[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18522":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18522":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1249","ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","",58,"Den Haag","den-haag","2026-07-07T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F132083-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 oktober 2025 en 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tekst van de tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\nAan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op of omstreeks:\n\n1. maart 1990 te Bodegraven [slachtoffer] heeft verkracht;\n\n2. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;\n\n3. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen van categorie I onder 7°van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.\n\n3. De verweren van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie om twee redenen, beide afzonderlijk en in samenhang bezien niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, de verkrachting van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat het onder feit 1 tenlastegelegde zou zijn verjaard en subsidiair aangevoerd dat de verdenking jegens de verdachte en het daarna verzamelde bewijsmateriaal uitsluitend het gevolg is geweest van onrechtmatig bewaard, gedeeld en gebruikt DNA-materiaal van de verdachte. Het subsidiair aangevoerde zou, indien het Openbaar Ministerie al ontvankelijk is, volgens de verdediging moeten leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat op het gebruik van dit DNA-materiaal is gebaseerd.\n\nTen aanzien van de verjaring\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging gaat, met het Openbaar Ministerie, uit van 30 maart 1990 als pleegdatum van het feit. Ten tijde van de pleegdatum gold voor verkrachting een verjaringstermijn van vijftien jaar. Het primaire standpunt van de verdediging is dat op 30 maart 1990 (de dag van aangifte) een verjaringstermijn is aangevangen van vijftien jaar en dat als gevolg daarvan het feit is verjaard per 30 maart 2005, dat is voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2006 waarmee de verjaringstermijn gewijzigd is naar twintig jaar (Stb. 2005, 595).\n\nBij wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) is artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zo gewijzigd dat de termijn voor verjaring van zedenmisdrijven jegens minderjarigen pas aanvangt op de dag na de dag dat het slachtoffer achttien jaar wordt. Volgens de verdediging heeft deze wetswijziging in dit geval geen werking. Een wetswijziging die het aanvangsmoment van een reeds lopende verjaring verlegt staat volgens haar op gespannen voet met het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel. Een dergelijke wijziging van het aanvangsmoment is volgens de verdediging daarom alleen mogelijk in situaties waarin dit expliciet de bedoeling was van de wetgever. Volgens de verdediging was de bedoeling van de wetgever met de wetswijziging van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) om minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven te beschermen die vanwege een afhankelijkheids- of gezinsrelatie niet zelfstandig aangifte konden doen vóór zij de leeftijd van achttien jaren hadden bereikt. Van deze situatie is volgens de verdediging geen sprake in de onderhavige zaak, aangezien er reeds in 1990 aangifte is gedaan van de verkrachting. Om die reden zou volgens de verdediging het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel met zich brengen dat het aanvangsmoment van de verjaring niet gewijzigd is en dat het feit daarmee is verjaard.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de reeds aangevangen verjaringstermijn is gestuit door een daad van vervolging (te weten tegen de broer van de verdachte) in de jaren negentig. Als gevolg van deze stuiting zou (ook) jegens de verdachte een nieuwe verjaringstermijn zijn aangevangen van maximaal tweemaal vijftien jaar en zou het feit ook zijn verjaard.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet is verjaard en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van dit feit.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank neemt als uitgangspunt de wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529, inwerkingtreding 1 september 1994) waarbij artikel 71 Sr zodanig is gewijzigd dat de verjaringstermijn voor het onderhavige strafbare feit eerst aanvangt op de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. De door de verdediging bepleite “redelijke wetsuitleg”, inhoudende dat deze wet uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin vóór het achttiende levensjaar nog geen aangifte was gedaan door of namens het slachtoffer leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de onredelijke situatie dat de verjaring afhankelijk wordt gemaakt van het feit of er wel of geen aangifte is gedaan. De wetgever heeft, blijkens de memorie van toelichting op de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529), geciteerd in bijlage 2 bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2025, blz. 17 n. 3, juist een eenduidige verjaringstermijn met een objectief vast te stellen aanvangsmoment willen hanteren voor alleminderjarige slachtoffers van een zedendelict. Hierom gaat de rechtbank ervan uit dat de op 30 maart 1990 aangevangen verjaring op 1 september 1994 met terugwerkende kracht is aangevangen per 20 juli 1993, de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. Het door de verdediging aangevoerde rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel gaat in deze situatie niet op, nu er geen sprake is van een reeds voltooide verjaring. Door (tijdige) verlenging van de verjaringstermijn naar twintig jaar bij wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) is eveneens de wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) van toepassing, zodat het onderhavige strafbare feit thans niet meer verjaart.