Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18529

Rechtbank

Utrecht

Datum

25 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32773

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Straver) en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder sub a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 mei 2026 (in de zaak NL26.23549) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Volgens eiser komt dit omdat de minister op de aangevraagde laissez-passer (LP) als geboortedatum [geboortedatum] 2000

heeft opgenomen. Eiser stelt echter dat hij is geboren is in het geboortejaar 2006. Om voldoende voortvarend te handelen moet de minister volgens eiser het geboortejaar 2006 benoemen en niet het geboortejaar 2000. Eiser stelt hierbij voorop dat door het geboortejaar 2006 te benoemen in de LP, dit ervoor zorgt dat de Algerijnse nationaliteiten sneller de identiteit en nationaliteit van eiser kunnen vaststellen.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.

Voortvarend handelen

6. De minister heeft bevestigd dat in de aanvraag voor een LP de geboortedatum [geboortedatum] 2000 is opgenomen. De minister gaat uit van deze geboortedatum onder verwijzing van zijn besluit van 11 maart 2025. De overlegde foto’s van eiser dateren uit 2024 en zijn dus van voor dit besluit. Nu tegen dit besluit geen rechtsmiddelen meer open staan, staat deze geboortedatum in rechte vast en dient de minister daar ook van uit te gaan in onderhavige procedure. Ook als dit niet de juiste geboortedatum zou zijn dan leidt dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot onvoldoende voortvarend handelen door de minister.

De minister heeft in zijn brief van 4 mei 2026 (in de zaak van NL26.23549) namelijk aangegeven dat de Algerijnse autoriteiten in hun onderzoek van de identiteit en nationaliteit van eiser zijn vingerafdrukken (dacty) betrekken. Dat brengt met zich mee dat de opgegeven geboortedatum van eiser niet van doorslaggevend belang is bij de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser. Het opgeven van het geboortejaar 2000 maakt het handelen dus niet onvoldoende voortvarend. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage van 15 juni 2026 dat de minister sinds de uitspraak van 11 mei 2026 voor het verkrijgen van een LP diverse keren heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, laatstelijk op 4 juni 2026. Daarnaast heeft de minister een vertrekgesprek met eiser gevoerd, namelijk op 2 juni 2026. Daarom valt niet in te zien dat de minister onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld.

7. Ten slotte overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. De Algerijnse autoriteiten hebben vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Verder is de minister afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.

Ambtshalve toetsing

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

1. Zie hiervoor de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

25 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Meer Beslissingen