ECLI:NL:RBDHA:2026:18577
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/19717
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1999, van Surinaamse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. van der Steen).
Procesverloop
Met het besluit van 17 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een mvvvoor het doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [de persoon]' afgewezen en een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Met het besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn moeder, mr. D.S. Kumankumah als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Achtergrond
1. Eiser is 26 jaar oud en afkomstig uit Suriname. Op 5 december 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij zijn vader, de heer [de persoon]. Eiser woont op dit moment bij zijn vader in Almere.
1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 mei 2023 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het bezwaarschrift buiten de termijn van vier weken heeft ingediend.Het primaire besluit is op 19 mei 2023 aan eiser verzonden, wat betekent dat eiser uiterlijk op 16 juni 2023 in bezwaar kon gaan. Het bezwaarschrift is echter pas op 3 januari 2024 door verweerder ontvangen.
2.1..
Subsidiair overweegt verweerder dat zelfs als zou worden uitgegaan van dat eiser
het besluit van 17 mei 2023 niet heeft ontvangen, het bezwaarschrift alsnog niet binnen de termijn van vier weken is ingediend. Eiser heeft op 26 juni 2023 contact gehad met verweerder dat hij het besluit niet heeft ontvangen, waarop het besluit op 28 juni 2023 door verweerder opnieuw werd verzonden. Dit betekent dat eiser uiterlijk tot 26 juli 2023 een bezwaarschrift kon indienen. Nu het bezwaarschrift pas op 3 januari 2024 is ontvangen, valt dit wederom buiten de termijn.
2.2.. Dat eiser in bezwaar een verzendbewijs heeft overgelegd dat op 27 juli 2023 een pakket is verstuurd naar het postadres van de IND, leidt volgens verweerder niet tot een andere uitkomst, nu dit eveneens niet binnen de wettelijke termijn valt.
Standpunt eiser
3. Eiser is van mening dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens eiser is het bezwaar tijdig ingediend. Het besluit van 17 mei 2023 heeft eiser nooit bereikt, waarna hij op 26 juni 2023 contact heeft opgenomen met verweerder over de stand van zaken. Verweerder heeft het besluit vervolgens op 28 juni 2023 opnieuw verstuurd en eiser heeft het op 3 juli 2023 ontvangen. Eiser heeft vervolgens op 27 juli 2023 een bezwaarschrift ingediend en hiervan een verzendbewijs overgelegd. Verweerder meent ten onrechte dat de termijn op 26 juli 2023 afliep. Volgens artikel 6:8 van de Awb liep de termijn volgens eiser af op 27 juli 2023. Verder stelt eiser dat de verzending van het bezwaar in juli 2023 aannemelijk is, aangezien eiser op 29 november 2023 een ingebrekestelling naar verweerder heeft verzonden wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Nadat verweerder daarop aangaf het bezwaar nooit te hebben ontvangen, heeft eiser het bezwaar op 27 december 2023 opnieuw verstuurd.
Oordeel van de rechtbank
4. Tussen partijen is in geschil of eiser binnen de wettelijke termijn van vier weken bezwaar heeft ingediend. Op de zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het primaire besluit op onjuiste wijze is bekendgemaakt, omdat het besluit naar het adres van eiser in Almere is verstuurd, in plaats van naar het kantoor (Dependable) van gemachtigde. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op dat standpunt gereageerd waardoor de rechtbank zich allereerst zal buigen over de vraag of het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt.
4.1.. Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt en naar het juiste adres is verzonden. Uit een screenshot van het verzendsysteem Indigo van verweerder blijkt dat de brief daadwerkelijk is verzonden op 19 mei 2023, nu het poststuk die dag de status ‘bericht verwerkt’ heeft gekregen. Verweerder wijst erop dat het vaste jurisprudentie is dat verweerders postregistratiesysteem betrouwbaar is. Daarnaast klopt het adres ([adres]) op de brief en komt dit overeen met het laatste bekende adres van eiser in de BRP. De aanvraag is door eiser zelf ingediend en ondertekend waardoor het besluit naar zijn adres is gestuurd. Bovendien had eiser zijn gemachtigde van het besluit op de hoogte kunnen stellen.
4.2.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 2:1 in samenhang met artikel 6:17 van de Awb volgt dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Dit geldt ook als het gaat om de fase van het beslissen op een aanvraag indien de gemachtigde voor het bestuursorgaan kenbaar was dan wel kenbaar kon zijn. Het niet (op de juiste wijze) bekendmaken van een besluit heeft tot gevolg dat het besluit niet in werking treedt. Ook gaat de bezwaar- of beroepstermijn niet lopen. Indien het langs een omweg alsnog in handen komt van degene tot wie het is gericht, geldt het als op dat moment verzonden. Het besluit wordt in dat geval geacht te zijn bekendgemaakt op de dag voor die waarop van het besluit kennis wordt gekregen.
