58,"Den Haag","den-haag","2026-07-03T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703871 \u002F KG ZA 26\u002F427\n\nVonnis in kort geding van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A] B.V.te [plaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. M.F. de Jong te Haarlem,\n\ntegen:\n\n1. [partij B sub 1] VOF te [plaats 2] ,\n\n2. [partij B sub 2], te [plaats 2] ,\n\n3. [partij B sub 3] ,te [plaats 2] ,\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nwaarin zich aan de zijde van [partij B] c.s. heeft gevoegd:\n\nCOMMERBAS S.R.L. te Civitanova Marche Italië,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’, ‘ [partij B] c.s.’ en ‘Commerbas’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 30 april 2026 met producties EP01 tot en met EP22;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst van Commerbas van 14 mei 2026 met producties 1 tot en met 3;\n\n- de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van 14 mei 2026 met producties GP01 tot en met GP09;\n\n- de aanvullende producties EP23 tot en met EP28 van 18 mei 2026;\n\n- het op 18 mei 2026 overgelegde kostenoverzicht van gedaagden;\n\n- de op 18 mei 2026 om 18:03 uur ingediende aanvullende producties GP10 tot en met GP13 (worden buiten beschouwing gelaten, zie hierna onder 1.2);\n\n- de op 19 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres een pleitnotitie is overgelegd.\n\n1.2.. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [partij A] bezwaar gemaakt tegen de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, de conclusie van antwoord met producties (minder dan een week voor de mondelinge behandeling) alsmede de nagekomen producties GP10 tot en met GP13 die de avond voor de behandeling van kort geding zijn ingediend. Deze stukken zijn – gelet op de termijnen in het toepasselijke landelijke procesreglement dan wel de instructies in het dagbepalingsbericht – te laat ingediend. Hierdoor is eiseres in haar verdedigingsbelang geschaad. De incidentele conclusie alsmede de conclusie van antwoord zijn ingediend op hemelvaartsdag, waardoor het te kort dag was om met cliënt te overleggen en adequaat te kunnen reageren, aldus mr. De Jong. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de conclusie van antwoord, de daarbij behorende producties alsmede de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst worden toegestaan. Onder randnummer 2 van het meebetekende dagbepalingsbericht wordt aangeradeneen schriftelijke reactie op de dagvaarding in te dienen, gelet op de beperkte spreektijd. Een incidentele vordering kan pas worden ingesteld als partijen in het geding zijn verschenen en dient uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling te worden toegezonden (vgl. ook artikel 3.16, 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Er zijn dan ook geen termijnen geschonden. Dat er weinig tijd was voor overleg tussen de advocaat en zijn cliënt is eigen aan een kort geding procedure en kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De producties GP10 tot en met GP13 die gisteravond aan de voorzieningenrechter zijn toegezonden worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder goede reden buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingedienden daarmee sprake is van strijd met de goede procesorde.\n\n1.3.. De zaak is aangehouden tot 5 juni 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. In brieven van 4 juni 2026 hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Mr. Richel heeft als bijlage bij de brief een geactualiseerde kostenstaat meegezonden, waartegen mr. De Jong bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het moment van indienen van de productie in strijd met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten.\n\n1.4.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst en voeging\n\n2.1.. Commerbas heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [partij A] en [partij B] c.s. en zich te mogen voegen aan de zijde van [partij B] c.s. Volgens Commerbas heeft zij belang bij tussenkomst en voeging, aangezien zij bij toewijzing van de vorderingen jegens [partij B] c.s. failliet zullen gaan. De materialen die zij destijds ten behoeve van de productie van de schoenen voor [partij A] heeft aangeschaft, worden nu gebruikt voor de schoenen die zij maakt voor [partij B] c.s. Door de plotselinge orderstop van [partij A] bleef Commerbas zitten met de materialen en de opslagkosten daarvoor. Dat zij vervolgens voor [partij B] c.s. schoenen kon produceren, heeft gezorgd dat de materialen alsnog konden worden gebruikt. Indien de vorderingen tegen [partij B] c.s. worden toegewezen, wil Commerbas tussenkomen om de door haar geleden schade alsnog te verhalen op [partij A] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [partij B] c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de (voorwaardelijke) tussenkomst dan wel voeging. [partij A] heeft wel verweer gevoerd tegen de tussenkomst en voeging, primair omdat in kort geding geen conclusie tot voeging dan wel tussenkomst kan worden ingediend gelet op de vereisten van artikel 218 Rven het ontbreken van roldata in een kort gedingprocedure, subsidiair omdat Commerbas geen rechtstreeks belang heeft bij het tussen [partij A] en [partij B] c.s. aanhangig geding (als vereist in artikel 217 Rv) en meer subsidiair omdat zij geen spoedeisend belang heeft bij de door haar in de voorwaardelijke tussenkomst aangekondigde vordering.\n\n2.3.. Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vordering van Commerbas tot voeging aan de zijde van [partij B] c.s. wordt toegewezen en de vordering van Commerbas tot tussenkomst wordt afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n2.4.. Voeging en tussenkomst zijn vormen van interventie, vrijwillige deelname aan het geding door een derde. Op de voet van art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Bij tussenkomst wil de partij een eigen vordering instellen tegen (een van) de andere partijen. Er moet sprake zijn van voldoende belang om zich te mengen in het aanhangige geding. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.\n\n2.5.. Anders dan betoogd, kan ook in kort geding een vordering tot tussenkomst en\u002Fof voeging worden ingesteld. Commerbas heeft haar vordering tot voeging en tussenkomst voorafgaand aan de zitting aangekondigd en heeft deze ter zitting ingesteld (vgl. ook artikel 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). De voorzieningenrechter is van oordeel dat Commerbas haar belang bij voeging aan de zijde van [partij B] c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of Commerbas voldoende belang heeft bij tussenkomst kan in het midden blijven, omdat de goede procesorde er in dit geval aan in de weg staat om de tussenkomst toe te staan. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst zou – gelet op de door Commerbas geformuleerde zelfstandige vordering, waaraan grotendeels een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd – een uitbreiding van het kort geding tot gevolg hebben, waarbij hoor en wederhoor in de knel dreigen te komen. Dit compliceert de voortvarende beoordeling van het geschil, hetgeen niet verenigbaar is met het karakter van een kort gedingprocedure.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n [partij A] , Panara B.V. en het PANARA merk\n\n3.1.. \n\n [partij A] heeft sinds begin jaren ’80 schoenen ontworpen en verkocht.\n\nHij is houder van het op 1 mei 1984 onder nummer 394494 ingeschreven Benelux woordmerk PANARA voor waren in onder meer klasse 25 (schoenen), hierna het PANARA merk. De schoenen zijn voorzien van het PANARA merk, de sinds 1984 ontworpen modellen onder voornoemd merk worden hierna gezamenlijk aangeduid als de PANARA schoencollectie.\n\n3.2.. In 1987 is [partij A] opgericht en is de productie en verkoop van de PANARA schoencollectie in die vennootschap ondergebracht. [partij A] heeft [partij A] hiertoe een licentie verstrekt, waarbij [partij A] tevens is toegestaan sublicenties te verstrekken en zelfstandig rechtsmaatregelen te nemen ter handhaving van het merkrecht.\n\n3.3.. \n [partij A] is een groothandel en verkocht de PANARA schoencollectie onder meer aan Pauw (23 winkels), aan diverse andere winkels en zogenaamde multibrandstores (winkels die meerdere schoenmerken verkochten) en webshops.\n\n3.4.. Een zustervennootschap van [partij A] , Panara B.V., exploiteerde van 1987 tot 2021 een Panara winkel in Amsterdam (waar alleen schoenen van het PANARA merk werden verkocht). Sinds 2017 heeft Panara B.V. ook een webshop onder de domeinnaam www.panaraonline.com. Deze webshop is tot op heden actief.\n\nCommerbas\n\n3.5.. De PANARA schoencollectie wordt met de hand gemaakt in Italië, laatstelijk door Commerbas.\n\n [partij B] c.s.\n\n3.6.. Op 1 oktober 2010 heeft [partij B] c.s. een schoenenzaak in Den Haag geopend onder de naam Panara Den Haag. Deze naam staat ook op de gevel van de winkel. Daarnaast heeft [partij B] c.s. een webshop onder de domeinnaam www.panaradenhaag.nl.\n\nOvereenkomst [partij A] en [partij B] c.s.\n\n3.7.. In september 2010 zijn [partij A] en [partij B] c.s. schriftelijk onder meer het volgende overeengekomen:\n\nBasis van deze overeenkomst is de verkoop van Panara in de vorm van een Panara Store.\n\n1. De naarn Panara mag uitsluitend worden gebruikt op basis van de presentatie van het volledige product, dus met uitsluiting van andere producten. Afwijkingen hierop niet anders dan met schriftelijke toestemming van [partij A] BV.