ECLI:NL:RBDHA:2026:18204
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6550
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Naar aanleiding van een bericht van eisers gemachtigde van 16 juni 2026 heeft de rechtbank partijen gevraagd of toestemming wordt verleend voor afdoening van deze zaak zonder zitting, met vermelding dat indien een reactie binnen de gestelde termijn uitblijft, de rechtbank ervan uit zal gaan dat geen prijs wordt gesteld op een zitting. Verweerder heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat toestemming wordt verleend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op zitting.
Inleiding
1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 14 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang bij zijn beroep heeft.
3. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
4. Bij brief van 18 februari 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser vrijwillig heeft afgezien van opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft aan de gemachtigde van eiser op 18 februari 2026 een bericht verstuurd waarin is gevraagd of zij nog contact onderhoudt met eiser en weet waar hij verblijft. In reactie op dit bericht heeft de gemachtigde van eiser op 24 februari 2026 aangegeven dat het contact met eiser niet is verbroken en dat hij nog steeds in Nederland verblijft. Bij dit bericht heeft de gemachtigde van eiser twee e-mails van eiser (van 20 februari 2024 en 24 februari 2026) bijgevoegd. Uit deze mails blijkt dat het contact tussen de gemachtigde van eiser en eiser destijds nog niet was verbroken en dat eiser zijn procedure wil voortzetten.
5. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 16 juni 2026 aan de rechtbank te kennen gegeven dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij geen contact meer met eiser onderhoudt. Als bijlage bij dit bericht heeft zij een screenshot van het COA van 29 mei 2026 overgelegd. Uit deze bijlage blijkt dat eiser zich op 16 februari 2026 heeft uitgeschreven bij het COA en dat zijn huidige verblijfplaats onbekend is bij het COA.
6. Gezien het feit dat eiser volgens partijen ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken en de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem onderhoudt, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 29 januari 2026.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.