[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18471":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18471":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"707","ECLI:NL:RBDHA:2026:18471","",60,"Arnhem","arnhem","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.42251\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Aden in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.\n\n1.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20, terecht voor de provincie Aden een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025\u002F20 voor de provincie Aden terecht niet is uitgegaan van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat het besluit was gebaseerd op het eerdere landgebonden asielbeleid (WBV 2024\u002F9) dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar heeft geacht. Pas na het aanvullen van de motivering in beroep heeft de minister het besluit deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij wegens discriminatie verdragsvluchteling is of bij terugkeer naar Jemen het individueel het risico loopt het slachtoffer te worden van op hem gericht geweld.\n\n1.3.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2), gevolgd door een weergave van het asielrelaas van eiser (3) en het standpunt van de minister (4). Daarna gaat de rechtbank in op de door eiser gestelde discriminatie (5), zijn vrees voor rekrutering (6), de vrees vanwege zijn deelname aan een protest en een bijeenkomst in Nederland (7) en zijn vrees wegens zijn verblijf in het buitenland (8). Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 9 tot en met 14 of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld: de rechtbank beantwoordt de vraag of de minister een volledige beoordeling heeft verricht, of de minister voor de provincie Aden in Jemen terecht niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser. Onder 15 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister in de humanitaire situatie in Jemen aanleiding had moeten zien om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (16).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 4 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 23 december 2024 en 12 maart 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 4 december 2025 en 13 maart 2026 verweerschriften ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser komt uit Jemen. Hij is op [geboortedag] 1995 geboren in het dorp [geboortedorp], dat deel uitmaakt van het district Asabeh, in de provincie Taiz. In 2013 is hij gaan studeren in de stad Taiz en verbleef tot 2015 wisselend in Taiz en zijn geboortedorp. Tussen 2016 en 2020 heeft eiser in verband met studie in Sanaa gewoond. Na zijn studie is eiser in 2020 in Aden gaan wonen, waar hij verbleef tot aan zijn vertrek uit Jemen in 2023.\n\nKort samengevat heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij Jemen heeft verlaten vanwege de ondervonden discriminatie in Aden (vanwege zijn afkomst uit Taiz) en vanwege de oorlog. In de zienswijze heeft eiser naar voren gebracht dat hij vreest te worden gerekruteerd door een van de strijdende partijen in Jemen. Hij stelt in dit verband dat de Islah-militie hem twee keer heeft geprobeerd te rekruteren en dat zij na zijn vertrek uit Jemen in 2024 twee keer bij zijn ouders langs zijn geweest om hem te rekruteren. Daarnaast heeft hij gewezen op het risico bij terugkeer vanwege zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland en het lange verblijf in Nederland.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De ondervonden discriminatie op grond van zijn afkomst uit Taiz vindt de minister ook geloofwaardig, maar deze is volgens hem onvoldoende zwaarwegend. De gestelde rekruteringspogingen acht de minister deels niet geloofwaardig en met de poging in 2016 die hij wel geloofwaardig acht is niet aannemelijk gemaakt dat eiser nu nog bij terugkeer heeft te vrezen voor rekrutering. Eiser loopt volgens de minister ook geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Voor de provincie Aden, dat volgens de minister als eisers laatste woonplaats moet worden aangemerkt, heeft de minister een hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. Dat betekent dat eiser met specifieke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld en daarvan is niet gebleken.\n\nHeeft de minister de gestelde discriminatie in Aden terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?