ECLI:NL:RBDHA:2026:18494
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.34569, NL26.33949 en NL26.34523
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. F. Schoot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser voert tegen de bestreden besluiten een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook gaat de rechtbank in op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Er is ook geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 juni 2026 heeft de minister eiser gedurende ruim vier uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Vervolgens heeft de minister de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring
in kennis gesteld.
2.1.. Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaringen heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit en inreisverbod
3. De rechtbank constateert dat het terugkeerbesluit en inreisverbod deel uitmaken van het meeromvattende (asiel)besluit van 11 mei 2026. Omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken is dat besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 18 mei 2026, waarmee het besluit op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Eiser had een week de tijd om tegen dat besluit beroep in te stellen, maar hij heeft pas beroep ingesteld op 22 juni 2026. Eiser heeft dus niet tijdig beroep ingesteld.
3.1.. Eiser stelt dat het niet aan hem te wijten is dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, omdat het besluit niet aan hem in persoon is uitgereikt.
3.2.. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Dat het besluit van 11 mei 2026 niet aan eiser in persoon is uitgereikt, is een logisch gevolg van het feit dat eiser destijds al met onbekende bestemming was vertrokken. Door publicatie in de Staatscourant moet eiser worden geacht toch op de hoogte te zijn van dat besluit. Dat eiser in werkelijkheid geen kennis heeft genomen van het besluit komt voor zijn rekening en risico. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3.3.. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Ook als eiser wel tijdig beroep zou hebben ingesteld zou dat in deze procedure niet hebben kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling, nu het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod moet worden gezien als een beroep tegen het meeromvattende besluit van 11 mei 2026. Het terugkeerbesluit en inreisverbod maken daar immers deel van uit. De in artikel 94 van de Vw gestelde korte termijnen staan aan een zorgvuldige toetsing door de rechtbank van een meeromvattende beschikking samen met een maatregel van bewaring in de weg.
Beoordeling door de rechtbank van de ophouding
4. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1..
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59 van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Ook worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Volgens eiser maakt dit gebrek de maatregel onrechtmatig en is er ook aanleiding om in dat verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders noch willekeurig.
3.4.. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.34523)
niet-ontvankelijk;
verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.34506) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.34569) ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit en inreisverbod bedraagt die termijn vier weken.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Stcrt.2026, 18598.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)
van 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.
ECLI:NL:RVS:2019:1528.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.