\n\n5. Indien er sprake is van een of meer voornoemde situaties, dient de naam Panara onmiddellijk te worden verwijderd en zal de levering van Panara goederen eveneens met onmiddellijke ingang worden gestaakt.\n\n6. Duur van de overeenkomst geldt met ingang van seizoen winter 2010\u002F11 voor een onbepaalde periode.\n\n7. Beëindiging van de overeenkomst geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met inachtname van twee (2) seizoenen, inbegrepen het op datum van opzegging lopende verkoopseizoen.\n\n8. Bij beëindiging van de samenwerking bestaat geen recht op enige vergoeding.\n\n3.8.. Op 14 november 2023 heeft [partij A] de Overeenkomst opgezegd.\n\nSommaties\n\n3.9.. In een aangetekende brief van 8 oktober 2025 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat [partij B] c.s. modellen uit de PANARA schoencollectie heeft gekocht bij Commerbas en voorzien van het naamlabel Borgesa (hierna: de Borgesa schoenen). In die brief heeft [partij A] [partij B] c.s. onder meer gesommeerd het PANARA merk te verwijderen uit de promotie voor de Borgesa schoenen.\n\n3.10.. Onder andere naar aanleiding van het hieronder opgenomen Instagram bericht schrijft [partij A] op 27 november 2025 aan [partij B] c.s. dat de overeenkomst is beëindigd en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 de naam PANARA van de gevel dient te verwijderen alsmede de domeinnaam panaradenhaag.nl.\n\n3.11.. Op 12 februari 2026 werden onder de domeinnaam paranadenhaag.nl onder meer de Borgesa schoenen onder meer op de volgende wijze aangeboden:.\n\n3.12.. In een brief van 25 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] onder meer geconstateerd dat ter omschrijving en promotie van de Borgesa schoenen gebruik wordt gemaakt van het teken Panara en dat deze schoenen worden aangeboden onder de domeinnaam panaradenhaag.nl, waardoor inbreuk op het PANARA merk wordt gemaakt. In die brief wordt [partij B] c.s. onder meer gesommeerd de inbreuk op het PANARA merk te staken.\n\n3.13.. \n [partij A] heeft aan de sommaties geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [partij A] vordert – na vermindering van eis – gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de aan [partij A] toekomende auteursrechten te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen de openbaarmaking en verveelvoudiging van de Borgesa schoenen te staken en gestaakt te houden;\n\nII. hoofdelijk te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de merkenrechten van [partij A] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder gedaagden te verbieden gebruik te maken van het teken ‘Panara’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met dit merk;\n\nIII. hoofdelijk te bevelen aan de advocaat van [partij A] een volledig en juiste opgave te verstrekken, zowel digitaal als schriftelijk, voorzien van alle relevante documenten, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot facturen, prijslijsten, bestelformulieren, vervoersdocumenten, douanedocumenten, orderbevestigingen en (e mail)correspondentie, waarin de volgende informatie is vervat:\n\na. a) de fabrikant(en) en\u002Fof leverancier(s) van de Borgesa schoenen, met vermelding van volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en bankrekeningnummer(s);\n\nb) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan hen gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, vervaardigd, ingekocht, besteld en\u002Fof geleverd, zulks gerangschikt per leverancier, met vermelding van inkoopprijzen, besteldata en leverdata, tezamen met kopieën van de betreffende orderbevestigingen, facturen en correspondentie;\n\nc) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan gedaagden gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, aangeboden, verkocht en geleverd, zulks gespecificeerd per afnemer, met vermelding van verkoopprijzen en leverdata en volledige na(a)m(en), adres(sen) en telefoonnummers van (niet particuliere) klanten, tezamen met kopieën van de betreffende facturen, orderbevestigingen en correspondentie;\n\nd) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen, die door en\u002Fof ten behoeve van gedaagden dan wel aan gedaagden gelieerde ondernemingen in voorraad wordt gehouden; en (nvt want worden geen producten onder merknaam verkocht);\n\ne) de totale nettowinst die is behaald met het aanbieden en verkopen van de Borgesa schoenen, berekend vanaf het zomerseizoen 2025, waarbij gedaagden voor de berekening van deze nettowinst uitsluitend directe belastingen en directe variabele kosten zal aftrekken, en de exacte wijze waarop deze winst berekend. bestelformulieren, adres(sen);\n\nIV. te bevelen binnen veertien (14) dagen na dit vonnis een terugroepactie