\n\n5. Eiser betoogt dat het standpunt van de minister over de in Aden ondervonden discriminatie in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft de omstandigheden waaronder eiser in Aden moest leven gebagatelliseerd. De minister acht ook ten onrechte van belang dat eiser zonder problemen tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen. Dat ziet namelijk op een andere periode (vóór 2020) en op een andere locatie (Taiz) dan de problemen waar eiser op doelt, namelijk discriminatie in Aden vanwege zijn afkomst uit Taiz nadat hij daar ging werken. Vanuit Aden kon eiser alleen naar zijn ouders in Taiz reizen met hulp van een chauffeur\u002Fsmokkelaar die ook geld betaalde bij controleposten. Evenmin kon hij op de normale manier een paspoort krijgen; hij had daar een tussenpersoon voor nodig.\n\n5.1.. In geschil is of eiser met de door hem aangedragen persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden discriminatie moet worden aangemerkt als daad van vervolging. Hiervan is volgens paragraaf C2\u002F3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, sprake als hij door deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat van een zodanige situatie geen sprake is. Eiser heeft niet betwist dat hij in Aden beschikte over huisvesting en sinds 2020 in zijn levensonderhoud voorzag door te werken als assistent accountant bij het instituut [instituut] in [plaats]. Dit wijst er niet op dat eiser niet op normale wijze aan de Jemenitische samenleving kon deelnemen. Dat leden van de Zuidelijke Transitieraad (STC) hem en anderen regelmatig lastigvielen op zijn werk, neemt niet weg dat eiser deze werkzaamheden jarenlang heeft kunnen verrichten. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij persoonlijk geen problemen ondervond.Dat eiser uit angst voor checkpoints en de veiligheidssituatie weinig buiten zijn werkomgeving kwamheeft de minister terecht onvoldoende geacht voor een ander oordeel. De minister neemt ook terecht in aanmerking dat eiser documenten, zoals een paspoort en een identiteitskaart, kon verkrijgen. Dat eiser deze documenten, zoals hij stelt, via een tussenpersoon heeft geregeld, doet er niet aan af dat hij ze uiteindelijk wel heeft kunnen verkrijgen. Daarbij komt dat deze verklaring over de wijze van verkrijging van de documenten niet overeenkomt met eisers eerdere verklaring dat hij het paspoort en de identiteitskaart zelf heeft aangevraagd.De door eiser gestelde vrees om vanwege zijn afkomst uit de regio Taiz bij controleposten gediscrimineerd te worden, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze vrees onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde algemene informatie uit het ambtsbericht over controleposten volgt niet dat de vermelding van Taiz op een identiteitskaart al tot problemen leidt bij controles.De minister heeft er bovendien terecht (en onweersproken) op gewezen dat de in het ambtsbericht genoemde risico’s met name zien op politici, journalisten en activisten, tot welke groepen eiser niet behoort. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij zelf problemen heeft ondervonden bij controleposten. De aanvullende verklaring van eiser in beroep dat hij in de laatste maand voor zijn vertrek bij reizen naar zijn ouders gebruikmaakte van een smokkelaar, waardoor hij problemen kon ontlopen, heeft hij niet eerder naar voren gebracht. Het laat ook onverlet dat hij volgens zijn verklaringen op de dag van zijn vertrek en zijn reis naar de luchthaven geen problemen had bij controleposten.Eiser heeft niet verklaard dat hij ook toen gebruikmaakte van een smokkelaar. De minister heeft zijn standpunt dat eiser probleemloos tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen – dit zag niet op de provincie Aden – op zitting laten vallen, maar dat neemt niet weg dat de minister, gelet op het voorgaande, al voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser de gestelde discriminatie bij controleposten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.\n\nUit dit alles volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde discriminatie niet de vereiste zwaarte heeft. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nHeeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op rekrutering?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn relaas over de gestelde rekrutering deels buiten beschouwing heeft gelaten. De minister werpt eiser namelijk ten onrechte tegen dat het relaas innerlijk tegenstrijdig is en dat eiser pas in de zienswijze over de rekrutering heeft verklaard. Hij voert aan dat het nader gehoor van beperkte duur was en dat onvoldoende is doorgevraagd. Gelet op de beleidswijziging voor Jemen had de minister hem bovendien opnieuw moeten horen. In ieder geval had de minister hem naar aanleiding van de zienswijze de gelegenheid moeten geven om nader over de rekruteringspogingen te verklaren.Eiser wijst in dit verband op de samenwerkingsplicht uit Werkinstructie 2024\u002F6. Dat eiser een rekruteringspoging uit 2019 pas in de zienswijze heeft genoemd, kan hem niet worden tegengeworpen, omdat hij zich tijdens het nader gehoor niet bewust was van de relevantie daarvan en ervan uitging dat hij op grond van de algemene situatie in Jemen al voor bescherming in aanmerking zou komen. Eiser wijst tot slot op de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard over vier rekruteringspogingen. Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat een dorpsgenoot hem in 2016 in Al Ufa heeft gevraagd zich bij de Islah-militie aan te sluiten, wat hij heeft geweigerd. In de zienswijze heeft hij hieraan toegevoegd dat in 2019 opnieuw een rekruteringspoging is gedaan, en dat in april en juni 2024 leden van de Islah-militie naar het ouderlijk huis zijn gegaan om hem te rekruteren.\n\n6.2.. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij alleen de eerste rekruteringspoging geloofwaardig acht. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister aldus dat die enkele poging in 2016 niet maakt dat eiser nu nog een reëel risico loopt op gericht geweld wegens rekruteringen dat deze omstandigheid ook geen betekenis heeft bij de beoordeling van het risico op willekeurig geweld.\n\n6.3.. Het betoog dat eiser ten onrechte niet aanvullend is gehoord slaagt niet. Hoewel het nader gehoor kort was, is eiser tijdens dat gehoor uitdrukkelijk gevraagd of hij in Jemen wel eens is benaderd door een strijdende partij om mee te vechten.Hij heeft toen verklaard dat dit éénmaal, in 2016, is gebeurd. Op vervolgvragen heeft hij bevestigd dat het om een eenmalige gebeurtenis ging.De gehoorambtenaar heeft tijdens dat gehoor ook duidelijk gemaakt dat eiser volledig dient te antwoorden op de gestelde vragenen heeft aan het eind van het gehoor gevraagd of eiser nog iets wil toevoegen, wat eiser niet heeft gedaan.Hiermee heeft de minister voldaan aan zijn deel van de samenwerkingsplicht. De enkele beleidswijziging maakt niet dat eiser aanvullend gehoord had moeten worden. Eiser heeft tijdens het nader gehoor naar voren kunnen brengen om welke redenen hij vreest bij terugkeer.\n\n6.4.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de door eiser in de zienswijze genoemde aanvullende rekruteringspogingen terecht niet geloofwaardig heeft geacht. Deze verklaringen zijn niet in overeenstemming met de eerdere (niet met correcties en aanvullingen gewijzigde) verklaring van eiser dat hij slechts eenmaal is benaderd. Dat eiser het belang toen niet inzag om ook over de andere rekruteringspoging in 2019 te vertellen, is geen toereikende verklaring, nu eiser expliciet is gevraagd naar het aantal rekruteringspogingen. Verder heeft de minister terecht gewezen op de onaannemelijkheid dat eiser in 2024 opnieuw twee keer zou zijn benaderd, terwijl al lang bekend moest zijn – de militieleden waren volgens eisers eigen verklaringen immers dorpsgenoten– dat hij was vertrokken. Hierop is eiser in beroep ook niet ingegaan. De overgelegde algemene landeninformatie leidt niet tot een ander oordeel, nu deze niet ziet op eisers persoonlijke situatie. Ook heeft de minister, gelet op artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, terecht bij de beoordeling betrokken dat gestelde incidenten laat – pas na het voornemen – zijn gemeld. De minister heeft daarom de in de zienswijze genoemde rekruteringspogingen terecht buiten beschouwing gelaten. Over de (wel geloofwaardig geachte) rekruteringspoging in 2016 heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden en volgens eisers verklaringen niet tot problemen heeft geleid, zodat daaruit geen actueel risico bij terugkeer kan worden afgeleid. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLeiden eisers deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland tot een gegronde vrees voor vervolging?\n\n7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij vanwege zijn deelname in Nederland aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s, een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk en zijn posts op sociale media, problemen heeft te verwachten bij terugkeer. Eiser vreest dat zijn activiteiten, ook al zijn deze beperkt, kunnen worden opgevat als activiteiten van een ongelovige en hij is bang dat dit wordt opgepikt in Jemen. De minister onderschat volgens eiser de vergaande mate van monitoring en controle van activiteiten door de Houthi’s, waarbij hij verwijst naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 14 januari 2026.\n\n7.1.. Eiser heeft volgens zijn zienswijze deelgenomen aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s en een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk. Hoewel eiser heeft verklaard dat posts op sociale media zijn geplaatst waarop hij te zien is heeft eiser niet nader onderbouwd waaruit blijkt dat dit demonstraties tegen de Jemenitische autoriteiten of groeperingen betreft, noch dat die op de hoogte zijn van deze, ook volgens hemzelf, beperkte activiteiten, laat staan dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling staat. Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor de Houthi’s in verband met hun vergaande monitoring is van belang dat, zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen, eisers laatste woon- en verblijfplaats in de provincie Aden was en dat is geen Houthi-gecontroleerd gebied. De rechtbank merkt ook op dat [geboortedorp] volgens eisers eigen verklaringen geen Houthi-gecontroleerd gebied is.\n\nLoopt eiser vanwege zijn langdurige verblijf in Europa een reëel risico bij terugkeer naar Jemen?\n\n8. Het (met stukken onderbouwde) betoog van eiser dat zijn langdurige verblijf in Europa hem in de negatieve belangstelling zal plaatsen van de Houthi’s, omdat hij als spion zal worden gezien, slaagt om dezelfde reden niet. Zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen hoeft eiser namelijk niet terug te keren naar door Houthi’s gecontroleerd gebied.\n\nLoopt eiser het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade wegens het willekeurige geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nBeleid minister en relevante rechtspraak\n\n10. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Yen de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024over dit arrest, voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000,verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:\n\n1. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;\n\n 2. relatief hoger niveau van willekeurig geweld;\n\n 3. relatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\nIn de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld.Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.\n\n10.1.. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.In WBV 2024\u002F9heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.\n\n10.2.. De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht.\n\n10.3.. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025\u002F20het landenbeleid gewijzigd.\n\nBesluit van 19 september 2024\n\n11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 19 september 2024 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024\u002F9. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen stand houden. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2024. In zijn verweerschriften van 4 december 2025 en 13 maart 2026 heeft de minister uiteengezet dat toepassing van het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid in WBV 2025\u002F20, voor de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Aden een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.\n\nIs de beoordeling in WBV 2025\u002F20 volledig?\n\n12. Eiser betoogt dat de minister ook zijn beleid in WBV 2025\u002F20, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat beleid is namelijk gebaseerd op de brief van 8 oktober 2025, waaraan de beslisnota van 18 juni 2025 ten grondslag ligt die van vóór de uitspraak van de Afdeling dateert. In deze beslisnota is onvoldoende aandacht besteed aan de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Dit is volgens eiser problematisch omdat uit het ambtsbericht van april 2025 blijkt dat de ernstige humanitaire situatie in Jemen mede het gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen. De effecten op de economie en daarmee op burgers als gevolg van oorlog kunnen worden gezien worden als een ‘indirect gevolg’ van het handelen van strijdende partijen en moeten bij de beoordeling worden betrokken.\n\n12.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000, zoals dat luidde tot 12 januari 2026, in ieder geval de volgende elementenin samenhang weegt:\n\n• de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\n• de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\n • de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\n • de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\n• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\n• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n12.2.. \n\nDe Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:\n\n (1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;\n\n (2) de recente confrontaties;\n\n(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en\n\n(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.\n\n12.