4.3.. De rechtbank constateert dat in het dossier verschillende volmachten zitten waarin eiser mr. Kumankumah of mr. Belfor machtigt om namens hem zijn juridische belangen te behartigen. Zo zit er in het dossier een volmacht, gedateerd 26 oktober 2022, waarin eiser mr. Kumankumah machtigt. De aanvraag is vervolgens door eiser ingediend op 5 december 2022. Op 4 januari 2023 heeft mr. Kumankumah een brief verstuurd naar verweerder met het verzoek om het dossier van eiser te ontvangen, en heeft daarbij een volmacht overgelegd, gedateerd 13 december 2022. Op 21 maart 2023 is door eiser een ingebrekestelling ingediend waarbij het machtigingsformulier is ondertekend door hem en mr. Kumankumah. Verweerder heeft op 27 maart 2023 de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd en deze verstuurd naar mr. Kumankumah. Vervolgens zit er in het dossier een volmacht ondertekend door mr. Kumankumah, gedateerd 17 april 2023. Verweerder heeft hierna op 20 april 2023 een herstelverzuimbrief verstuurd naar het huisadres van eiser. Op 1 mei 2023 is door een collega van mr. Kumankumah een brief verstuurd, waarin staat aangegeven dat op 17 april 2023 reeds een volmacht per post is toegezonden. Op 17 mei 2023 is het primaire besluit verstuurd naar het adres van eiser.
4.4.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primaire besluit van 17 mei 2023 op onjuiste wijze is bekendgemaakt en daarmee niet in werking is getreden. Het primaire besluit is namelijk naar het adres van eiser gestuurd, terwijl het besluit overeenkomstig artikel 6:17 van de Awb naar de gemachtigde van eiser verzonden had moeten worden. Uit het dossier blijkt dat de correspondentie tussen partijen rommelig is verlopen. Er zijn meerdere volmachten aanwezig in het dossier en correspondentie van verschillende gemachtigden van hetzelfde kantoor. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor verweerder tot verwarring heeft geleid. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat verweerder op verschillende momenten op de hoogte was of had moeten zijn van de vertegenwoordiging van eiser door een gemachtigde. In het dossier bevinden zich meerdere volmachten en brieven van het kantoor van de gemachtigde waardoor dit voor verweerder duidelijk had moeten zijn. Bovendien werd verweerder kort voor het primaire besluit, op 1 mei 2023, nog gewezen op de volmacht van 17 april 2023.
4.5.. De rechtbank is voorts van oordeel dat het besluit dat op 28 juni 2023 opnieuw is verzonden eveneens op onjuiste wijze is bekendgemaakt, nu ook dit besluit naar het adres van eiser is verzonden. Dit terwijl verweerder uit het telefonisch contact met gemachtigde van eiser op 26 juni 2023 had kunnen begrijpen dat de tweede verzending aan de gemachtigde van eiser gericht had moeten worden.
4.6.. De rechtbank overweegt dat door eiser naar voren is gebracht dat hij dit tweede besluit uiteindelijk op 3 juli 2023 heeft ontvangen. Eiser heeft op de zitting terecht gewezen op de uitspraak van het CBbvan 30 januari 2024, waaruit volgt dat vanaf kennisname van het besluit de wettelijke termijn voor het indienen van bezwaar gaat lopen. In dit geval bedraagt die termijn vier weken, waardoor de uiterlijke datum om bezwaar te maken was op 31 juli 2023. Eiser stelt dat hij op 27 juli 2023 een bezwaarschrift per post naar het adres van de IND heeft verstuurd en heeft hiervan een track&trace bewijs van PostNL overgelegd. Hoewel niet duidelijk is welk poststuk op dat moment precies verstuurd is, is de rechtbank van oordeel dat eiser met het overgelegde track&trace bewijs voldoende heeft aangetoond dat hij op 27 juli 2023 een bezwaarschrift aan verweerder heeft verzonden. Het adres op de track&trace is het correcte adres van de IND, en ook komt de datum overeen met de datum op het bezwaarschrift. De rechtbank acht hierbij ook relevant dat de ingebrekestelling die eiser op 29 november 2023 heeft verzonden erop wijst dat eerder dan die datum een bezwaarschrift is ingediend.
4.7.. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat eiser binnen de wettelijke termijn van vier weken bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
6. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.I. Mooij, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
De griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Op grond van artikel 6:9 in samenhang bezien met artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Basisregistratie Personen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:209, r.o. 2.1
College van Beroep voor het bedrijfsleven.