uit te voeren en een brief te sturen naar alle afnemers aan wie zij de Borgesa schoenen hebben verkocht en geleverd, met uitsluitend de volgende inhoud en zonder weglatingen, aanvullingen of opmerkingen, en dat zij kopieën van de verzonden brieven aan de advocaat van [partij A] zullen verstrekken: ‘RECTIFICATIE EN HERROEPING In het verleden hebben wij u (één van de) producten aangeboden en geleverd uit onze schoenencollectie ‘Borgesa’. Via deze kennisgeving informeren wij U dat deze producten inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van de heer [partij A] , bedenker en ontwerper van het schoenenlabel Panara. Wij vragen u de inbreukmakende producten op onze kosten aan ons te retourneren en danken u bij voorbaat voor uwmedewerking in dit verband. Ondergetekende, Panara Den Haag \u002F [partij B sub 1] v.o.f.’\n\nV. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Inbreukmakende Producten die krachtens het gestelde onder Romeinse IV aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVI. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Borgesa schoenen, die krachtens het hiervoor onder IV bepaalde aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVII. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare van EUR 10.000,- (tienduizend euro) per overtreding in geval het niet, niet volledig, niet correct of niet tijdig nakomen van een of meer van het gevorderde onder Romeinse I tot en met V, of — naar keuze van [partij A] — van EUR 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat een dergelijke overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [partij A] op volledige naleving en schadevergoeding;\n\nVIII. hoofdelijk te veroordelen, in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten op de voet van artikel 1019h Rv, en dit kort geding volgens de indicatietarieven in IE zaken, versie 1 februari 2026, in te schalen als een ‘normaal kort geding’, te betalen binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis;\n\nIX. hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A] de wettelijke (handels)rente over de proceskosten te betalen, wanneer deze niet binnen tien (10) werkdagen na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis zijn voldaan;\n\nX. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.\n\n4.2.. \n [partij A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij B] c.s. met de Borgesa schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten van [partij A] op de PANARA schoencollectie. De schoenen koopt zijn van Commerbas en zijn identiek aan de modellen uit de PANARA schoencollectie, alleen voorzien van een andere naam. Na de beëindiging van de overeenkomst is [partij B] c.s. daarnaast het PANARA merk blijven gebruiken op de gevel van de winkel, in de domeinnaam en ter promotie van de Borgesa schoenen. Nu [partij B] c.s. na het beëindigen geen toestemming meer voor heeft, maakt zij inbreuk op het PANARA merk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n4.3.. \n [partij B] c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing. Zij betwist dat auteursrecht op de PANARA schoencollectie rust; het betreft klassieke Italiaanse schoenmodellen. Subsidiair betwist zij dat het auteursrecht bij [partij A] rust. [partij A] was de ontwerper van de schoenen en niet is gebleken dat het auteursrecht aan [partij A] is overgedragen. De overeenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, zodat de overeenkomst nog geldt op grond waarvan [partij B] c.s. toestemming hebben het PANARA merk te gebruiken.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.4.. \n [partij B] c.s. vordert in reconventie, uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [partij A] te veroordelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis alle door [partij B] c.s. bij [partij A] ingekochte en nog in voorraad zijnde Panara- schoenen (inclusief verpakkingen) terug te nemen op door [partij A] aan te wijzen wijze en op kosten van [partij A] ;\n\nII. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van de inkoopprijs van de terug te nemen schoenen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:u9 BW vanaf de datum waarop [partij B] c.s. die inkoopprijs aan [partij A] heeft betaald tot aan de datum van algehele voldoening door [partij A] , vast te stellen door de accountant van gedaagden, met een voorschot bij aflevering van € 100.000,-i\n\nIII. Subsidiair, indien een dergelijk verbod niet aan gedaagden wordt opgelegd:\n\n [partij A] te verbieden zich als detailhandelaar via internet op de markt te begeven met uitverkoopacties van Panara-schoenen, zonder overleg met en goedkeuring door gedaagden. Hierbij geldt dat gedaagden (eisers in reconventie) bereid zijn om de resterende voorraad Panara-schoenen die [partij A] en aan haar gelieerde entiteiten nog bezit(ten) over te nemen als voorschot op een schadevergoeding.