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande onverkort in de door de verdediging gestelde situatie dat door een daad van vervolging jegens een ander (en wel de broer van de verdachte) sprake zou zijn geweest van stuiting van de verjaring. Dit betoog ziet er immers aan voorbij dat de derdenwerking van stuiting van de verjaring, zoals thans in het eerste lid van artikel 72 Sr vastgelegd, pas bij de eerdergenoemde wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595; inwerkingtreding 1 januari 2006) is ingevoerd – dezelfde wet waarbij de verjaringstermijn tot 20 jaar is verlengd. Zelfs indien er daarom van moet worden uitgegaan dat de verjaring door de aanhouding van de broer van de verdachte op 1 september 1990 is gestuit en dat die stuiting met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 ook jegens verdachte zou werken, dan geldt nog dat de bij diezelfde wet tot 20 jaar verlengde verjaringstermijn een maximale vervolgingstermijn niet van 30 jaar, zoals de verdediging stelt, maar van 40 jaar met zich brengt. Daaruit volgt in elk geval, nog afgezien van de gevolgen van de algehele afschaffing van de verjaring bij wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) dat de vervolgingstermijn op zijn vroegst op 30 maart 2030 zou expireren.\n\nHet recht tot strafvervolging van het Openbaar Ministerie is dus niet vervallen. Het Openbaar Ministerie is derhalve in zoverre ontvankelijk in de vervolging van feit 1, zodat de rechtbank het primaire verweer van de verdediging verwerpt.\n\nTen aanzien van het onrechtmatig bewaren, delen en gebruiken van het DNA-materiaal\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, aangezien de verdenking jegens de verdachte uitsluitend is ontstaan als gevolg van het onrechtmatig bewaren en delen van DNA-materiaal van de verdachte door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en het onrechtmatig gebruik maken van deze (en hieruit voortvloeiende) informatie door de Nederlandse autoriteiten.\n\nDaartoe voert de verdediging aan dat het DNA-materiaal van de verdachte reeds in 2010 uit de databank van het Verenigd Koninkrijk verwijderd had moeten worden en dat zijn DNA-materiaal niet binnen de Prüm-samenwerking gedeeld had mogen worden. Het DNA-materiaal is echter niet verwijderd en wel gedeeld, zodat er op 8 maart 2022 een DNA-match heeft plaatsgevonden tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Volgens de verdediging is daarmee sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte. Deze schending is op zichzelf een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.\n\nDaarbij komt dat, volgens de verdediging, de Nederlandse autoriteiten de uit het DNA-materiaal afkomstige informatie, niet mochten gebruiken om de vervolging van de verdachte te starten en verder bewijs te verzamelen. Door toch uit te gaan van deze informatie, is er volgens de verdediging sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces van de verdachte in de zin van artikel 6 EVRM. Ook hierom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1. Subsidiair zou om dezelfde redenen al het op deze onrechtmatigheid gebaseerde materiaal van het bewijs moeten worden uitgesloten.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse autoriteiten slechts gebruik gemaakt hebben van rechtmatig verkregen sturingsinformatie, die aanleiding was voor het ontstaan van de verdenking tegen de verdachte. Het verdere opsporingsonderzoek is gebaseerd op het nadien – vrijwillig – afgegeven DNA van de verdachte. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van feit 1 en bewijsuitsluiting is niet aan de orde.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de beoordeling van het tweede door de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.\n\nDe toepassing van artikel 359a lid 1 Sv is dus onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” in de zin van art. 132 Sv tegen de verdachte. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) heeft de Hoge Raad overwogen dat deze begrenzing niet uitsluit dat een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a lid 1 Sv ligt. In dit verband is door de Hoge Raad expliciet benoemd de situatie waarin het onderzoek is verricht onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit van een andere tot het EVRM toegetreden staat. De Nederlandse strafrechter mag in dat geval onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Als aan deze toets is voldaan, hoeft de strafrechter ook in het geval van een inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht geen rechtsgevolgen aan de inbreuk te verbinden (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Evenwel behoort het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels en dus of er in het desbetreffende land al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoekshandelingen. De rechtbank let hierbij ook op de overwegingen van de Hoge Raad over het in het kader van het EVRM geldende vertrouwensbeginsel.