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, zoals genoemd in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000, het arrest CF en DNen de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister verwezen naar één van deze uitspraken. Uit de daarbij behorende ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld de onder 12.1. genoemde elementen heeft meegewogen. Verder is in de brief per provincie aangegeven welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van landmijnen en explosieve oorlogsresten, recente ontwikkelingen in de Rode Zeeen de aantallen ontheemden.Verder is in de briefen de daaraan ten grondslag liggende bijlageningegaan op de humanitaire situatie in Jemen, inclusief de omstandigheden die indirect voortvloeien uit het handelen en nalaten van de strijdende partijen. Deze aspecten zijn daarnaast besproken in de verweerschriften, ook specifiek voor de situatie in Aden. Anders dan eiser betoogt is deze beoordeling volledig en komt deze tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Voor de omvang van de mee te wegen humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 19 mei 2026, waarin is ingegaan op het vereiste causale verband tussen willekeurig geweld en schade als gevolg van humanitaire omstandigheden. Tegen die achtergrond bestond voor de minister geen aanleiding de humanitaire omstandigheden verdergaand in de beoordeling te betrekken, zoals door eiser bepleit, bijvoorbeeld door ook de effecten van de oorlog op de economie en de gevolgen daarvan voor burgers mee te wegen. De rechtbank verwijst ook naar haar eerdere uitspraak van 5 februari 2026.De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister een te lage gradatie van het willekeurig geweld aangenomen?\n\n13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft aangenomen dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Eiser is in dit verband zowel ingegaan op de veiligheidssituatie in de provincie Taiz als Aden. Ten aanzien van Aden voert eiser aan dat de situatie eind 2025 en begin 2026 wezenlijk is gewijzigd, doordat de STC als machtsfactor grotendeels is weggevallen en kantoren zijn gesloten, waardoor de toekomstige veiligheidssituatie onzeker is. Deze recente ontwikkelingen zijn volgens eiser niet meegenomen in het ambtsbericht of het huidige beleid. De minister moet hierover een standpunt innemen, mede in het licht van de mogelijke invloed van de spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran op het conflict in Jemen.\n\n13.1.. Uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, de daadwerkelijke bestemming in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. In dit geval is dat de provincie Aden, waar eiser van 2020 tot en met 2023 heeft gewoond en gewerkt. Dat Aden niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt omdat eiser daarheen zou zijn gevlucht en het dus geen vrijwillige keuze was, heeft de minister terecht niet gevolgd. Eiser heeft in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij na het afronden van zijn studie in 2020 naar Aden is vertrokken.Dat dit een vlucht zou zijn geweest volgt nergens uit. Gelet hierop dient het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn beoordeeld te worden in de context van de provincie Aden. Dat de familie van eiser in de provincie Taiz woont, maakt het voorgaande niet anders.\n\n13.2.. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd over de situatie in de provincie Taiz. Ook bestaat geen aanleiding om de beroepsgrond te bespreken dat Aden ten onrechte als beschermingsalternatief voor een persoon uit Taiz zou zijn aangemerkt, alleen al omdat de minister een dergelijk beschermingsalternatief niet aan eiser heeft tegengeworpen.\n\n13.3.. De minister heeft in zijn beleid voor de provincie Aden geen uitzonderlijke situatie aangenomen waarbij een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid in Aden al te vrezen heeft voor een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. De uitleg hiervan staat in de twee bijlagen die aan de brief van de minister van 8 oktober 2025 ten grondslag liggen. De minister heeft dit in de verweerschriften nader toegelicht.\n\n13.4.. \n\nDe rechtbank volgt de minister in dit standpunt. De rechtbank acht van belang dat uit de ambtsberichten van september 2023 en april 2025 volgt dat sinds april 2022 een bestand van kracht is, dat sinds oktober 2022 feitelijk wordt voortgezet. Hoewel lokaal geweld, mensenrechtenschendingen en een precaire humanitaire situatie blijven bestaan, blijkt uit deze ambtsberichten en de door de minister genoemde gegevens van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED)dat het aantal vijandelijkheden sinds 2022 aanzienlijk is afgenomen en het aantal burgerslachtoffers is gedaald.De gevechtshandelingen concentreren zich vooral langs de bestandslijnen en niet in de nabijheid van Aden. Sinds 2019 hebben zich in Aden geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan. Wel vinden incidenteel gewapende incidenten plaats, maar het aantal burgerslachtoffers is beperkt gebleven. Volgens ACLED zijn tussen 1 maart 2025 en 18 februari 2026 275 veiligheidsincidenten geregistreerd, waarvan 56 onder de categorie ‘political violence’ vielen, met in totaal 15 dodelijke slachtoffers, onder wie vier burgers. De rechtbank acht dit aantal, afgezet tegen de omvang van de bevolking, beperkt, hetgeen volgens het Hof van Justitie een relevante factor vormt bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld.\n\nOok heeft de minister de door eiser genoemde recente ontwikkelingen in Aden voldoende in de beoordeling betrokken. De STC en regeringsstrijdkrachten raakten met elkaar in conflict, waarna de situatie eind 2025 veranderd is. De STC is formeel opgeheven en gebieden\n\nvoorheen onder controle van de STC, staan nu grotendeels onder controle van\n\nde internationaal erkende regering. Deze verschuiving in de machtsverhouding heeft niet tot een wezenlijke wijziging van de veiligheidssituatie in Aden geleid.\n\nDaarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in Aden geen significante problematiek met landmijnen bestaat en dat actieve ontmijningsprogramma’s worden uitgevoerd, zoals Project Masam en Halo Trust.\n\nVerder volgt uit het ambtsbericht van april 2025 dat Aden niet behoort tot de provincies waar in 2024 nieuwe ontheemding heeft plaatsgevonden als gevolg van het conflict.\n\nWat betreft de humanitaire situatie geldt dat Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebiedenen dat de toegankelijkheid van hulp in 2024 licht is verbeterd. Ook heeft de minister erop gewezen dat uit de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de wapenstilstand in de zuidelijke provincies van Jemen, zoals Aden, heeft geleid tot betere toegang van hulporganisaties tot hulpbehoevenden.Voor zover eiser heeft gewezen op de humanitaire situatie, merkt de rechtbank nog op dat de Afdeling eerder heeft overwogen dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n13.5.. Uit het voorgaande volgt dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in de provincie Aden niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld (‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’), als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De rechtbank acht het daarom niet onjuist dat de minister voor deze provincie een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt dus niet.\n\nLoopt eiser een verhoogd risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n14. Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\n14.1.. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestond, zoals eiser betoogt, om hem aanvullend te horen over zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden. Tijdens het nader gehoor is hem om een toelichting gevraagd waarom juist hij in verband met de algemene situatie in Jemen een risico loopt.Bovendien heeft eiser de gelegenheid gehad om deze persoonlijke omstandigheden naar aanleiding van het voornemen in de zienswijze naar voren te brengen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024, leidt niet tot een ander oordeel.\n\n14.2.. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel eiser aangeeft dat Jemen onveilig is, heeft hij ook expliciet aangegeven dat hij persoonlijk niets heeft meegemaakt.Ook zijn eisers afkomst, de omstandigheid dat in 2016 een poging is gedaan hem te rekruteren en zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland geen risicoverhogende omstandigheden, nog afgezien van de vraag of het bij deze omstandigheden niet gaat om het risico om slachtoffer te worden van gericht, en dus niet willekeurig, geweld. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen onder 5 tot en met 7. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs uitzetting wegens de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM?\n\n15. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Jemen terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. In dat verband heeft eiser gewezen op het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011 van het EHRM.\n\n15.