\n\nIV. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.\n\n4.5.. Op de standpunten van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\nBevoegdheid\n\n5.1.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gegrond op de gestelde inbreuk op het PANARA merk, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE, aangezien [partij B] c.s. in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.\n\n5.2.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op het auteursrecht is die bevoegdheid gegrond op artikel 4 Brussel I bis-Voomdat gedaagde in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv.\n\n5.3.. Nu de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] c.s. [partij A] heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.4.. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu [partij B] c.s. de vermeend inbreukmakende (voor wat betreft het auteursrecht) schoenen nog verkoopt en het teken PANARA nog gebruikt (hetgeen volgens de stellingen van [partij A] merkinbreuk oplevert), is daarmee het spoedeisend belang gegeven.\n\nIn conventie verder\n\nAuteursrechten modellen Panara schoencollectie\n\n5.5.. De stellingen van [partij A] waarop zij haar auteursrechtelijke vorderingen grondt, zijn toegespitst op de omstandigheid dat [partij B] c.s. door Commerbas dezelfde modellen van schoenen laat produceren als de modellen van de PANARA schoencollectie die zij voorheen inkocht bij [partij A] en verkocht in haar winkel. Daarmee is volgens [partij A] de inbreuk op de aan haar toekomende auteursrechten gegeven.\n\n5.6.. \n [partij A] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke modellen uit de PANARA schoencollectie zij zich beroept, wanneer deze zijn ontworpen, waaruit de auteursrechtelijke beschermde kenmerken van de afzonderlijke modellen bestaan en hoe die zich weerspiegelen in het desbetreffende model.Er kan immers pas inbreuk worden gemaakt op het auteursrecht als sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete vormgeving van (een combinatie van) kenmerken in de betreffende schoenen. Het is aan [partij A] om de feiten daarvoor naar voren te brengen.\n\n5.7.. In de dagvaarding heeft [partij A] meerdere malen geconcludeerd dat de modellen van de Panara schoencollectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn, met een eigen herkenbare signatuur van de collectie. Zo wordt gesteld dat “de ontwerpen (..) [zich] kenmerken door een consistente en herkenbare stijl, waarin vorm, pasvorm en materiaalgebruik in onderlinge samenhang werden ontwikkeld”en“deze werkwijze heeft geleid tot een eigen vormentaal, die in de loop der jaren een duidelijke plaats in de markt heeft ingenomen en waarmee de Panara Collectie zich onderscheidt van andere aanbieders”Een feitelijke uitwerking van wat per schoen de door haar ingeroepen“kenmerkende en beschermde elementen van de Panara-collectie”zijn ontbreekt. Omdat op het moment van het opstellen van de dagvaarding door [partij B] c.s. al was betwist dat de (modellen) van de Panara collectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn (omdat het klassieke schoenmodellen betreft volgens [partij B] c.s.), had het op de weg van [partij A] gelegen te onderbouwen welke creatieve keuzes zichtbaar zijn in de afzonderlijke modellen, waarop volgens [partij A] inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moeten de schoenen immers uitdrukking geven aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.Omdat voor auteursrechtelijke bescherming is vereist dat de persoonlijkheid van de maker wordt weerspiegeld in het voorwerp, moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid worden uitgegaan van het voorwerp zelf. Het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur kunnen slechts een rol spelen voor zover dit in het werk tot uitdrukking is gebracht.\n\n5.8.. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid dient dus te worden uitgegaan van de afzonderlijke modellen zelf. [partij A] verwijst in haar dagvaarding echter naar de PANARA schoencollectie, maar de afzonderlijke modellen schoenen waaruit die collectie bestaat en waarop volgens [partij A] dus auteursrechtelijke inbreuk wordt gemaakt, zijn niet omschreven en evenmin zijn hiervan afbeeldingen overgelegd. Er is wel een aantal modeltekeningen overgelegd bij de dagvaarding, waarover wordt opgemerkt dat dit de eigen herkenbare signatuur van de collectie onderstreept, maar waaruit die signatuur dan bestaat, is niet uitgewerkt. Van welke voorwerpen moet worden beoordeeld of zij een auteursrechtelijk beschermd werk zijn, is dus niet duidelijk. Verder zijn 103 pagina’s screenshot van de website van [partij B] c.s. overgelegd met de modellen, die zij thans aanbiedt onder het teken Borgesa. Zelfs als deze schoenen identiek zijn aan modellen van de Panara Collectie, dient eerst te worden vastgesteld dat de modellen van de Panara Collectie waarop inbreuk wordt gemaakt auteursrechtelijk beschermd zijn. Hiervoor zijn dus onvoldoende feiten gesteld.