ECLI:NL:RBDHA:2026:18461
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56298
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiseres,
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R. M. Koning).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 11 november 2025 (het bestreden besluit), waarbij de minister de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Het beroep richt zich tegen het ontbreken van de vaststelling dat eiseres, evenals haar partner, een rechterlijke dwangsom ad € 7.500,- krijgt.
1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiseres recht op een rechterlijke dwangsom?
2. Eiseres kan zich niet verenigen met dat deel van de beschikking van 11 november 2025 waarin ten onrechte niet is vastgesteld dat eiseres ook een rechterlijke dwangsom van € 7.500,- krijgt. Eiseres meent dat zij op basis van de uitspraakvan de rechtbank van
24 februari 2025 eveneens recht heeft op een dwangsom van € 7.500,-. Daarnaast heeft eisers hoger beroep ingesteld tegen de uitspraakvan 13 januari 2025. Dit hoger beroep is nog hangende en kan van invloed zijn op de hoogte van de verbeurde dwangsommen.
2.1.. De rechtbank overweegt dat de minister het standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is, ter zitting heeft laten vallen.
2.2.. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres recht heeft op een rechterlijke dwangsom. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 februari 2025 waarin is overwogen dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awbin dit geval met zich brengt dat de minister één dwangsom verbeurt voor eisers gezamenlijk. Het ingestelde hoger beroep kan daar niet aan afdoen.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank De Haag, 24 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2708.
Rechtbank Den Haag, 1 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:109.
Algemene wet bestuursrecht.