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat voor de vraag of uitzetting zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de slechte humanitaire omstandigheden in het betreffende land, onder meer de oorzaken voor die humanitaire omstandigheden van belang zijn.Als die omstandigheden in overwegende mate het gevolg zijn van armoede of de onmacht van de autoriteiten in het land van herkomst om met natuurlijk optredende omstandigheden om te gaan, is slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden (‘very exceptional cases’), sprake van een schending. Deze omstandigheden moeten dan overtuigend (‘compelling’) zijn. Hierbij verwijst het Hof naar het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk.Wanneer de slechte humanitaire omstandigheden echter in overwegende mate het gevolg zijn van het doelbewust handelen of nalaten van de autoriteiten of niet-statelijke actoren in een land, moet de minister beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’), zoals voedsel, hygiëne en onderdak, en moet de minister rekening houden met eventuele kwetsbaarheid voor misbruik en met het zicht op verbetering van eisers situatie binnen een redelijke termijn. Dit is het criterium zoals gehanteerd in het arrest M.S.S. tegen België.\n\n15.2.. De rechtbank stelt vast dat in Aden sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie en deze is naar het oordeel van de rechtbank in overwegende mate het gevolg van het jarenlange conflict in Jemen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dat niet het geval zal zijn. Zoals hiervoor onder 5.2. overwogen beschikte eiser in Aden over huisvesting, voorzag hij in zijn levensonderhoud door te werken als assistent accountant en kon hij op normale wijze aan de Jemenitische samenleving deelnemen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat bij terugkeer niet opnieuw zou kunnen. De rechtbank betrekt daarbij dat, zoals hiervoor onder 13.3 is overwogen, hulporganisaties aanwezig zijn in Jemen, in het bijzonder ook in Aden, de toegankelijkheid van hulp in 2024 is verbeterd en Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebieden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep tegen het besluit van 19 september 2024 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 19 september 2024;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. T.G. Noordhof en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n Zie aanmeldgehoor, p. 5.\n\n De STC is separatistenbeweging in Zuid-Jemen, opgericht in 2017 met steun van de Verenigde Arabische Emiraten. Ze streven naar herstel van een onafhankelijke Zuid-Jemenitische staat en had jarenlang de feitelijke controle over onder meer Aden. Eind 2025 en begin 2026 zijn de machtsverhoudingen verschoven na conflicten met regeringsstrijdkrachten. Daarbij is de STC formeel opgeheven en zijn de meeste gebieden overgegaan naar de internationaal erkende regering.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 5 en zienswijze, p. 2 onder punt 5.\n\n Aanmeldgehoor, p. 4.\n\n Ambtsbericht over Jemen van september 2023 , p. 26.\n\n Aanmeldgehoor, p. 10.\n\n Eiser verwijst naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.\n\n Hierop gaat de rechtbank onder 6.3 in.\n\n Dit bespreekt de rechtbank onder 14.1 en 14.2.\n\n Pagina 6.\n\n Pagina 7.\n\n Pagina 2.\n\n Pagina 8.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6.\n\n HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.\n\n ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.\n\n Dit is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n Brief minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025\u002F2 (5 februari, Stcrt. 2025, nr. 3204) en de verwerking daarvan in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000.\n\n Vóór het arrest X en Y was dit het enige niveau dat erkend werd in het Nederlandse beleid ten aanzien van ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, welk standpunt door het arrest niet meer houdbaar was.\n\n Zie WBV 2016\u002F18 en (laatstelijk) WBV 2022\u002F26.\n\n Stcrt. 2024, nr. 13067.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.\n\n HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43.\n\n TK 2025-2026, 19 637, nr. 3489.\n\n P. 2 en 4 tot en met 6.\n\n P. 2, 5 en 8.\n\n P. 8 tot en met 10.\n\n P. 2 en 3.\n\n Bijlage 15c-beoordeling: p. 1, 3, 4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.\n\n Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595, onder 9 en 11.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:2066, onder 8.4.3.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.\n\n Aanmeldgehoor, p. 5.\n\n [website].\n\n Ambtsbericht 2025, p. 17-19.\n\n Zie het arrest CF en DN, onder 31.\n\n Zie paragraaf 1.2 ‘Leefomstandigheden’ van het ambtsbericht.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 5.8.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.\n\n Punt 42 van het arrest.\n\n Nader gehoor, p. 5.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.\n\n Nader gehoor, p. 5.\n\n EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Onder 278 tot en met 283.\n\n EHRM 27 mei 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505.\n\n EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18471","ecli-nl-rbdha-2026-18471",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]