ECLI:NL:RBDHA:2026:18524
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Utrecht
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33588
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul) en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
De minister heeft op 1 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 mei 2026 (in de zaak NL26.25529) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij voert eiser aan dat de minister op 17 maart 2026 aanvraag voor een laissez-passer (lp) heeft opgestuurd
naar de Marokkaanse autoriteiten. Ter ondersteuning van deze aanvraag zijn de Marokkaanse autoriteiten op 23 april 2026 in het bezit gesteld van een kopie van het paspoort van eiser. Ook is van eiser een zogenoemde vrijwilligersbrief van 15 mei 2026 aan de Marokkaanse autoriteiten doorgestuurd. Verder heeft de familie van eiser in Marokko aan de Marokkaanse autoriteiten in Nederland verzocht om voor eiser een reisdocument af te geven. Gelet op deze omstandigheden en het tijdsverloop, meent eiser dat de Marokkaanse autoriteiten normaliter al een lp zou hebben verstrekt. Voorts voert eiser aan dat het inmiddels op de weg van de minister heeft gelegen om op zaaksniveau actie te ondernemen in de richting van de Marokkaanse autoriteiten. Al met al stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn voorgenomen uitzetting naar Marokko.
5. De rechtbank overweegt als volgt. De Marokkaanse autoriteiten hebben de lp-aanvraag ten behoeve van eiser in behandeling. In dat verband is de minister afhankelijk van de werkwijze de Marokkaanse autoriteiten. De minister heeft daarop slechts beperkte invloed. Uit de voortgangsrapportage van 16 juni 2026 blijkt dat de minister laatstelijk op 10 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Ook heeft de minister frequent gerappelleerd met betrekking tot de afgifte van een lp, laatstelijk op 19 juni 2026. Gelet op de duur van de maatregel tot nu toe, is er geen aanleiding geweest voor de minister om méér of andere handelingen te verrichten dan dat hij heeft gedaan. Van onvoldoende voortvarend handelen is de rechtbank dan ook niet gebleken. de beroepsgrond faalt.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.