ECLI:NL:RBDHA:2026:18518
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Den Haag
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/699338 / HA ZA 26-156
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 16 juni 2026
in de zaak van:
ZORGBOODSCHAP B.V.te Sassenheim,
eiseres in conventie,
verweerster in voorwaardelijke reconventie,
hierna: Zorgboodschap,
advocaat: mr. M. Teekens,
tegen
EETGEMAK B.V.te Katwijk,
gedaagde in conventie,
eiseres in voorwaardelijke reconventie,
hierna: Eetgemak,
advocaten: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté en mr. T. Minovic.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 16 december 2025, met producties 1 tot en met 22;
de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3;
de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties 23 t/m 32;
het tussenvonnis van 29 april 2026, waarin een mondelinge behandeling is bevolen.
1.2.. Op 16 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen:
de heer [naam 1] (gevolmachtigde) namens Zorgboodschap, bijgestaan door mr. Teekens voornoemd en mr. D.I. Klein Hesseling;
de heren [naam 2] (bestuurder), [naam 3] (commissaris) en [naam 4] (oud-CEO) namens Eetgemak, bijgestaan door mr. I.M. Brafine en mr. D.H. Tilanus (waarnemend voor de advocaten voornoemd).
1.3.. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling, mede aan de hand van de overgelegde pleitnota’s, hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank, na een schorsing, in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het ter zitting verhandelde.
2. De beoordeling
2.1..
Partijen werken sinds langere tijd met elkaar samen. Deze samenwerking houdt, in de kern genomen, in dat Eetgemak maaltijden of maaltijdcomponenten produceert en levert aan Zorgboodschap en dat Zorgboodschap deze distribueert aan haar eindklanten (zorginstellingen). Zorgboodschap treedt daarbij op als contracthouder met de eindklant. Een uitzondering vormt de samenwerking met Florence, in die zin dat Eetgemak met Florence wel een rechtstreekse contractuele relatie heeft en maaltijden rechtstreeks produceert voor Florence. Voorheen verzorgde Zorgboodschap in opdracht van Eetgemak in dit kader wel nog diverse diensten, zoals de orderverwerking, logistiek en facturering. Medio 2025 heeft Eetgemak aan Zorgboodschap echter laten weten dat zij per
29 september 2025 overgaat tot directe levering aan Florence, dus zonder verdere afname van de diensten van Zorgboodschap. Ook heeft Eetgemak aan Zorgboodschap laten weten dat zij overgaat tot een productiestop aan een aantal klanten. Zorgboodschap heeft tegen deze wijzigingen in de samenwerking bezwaar gemaakt. Nadat overleg tussen partijen niet tot een oplossing heeft geleid, heeft Zorgboodschap Eetgemak eind september 2025 aansprakelijk gesteld voor haar schade op grond van (opzettelijk) toerekenbaar tekortschieten en daaruit voortvloeiend onrechtmatig handelen. In deze procedure is in dit verband een verklaring voor recht gevraagd met verwijzing naar de schadestaatprocedure.
2.2.. Vast staat dat tussen partijen geen mondelinge of schriftelijke samenwerkingsovereenkomst bestaat waarin de verplichtingen van partijen over en weer zijn vastgelegd. Ook staat vast dat de samenwerking tussen partijen niet exclusief is. Partijen hebben hierover op enig moment wel gesproken, maar deze gesprekken hebben niet tot een overeenkomst geleid. De samenwerking tussen partijen heeft dus een flexibel karakter en tussen partijen gelden alleen de ‘day-to-day’ afspraken.
2.3.. Tussen partijen is in geschil of hun samenwerkingsrelatie kwalificeert als een duurovereenkomst. Het antwoord op deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Ook als ervan wordt uitgegaan dat sprake is van een duurovereenkomst, gaat het om de vraag wat er tussen partijen is afgesproken. Dat er gedurende een bepaalde termijn door Eetgemak zou worden geleverd en/of dat er een volumeafspraak is gemaakt, is door Eetgemak betwist en in het licht daarvan onvoldoende door Zorgboodschap onderbouwd. Dit betekent dat, ook als sprake zou zijn van een duuroverkomst, die overeenkomst volgens vaste rechtspraak kan worden opgezegd. Dat is hier ook gebeurd. Het feit dat dit slechts een gedeeltelijke opzegging betrof maakt dit niet anders. Een overeenkomst kan namelijk ook gedeeltelijk worden beëindigd. Of de overeenkomst tussen partijen al dan niet moet worden aangemerkt als een aannemingsovereenkomst maakt daarbij niet uit. Ook als sprake zou zijn van aanneming van werk, volgt uit die overeenkomst niet dat partijen hebben afgesproken dat een bepaald volume zou worden geleverd. Ook dan geldt dat tussen partijen slechts is geregeld dat door Eetgemak van tijd tot tijd maaltijden zouden worden geleverd en dat niet is gebleken dat er verdere afspraken tussen partijen gelden.
