ECLI:NL:RBDHA:2026:18485
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/1570uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).
Inleiding
In het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is op 11 november 2022 Nederland ingereisd. Op 29 juni 2023 heeft hij kenbaar gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Op 5 juli 2023 is hij in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag te ondertekenen.
2. Op 8 mei 2025 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren in Riyad, Saoedi-Arabië, en dat hij daar tot aan zijn vertrek op 9 november 2022 heeft gewoond. Ook heeft hij verklaard dat een reisbureau voor hem het Schengenvisum heeft geregeld waarmee hij Nederland is ingereisd, en de verblijfplaats bij een onbekende in Nederland waar hij heeft verbleven in de periode totdat hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Verder heeft eiser verklaard dat hij Saoedi-Arabië heeft verlaten omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt, geen nieuwe baan kon vinden en zijn verblijfsvergunning ging verlopen. Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Jemen omdat hij daar niemand kent, omdat er een gewapende strijd gaande is en omdat hij gedwongen gerekruteerd zou kunnen worden door de Houthi’s. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij niet behoort tot een stam en dat hij de stroming Al-Wahabi binnen de Islam aanhangt, en dat dit grote obstakels zijn voor een leven in het huidige Jemen. Ook heeft eiser verklaard dat er zich in Jemen een wraakconflict afspeelt waarbij veertien leden van zijn familie zijn gedood.
De standpunten
3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw), omdat eiser niet zo snel mogelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder worden mensen die niet bij een stam horen en die de stroming Al-Wahabi aanhangen in Jemen niet vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar Jemen volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er in Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld is zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt waarom hij denkt te zullen worden gerekruteerd en hij heeft ook nooit eerder een oproep ontvangen. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het wraakconflict en niet concreet gemaakt waarom hij daarvoor te vrezen heeft, aldus verweerder. De slechte humanitaire omstandigheden in Jemen spelen hierbij volgens verweerder geen rol, omdat niet gebleken is dat deze door de strijdende partijen als oorlogsmethode worden ingezet. Het bestreden besluit geldt niet als terugkeerbesluit. Aan eiser is namelijk in afwachting van de definitieve beoordeling voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen. Op 14 juni 2025 heeft eiser een arrestatiebevel overgelegd van het Jemenitische Openbaar Ministerie van 14 januari 2019, waarin staat dat hij wordt gezocht wegens godsdienstschendingen.
5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd naar welke regio binnen Jemen hij zou moeten terugkeren.
6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025 (AAB). Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in een aantal delen van Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, in een aantal delen een relatief lager niveau van willekeurig geweld en in een aantal delen geen van beiden. Hierbij is niet alleen gekeken naar de aantallen dodelijke slachtoffers en zijn de humanitaire omstandigheden in voldoende mate betrokken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat van eiser kan worden verwacht dat hij zelf zijn vertrek naar Jemen voorbereidt, en dat het voor de hand ligt dat hij terugkeert naar een gedeelte van het land waar geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl.
7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder zal worden ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Het beoordelingskader
8. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser.
9. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade.
10. Verweerder heeft in onderdeel C2/3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:
de vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,
de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
11. In het arrest van het HvJEU van 10 juni 2021 in de zaak CF en DN, ECLI:EU:C:2021:472, is uiteengezet welke omstandigheden moeten worden meegewogen bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een ‘ernstige en individuele bedreiging’ zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl. Het HvJEU heeft daarbij onder meer overwogen dat de daadwerkelijke bestemming van de verzoeker daarbij moet worden betrokken (punt 43).
12. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.
De toepassing
13. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025/20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende.
14. Verweerder heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zelf bepaalt naar welk gebied binnen Jemen hij terugkeert. Dit is immers in strijd met punt 43 van het arrest CF en DN zoals hiervoor onder 11 aangehaald. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank nog het volgende.
15. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 12 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.
16. Daarnaast is het WBV 2025/20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat.Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden.
17. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van de door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden over deze individuele elementen.
De conclusie en de gevolgen
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025, en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Ook zal verweerder deze nieuwe beoordeling moeten relateren aan het gedeelte van Jemen waarnaar eiser volgens hem moet terugkeren. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in dit gedeelte van Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder daarbij opnieuw moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en niet ongeloofwaardig geachte individuele elementen: het niet behoren tot een stam, het ontbreken van een netwerk in Jemen, het aanhangen van de geloofsstroming Al-Wahabi, het familiaire wraakconflict, het profiel dat kan leiden tot gedwongen rekrutering en het overgelegde arrestatiebevel.
19. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 15 mei 2025;
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het betreft met name:
ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026.
Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026.
Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026.
Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026.
UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025.
NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025.
Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025.
CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.