\n\nUit de stukken van het Joint International Crime Centre (hierna: JICC) volgt dat het DNA-materiaal van de verdachte in 2010 verwijderd had moeten worden uit de databank in het Verenigd Koninkrijk (p. 429 en 430 van het procesdossier). Dat is niet gebeurd. Het bewaarde DNA-materiaal is door de Britse autoriteiten vervolgens gedeeld binnen de Prüm-databank, waarna op 8 maart 2022 een DNA-match plaatsvond tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Het JICC heeft mededeling gedaan van het onderzoeksresultaat van de DNA-match aan de Nederlandse autoriteiten, onder vermelding van de personalia van de verdachte.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het DNA-materiaal van de verdachte niet door het Verenigd Koninkrijk aan Nederland is verstrekt, en dat in zoverre geen gebruik is gemaakt van onrechtmatig bewaard DNA-materiaal van de verdachte. Het handelen van de Nederlandse autoriteiten is ingegeven op basis van ontvangen sturingsinformatie van de Britse autoriteiten. Het staat de Nederlandse autoriteiten vrij om wel of niet in te gaan op ontvangen informatie van buitenlandse autoriteiten. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is in zoverre geen sprake van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt reeds in zoverre verworpen.\n\nNiet in geschil is dat het DNA-materiaal van de verdachte onrechtmatig is bewaard in het Verenigd Koninkrijk en dat in zoverre sprake is van een vormverzuim. Omdat het handelen van de Britse autoriteiten niet valt onder “het voorbereidend onderzoek” als bedoeld in artikel 359a Sv, moet de rechtbank gelet op voormeld toetsingskader beoordelen of het gebruiken van het onderzoeksresultaat van de DNA-match (de sturingsinformatie) in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nNa ontvangst van de sturingsinformatie hebben de Nederlandse autoriteiten het opsporingsonderzoek heropend. De politie heeft op 13 mei 2025 telefonisch contact opgenomen met de verdachte, met de mededeling dat zij wilden afspreken in verband met een aanhouding ter zake van verkrachting. Op 14 mei 2025 heeft de verdachte zich vrijwillig bij de politie gemeld. Na het geven van de cautie heeft de verdachte een vrijwel volledige bekentenis afgelegd en vrijwillig DNA-materiaal afgestaan aan de Nederlandse autoriteiten. Dit DNA-materiaal is vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut getest en heeft een DNA-match opgeleverd met het referentiemateriaal in de onderhavige zaak. De verdachte heeft vervolgens onderzoekswensen kunnen indienen en op een openbare terechtzitting verantwoording kunnen afleggen en het aangeleverde bewijs mogen betwisten. Ter terechtzitting heeft de verdachte – nadat hem de cautie was gegeven – gepersisteerd bij zijn bekennende verklaring. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het proces van de verdachte in zijn geheel eerlijk is verlopen en dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het toepassen van enig in art. 359a Sv bedoeld rechtsgevolg, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verweren afzonderlijk dan wel in onderling verband beschouwd geen van alle kunnen leiden tot het oordeel dat een of meerdere onherstelbare inbreuken zijn begaan op het recht van verdachte op een eerlijk proces die tot gevolg moeten hebben dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, dan wel moeten leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van al het tenlastegelegde.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bestanddeel ‘door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’ niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft de rechtbank daarom verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 1. Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat een deel van de fysieke handelingen wel kan worden bewezen, verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het dreigen met neersteken met een mes.\n\nDaarnaast heeft de raadsman zich met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.\n\n4.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.\n\n4.4.. Bewijsoverweging feit 1\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Voor bewezenverklaring van verkrachting, als bedoeld in het in 1990 geldende artikel 242 Sr, moet komen vast te staan dat het slachtoffer door geweld of door bedreiging met geweld is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Onder geweld kan onder meer worden verstaan het aanwenden van fysieke kracht of het onverhoeds met kracht penetreren van de ander. Bedreiging met geweld zou erin kunnen bestaan dat de verdachte door zijn optreden de vrees opwekt dat hij zal overgaan tot geweld tegen het slachtoffer als het slachtoffer niet toegeeft. Het geweld en de bedreiging met geweld moet zwaar genoeg zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken.\n\nDe rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer consistent en coherent, en daarmee betrouwbaar. Ten overstaan van een getuige, de politie ter plaatse en tijdens het verhoor bij de politie heeft het slachtoffer gelijkluidend verklaard over wat zich heeft afgespeeld voor en tijdens de seksuele handelingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaringen binnen een zeer korte tijdsperiode (in de ochtend tot de vroege middag van 30 maart 1990) zijn afgelegd, zodat niet valt in te zien dat het slachtoffer haar verklaringen op andere zou hebben afgestemd of veranderd. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer.\n\nUit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt bij de pols, de bovenarm en het hoofd. Ook heeft de verdachte het slachtoffer naar de keuken geduwd en getrokken, zijn hand op haar mond geduwd, haar naar boven en naar de slaapkamer geduwd en op bed gegooid. Vervolgens is de verdachte boven op het slachtoffer gedoken, heeft haar joggingbroek uitgetrokken en haar onderbroek kapotgetrokken. Ook heeft de verdachte meerdere malen op dreigende toon tegen het slachtoffer gezegd dat hij haar zou neersteken met een mes als ze niet mee zou werken met de seksuele handelingen dan wel geluid zou veroorzaken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer in voldoende mate steun vinden in ander bewijs in het dossier. De buurvrouw, getuige [getuige] , verklaart net als het slachtoffer dat het gesprek met de verdachte begon over een telefoonnummer. Deze buurvrouw verklaart ook dat zij de deur hard hoorde dichtvallen, en dat de stem van het slachtoffer verheven, paniekerig en angstig klonk. Verder vinden de verklaringen van het slachtoffer steun in het kapotgetrokken slipje, dat door de politie is veiliggesteld en bemonsterd.\n\nDe rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer over de toegepaste geweldshandelingen en de geuite bedreigingen. Daaronder valt dus ook het dreigen met een mes. De rechtbank is van oordeel dat het geweld en de bedreigingen van dien aard zijn, dat zij voor het slachtoffer (een veertienjarig meisje dat thuis werd overrompeld) als genoegzame dwang tot het gedogen van het feit kunnen worden beschouwd.\n\nGelet op de hiervoor beschreven handelingen en bedreigingen waarmee de verkrachting heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de bestanddelen ‘door geweld en bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’, waaronder ook de bedreigingen met het mes, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1\n\nhij op 30 maart 1990 te Bodegraven door geweld en bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer] , geboren op 19 juli 1975, heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, bestaande uit het brengen\u002Fduwen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, (meermalen)\n\n- die [slachtoffer] (hard) bij de pols en de bovenarm en het hoofd heeft gepakt, en\n\n- die [slachtoffer] naar de keuken heeft geduwd en getrokken, en\n\n- zijn hand (hard) op de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd, en\n\n- die [slachtoffer] de trap op naar boven heeft geduwd en naar de slaapkamer heeft geduwd en op het bed heeft gegooid, en\n\n- bovenop (het lichaam van) die [slachtoffer] is gedoken, en\n\n- de (jogging)broek en de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en die laatstekapotheeftgetrokken, en\n\n- ( op dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “Als je nou nog een keer gilt, steek ik een mes tussen je ribben” en “Ik steek een mes tussen je ribben en dan ben je gelijk weg” en “Ik heb je toch gewaarschuwd! Je weet toch wat ik gezegd heb over dat mes dus eh…” en “Nou hou je je bek dicht want je weet wat ik over het mes heb gezegd” en “Je moet het niet tegen je moeder zeggen of tegen de buurvrouw of tegen de politie want als ik merk dat iemand naar je toekomt en je iemand gewaarschuwd hebt, steek ik een mes door je ribben heen en gebeuren er nare dingen en heel je familie gaat kapot”;\n\n2\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena,\n\n- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), van het merk FN, type Baby, kaliber 6.35mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en\n\n- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 19 stuks kogelpatronen (volmantel pistoolpatroon) van het kaliber .25 auto (6.35mm) voorhanden heeft gehad;\n\n3\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukgeweer, merk Double Eagle, model M38, kaliber 6mm, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden. Er zou, aldus de verdediging, geen enkele aanwijzing zijn dat de verdachte wist of behoorde te weten dat het enkele voorhanden hebben van dit object strafbaar was.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor alle feiten strafbaar is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVolgens vaste rechtspraak slaagt een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling\n\nslechts als aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een\n\nverontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van\n\nde hem verweten gedraging. Hiervan is in de regel slechts sprake indien de verdachte heeft vertrouwd op een, naar later blijkt, onjuist advies, onjuiste informatie van de overheid of wanneer hij in het geheel geen advies over de mogelijke strafbaarheid van de gedraging hoefde in te winnen. Door de verdachte zijn wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij het wapen in bezit heeft verkregen. Door deze wisselende verklaringen kan niet vastgesteld worden in welke veronderstelling de verdachte verkeerde bij het verkrijgen van het wapen. Naar oordeel van de rechtbank is daarom niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van het bezit van dit wapen. De verdachte is derhalve voor feit 3 strafbaar.\n\nDe verdachte is eveneens voor de feiten 1 en 2 strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De strafoplegging\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt – de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om ten aanzien van de feiten 2 en 3 verder geen straf op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in 1990 schuldig gemaakt aan verkrachting van een 14-jarig meisje in haar eigen woning. De verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jeugdige slachtoffer. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaring die zij op zitting heeft afgelegd blijkt dat de verkrachting – na 36 jaar – nog dagelijks impact heeft op haar leven. Zij heeft zich na de verkrachting niet meer veilig gevoeld in haar eigen woning en durft niet alleen thuis te zijn als er vreemde mensen langskomen. Een feit als het onderhavige is – kort gezegd – de nachtmerrie van iedere vrouw. Dit soort feiten zorgen dan ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en in onze samenleving als geheel. De verdachte heeft ervoor gekozen om ruim 35 jaar zijn mond te houden over hetgeen hij in maart 1990 had gedaan. Daarmee heeft hij het leed van het slachtoffer in niet onaanzienlijke mate vergroot en haar jaren in niet aflatende onzekerheid gelaten. Dat verdachte na zijn aanhouding onmiddellijk heeft bekend en herhaaldelijk, ook op zitting, spijt heeft betuigd, kan daar slechts in beperkte mate aan afdoen. Daarnaast zijn bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in 2025 een pistool, kogelpatronen en een veerdrukgeweer aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 1990 is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 september 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en dagbesteding.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) als vertrekpunt genomen. Daarin is als uitgangspunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en in het geval van verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. In dit geval neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden als vertrekpunt, aangezien de verdachte geweld heeft gebruikt en het slachtoffer minderjarig was. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ook rekening gehouden met de stand van de jurisprudentie in 1990. In 1990 werden er lagere straffen voor verkrachting opgelegd dan in 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het LOVS-oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (pistool) in een woning waarop als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden staat vermeld.\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank ziet vanwege het door de reclassering vastgestelde lage recidiverisico geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven, aangezien artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. De rechtbank wijst dit verzoek af, gelet op de op te leggen straf.\n\n8. De vordering van de beledigde partij\n\n [slachtoffer] heeft zich als beledigde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 25.000, -, – na vermindering van haar vordering ter terechtzitting - niet te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. De advocaat van de beledigde partij heeft namens de beledigde partij verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 680,67, zijnde de tegenwaarde van ƒ 1500,-, en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, zodat de rest van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de beledigde partij tot een bedrag van € 680,67 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de beledigde partij voor het overige.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij moet worden afgewezen, gelet op de bepleite niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het vrijspraak-verweer. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de beledigde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De beledigde partij is namelijk door de verdachte verkracht. Daardoor is de beledigde partij in haar persoon aangetast en heeft zij recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op 30 maart 1990 en daarom moet de vordering worden beoordeeld conform het toen geldende recht. Gelet op artikel 332 (oud) van het Wetboek van Strafvordering en artikel 56 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie volgt dat de beledigde partij in een strafprocedure een bedrag kan vorderen van ten hoogste ƒ 1.500, -. Dit is omgerekend een bedrag van € 680,67. Nu de gevorderde schade dit bedrag te boven gaat, kan de beledigde partij, blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet in haar vordering worden ontvangen voor het meerdere.\n\nGelet op wat namens de beledigde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in ieder geval vaststellen op een bedrag van\n\n€ 680,67 en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De beledigde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de beledigde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de beledigde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\n9. De in beslag genomen voorwerpen\n\n9.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien de feiten 2 en 3 met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n36b, 36c, 57, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nverkrachting;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van30 (DERTIG) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nde vordering van de beledigde partij;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de beledigde partij deels toe tot een bedrag van € 680,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [slachtoffer] ;\n\nbepaalt dat de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat de beledigde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de beledigde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nde in beslag genomen goederen;\n\nverklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:\n\n1. wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart);\n\n2. 19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331);\n\n3. wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E. Rabbie, voorzitter,\n\nmr. J.J. Balfoort, rechter,\n\nmr. J.G. Bruinsma, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","ecli-nl-rbdha-2026-18522",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]