2.4.. Zoals gezegd kan een duurovereenkomst worden opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat, zoals hier ook is gevorderd, een schadevergoeding moet worden betaald. Zorgboodschap heeft in dit geval echter onvoldoende onderbouwd dat er aanleiding is voor het voldoen van een schadevergoeding door Eetgemak. Voor de stelling van Zorgboodschap dat er tussen partijen ‘back-to-back’ afspraken zijn gemaakt op grond waarvan voor Eetgemak wel een leveringsverplichting of volumeafspraak gold voor de duur van de verplichtingen van Zorgboodschap richting haar eindklanten, zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden en Eetgemak heeft dit betwist, zodat van dergelijke afspraken niet kan worden uitgegaan. Dit betekent dat Eetgemak, voor zover er sprake is van een duurovereenkomst, de samenwerking (tussentijds) heeft mogen opzeggen zonder daarbij schadeplichtig te zijn.
2.5.. In het voorgaande is er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat er een duurovereenkomst tussen partijen bestaat. Als van een dergelijke overeenkomst geen sprake zou zijn, mocht Eetgemak de samenwerking (gedeeltelijk) sowieso eenzijdig beëindigen.
2.6.. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen sprake is van een tekortkoming onder een (duur)overeenkomst, aangezien die overeenkomst rechtmatig is beëindigd.
2.7.. Zorgboodschap heeft zich ook beroepen op zorgvuldigheidsverplichtingen die in het kader van de bestendige samenwerkingsrelatie op Eetgemak zouden rusten. Onduidelijk is echter op welke concrete verplichtingen Zorgboodschap hiermee doelt, buiten de eisen van redelijkheid en billijkheid die hiervoor al zijn meegenomen. Dat daarnaast nog een andere zorgvuldigheidsverplichting voor Eetgemak geldt, is door Eetgemak betwist en onvoldoende door Zorgboodschap onderbouwd. Er kan dus ook geen tekortkoming onder een zorgverplichting worden aangenomen.
2.8.. Omdat Eetgemak niet is tekortgeschoten, is ook geen sprake van een onrechtmatige daad. Voor zover Zorgboodschap heeft betoogd dat ook buiten het gestelde toerekenbaar tekortschieten sprake is van een onrechtmatige daad is dat betoog onvoldoende onderbouwd. Hierbij overweegt de rechtbank dat Zorgboodschap haar stelling dat Eetgemak de samenwerking niet (gedeeltelijk) had mogen beëindigen onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Daarbij speelt mee dat partijen bewust geen exclusiviteit hebben afgesproken. Dat Zorgboodschap onder deze omstandigheden niet kon verwachten dat Eetgemak tot beëindiging zou overgaan is onvoldoende toegelicht.
2.9.. Met betrekking tot Florence geldt dat het bestaan van de door Zorgboodschap gestelde compensatieafspraak (in die zin dat Zorgboodschap hoe dan ook aanspraak kon maken op 25% van de door Eetgemak behaalde omzet) door Eetgemak gemotiveerd is betwist. Volgens haar betrof deze vergoeding slechts een vergoeding voor de door Zorgboodschap in het kader van de relatie met Florence geleverde diensten. In het licht van deze betwisting heeft Zorgboodschap onvoldoende onderbouwd dat Eetgemak op andere wijze, dus los van de geleverde diensten, nog een vergoeding aan haar verschuldigd is. Nu de diensten die in dit kader van Zorgboodschap werden afgenomen zijn gestopt, is Eetgemak niet langer gehouden de voorheen voor die diensten afgesproken vergoeding aan Zorgboodschap te betalen. Dat de compensatievergoeding een andere regeling inhield, is de rechtbank niet duidelijk geworden.
2.10.. De slotsom is dat alle vorderingen in conventie worden afgewezen. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vordering in reconventie. Die vordering is namelijk ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank tot toewijzing van de vorderingen in conventie zou komen.
2.11.. Zorgboodschap is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eetgemak worden begroot op een bedrag van € 2.209 (€ 714 aan griffierecht en € 1.306 (2 punten x € 653) aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.12.. Aangezien de rechtbank niet toekomt aan de reconventie, is er geen aanleiding om een proceskostenveroordeling in reconventie uit te spreken.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.. wijst de vorderingen van Zorgboodschap af;
3.2.. veroordeelt Zorgboodschap in de proceskosten van € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als Zorgboodschap niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.. veroordeelt Zorgboodschap tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 29 juni 2026.
WAARVAN PROCES-VERBAAL