\n\n5.9.. Ook in de ter zitting door de advocaat van [partij A] voorgedragen spreekaantekeningen wordt niet ingegaan op het verweer dat de modellen uit de PANARA schoencollectie geen auteursrechtelijke beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal malen gevraagd naar de specifieke kenmerken van de schoenen, die maken dat de schoenen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. In antwoord daarop zijn wederom algemene bewoordingen gebruikt, zoals strakke vormgeving, beste leer, geen stiknaden, uitstekende pasvorm, tijdloos, sober, strak, zwarte slipzool doorlopend over de neus van de schoen, zonder daarbij de vormgeving van de afzonderlijke modellen als uitgangspunt te nemen. Verder is “het samenspel van keuzes” genoemd als hetgeen dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en maakt dat de consument een schoen herkent als een Panara schoen.\n\n5.10.. \n\nOnder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat de Panara schoencollectie bestaat uit voorwerpen die te kwalificeren zijn als auteursrechtelijk beschermde werken. Dat een selectie van de PANARA schoencollectie (welke modellen dat zijn, is ook weer niet gespecificeerd) is opgenomen in de collectie van het Schoenenkwartier is voor de beoordeling niet relevant, nu de beoordeling of een voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is, dient plaats te vinden naar het moment waarop het werk werd ontworpen.\n\nHet onder I., III., IV. en V. gevorderde wordt dus afgewezen.\n\n5.11.. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de bespreking van het door [partij B] c.s. subsidiair gevoerde verweer dat [partij A] niet de auteursrechthebbende zou zijn.\n\nmerkinbreuk\n\n5.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. het PANARA merk tot op vandaag in het economisch verkeer gebruikt door middel van het merk op de gevel van haar schoenenwinkel, door onder de domeinnaam panaradenhaag.nl schoenen te verkopen en op haar website en social media kanalen ter promotie van de door haar aangeboden schoenen voorzien van het teken BORGESA. Niet is betwist dat dit heeft te gelden als merkgebruik.\n\n5.13.. Volgens [partij B] c.s. geldt de Overeenkomst nog tussen, omdat deze niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij heeft dus nog steeds toestemming om het PANARA merk te gebruiken, zodat de vordering tot het staken van het gebruik dient te worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet en dat wordt hierna uitgelegd.\n\n5.14.. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op 14 november 2023 (dus tijdens het winterseizoen, dat loopt van juli tot januari) door [partij A] mondeling is opgezegd tegen juli 2024 (einde zomerseizoen, dat loopt van januari tot juli). Dit is overeenkomstig de opzegtermijn van artikel 7 van de Overeenkomst. Dit betekent in beginsel dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het merk te gebruiken. Hoewel de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 7 door middel van een aangetekende brief moet worden opgezegd, is de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijven gelden omdat [partij A] deze mondeling heeft opgezegd. Voor [partij B] c.s. was het immers duidelijk dat de Overeenkomst werd opgezegd, dat [partij A] haar activiteiten zou gaan beëindigen en dat na het zomerseizoen dat liep tot juli 2024 geen nieuwe bestellingen meer zouden kunnen worden geplaatst. [partij B] c.s. heeft zich hiernaar ook gedragen door geen bestellingen meer bij [partij A] te plaatsen voor het laatste zomerseizoen (2024) en zich te gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Dit betekent dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het PANARA merk te gebruiken. Door het PANARA merk toch te blijven gebruiken, maakt zij inbreuk op de merkrechten van [partij A] op grond van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n5.15.. \n [partij B] c.s. heeft verder aangevoerd dat [partij A] gelet op de aard en inhoud van de Overeenkomst een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Los van de vraag of de Overeenkomst is te kwalificeren als een distributieovereenkomst – hetgeen door [partij A] wordt betwist – is de aan [partij B] c.s. gegeven toestemming om het PANARA merk te gebruiken verbonden aan de (ontbindende) voorwaarden dat zij geen andere merken mag verkopen. Tot de opzegging van 14 november 2023 heeft [partij B] c.s. dus 13 jaar lang enkel schoenen onder het PANARA merk verkocht en is haar bedrijf daardoor volledig ingericht op en afhankelijk van de verkoop van deze schoenen. Onder die omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals een langere opzegtermijn. Dat die opzegtermijn meer dan twee jaar (sinds de opzegging op 13 november 2023) had moeten bedragen is echter gesteld noch gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [partij B] c.s. geen modellen van het laatste zomerseizoen (2024) heeft ingekocht, heeft afgezien van het overnemen van de voorraad PANARA schoenen van Panara B.V. (in verband met het ontbreken van overeenstemming over de prijs) en zich – naast het verkopen van haar voorraad PANARA schoenen – is gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Zij heeft nimmer overleg gezocht met [partij A] om afspraken te maken over een langere overgangsperiode. De verkoop van de resterende voorraad Panara schoenen (thans nog 1000 paar) kan ook onder een andere winkelnaam en domeinnaam plaatsvinden. Voor het wijzigen van deze naam heeft [partij B] c.s. inmiddels meer dan voldoende tijd gehad. Het oordeel blijft dan ook dat [partij B] c.s. geen toestemming meer heeft het PANARA merk te gebruiken voor (de verkoop van) schoenen, zodat het onder II. gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen. Aangezien dit tevens tot gevolg heeft dat de naam van de winkel (zowel op de gevel als online, domeinnaam en website) dient te worden gewijzigd zal het inbreukverbod vier weken na betekening van het vonnis ingaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [partij B] c.s. zeker na de brief van 27 november 2025 ervan op de hoogte was dat [partij A] niet langer toestemming gaf om het PANARA merk in de winkelnaam en de domeinnaam te gebruiken.\n\n5.16.. Als prikkel ter nakoming van het inbreukverbod acht de voorzieningenrechter een dwangsom zoals gevorderd aangewezen. Deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum is vermeld.\n\nProceskosten\n\n5.17.. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd als na te melden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inbreukverbod ten aanzien van het PANARA merk weliswaar wordt toegewezen, maar het gevorderde inbreukverbod op de vermeende auteursrechten en de daarmee samenhangende nevenvorderingen worden afgewezen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.\n\nIn voorwaardelijke reconventie verder\n\n5.18.. \n [partij B] c.s. heeft als voorwaarde aan haar reconventionele vorderingen verbonden: “uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert.”\n\n5.19.. Hoewel het in conventie gevorderde verbod is toegewezen, staat dit er niet aan in de weg om de rechtmatig ingekochte Panara schoenen, die [partij B] c.s. nog op voorraad heeft te verkopen. Deze voorraad bestaat immers uit schoenen, voorzien van het PANARA merk, die zij nog onder de Overeenkomst heeft ingekocht bij [partij A] . Los van het feit dat het recht van [partij A] om zich op grond van het merkrecht tegen de verkoop van die specifieke exemplaren te verzetten, is uitgeput, heeft [partij A] ook ter zitting benadrukt, dat het [partij B] c.s. vrij staat om rechtmatig ingekochte Panara schoenen te blijven verkopen. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde is dan ook niet in vervulling gegaan, zodat aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen niet wordt toegekomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn conventie\n\n6.1.. beveelt gedaagden binnen vier weken na betekening van dit kort gedingvonnis iedere inbreuk op het PANARA merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden;\n\n6.2.. veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [partij B] c.s. in strijd handelt met het onder 6.1 gegeven bevel, met een maximum van € 50.000,-;\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;\n\n6.5.. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;\n\n6.6.. wijst af het meer of anders gevorderde;\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n6.7.. stelt vast dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen is ingesteld niet is voldaan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken\n\n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\n Verordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra)\n\n Auteurswet\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 50 en 61\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 71, 74 en 75\n\n Productie 12 bij de dagvaarding\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 77 en 81","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","ecli-nl-rbdha-2026-18180",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]