[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18664":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18664":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1281","ECLI:NL:RBDHA:2026:18664","",58,"Den Haag","den-haag","2026-06-30T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F342300-25 (dagvaarding I) en 09\u002F052574-26 (ttz.gev., dagvaarding II)\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres 1] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. T.W. van Gessel naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nzij op of omstreeks 25 oktober 2025, te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine en\u002Fof een doek en\u002Fof vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - de woning en\u002Fof voortuin en\u002Fof hekwerk aan de [adres 2] en\u002Fof - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] en\u002Fof - geparkeerde voertuigen in de [straatnaam 1] te duchten was;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n 1 zij op of omstreeks 28 oktober 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine, althans een brandbare vloeistof, en\u002Fof een fles en\u002Fof een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - (de voordeur van) de woning en\u002Fof voortuin en\u002Fof hekwerk aan de [adres 2] en\u002Fof - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] te duchten was en\u002Fof levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten - de in voornoemde woning(en) aanwezige personen te duchten was;\n\n2 zij op of omstreeks 14 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een voertuig (een bestelauto met kenteken [kenteken] ) geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (brandbare) vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens (met een aansteker) open vuur in aanraking te brengen met papier en\u002Fof een fles (met daarin benzine) en\u002Fof die (brandende) fles tegen\u002Fnaar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - de motorkap en\u002Fof grill van voornoemd voertuig te duchten was;\n\n3 zij op of omstreeks 30 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] , in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Inleiding\n\nOp 25 oktober 2025 omstreeks 9:30 uur heeft de bewoner van de woning aan de [adres 2] , genaamd [aangeefster] , een beschadigde vuilniszak en een doekje voor haar voordeur aangetroffen. Voorts rook zij een benzinelucht. Na het bekijken van de beelden van haar deurbelcamera is het vermoeden ontstaan dat er in de nacht van 25 oktober 2025 rond 2:00 uur brand is gesticht bij haar woning.\n\nIn haar aangifte verklaarde [aangeefster] dat er op 28 oktober 2023 ook brand zou zijn gesticht bij de voordeur van haar woning. Tevensblijkt uit onderzoek dat er op 14 augustus 2023 op de [adres 3] brand zou zijn gesticht bij de auto (bestelbus) van de broer van [aangeefster] , genaamd [broer van aangeefster] , en dat er op 30 augustus 2023 een ruit zou zijn vernield van een woning gelegen aan de [adres 4] . [broer van aangeefster] is woonachtig op het adres [adres 3] .\n\n Gedurende het onderzoek is gebleken dat de verdachte als verdachte kon worden aangemerkt van voornoemde brandstichtingen en vernieling. Deze verdenking is mede ontstaan omdat bij de politie diverse meldingen van de verdachte zijn binnengekomen die inhouden dat zij (verdachte) de afgelopen jaren stelselmatig zou zijn bedreigd en lastiggevallen door [aangeefster] , dan wel door haar familie. Ook zijn er bij de politie diverse meldingen over de verdachte bekend dat zij verward en zorgelijk gedrag zou vertonen. De verdachte werd vervolgens op 15 december 2025 aangehouden.\n\nDe verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat zij drie maal brand heeft gesticht en een ruit van een woning heeft vernield.3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.\n\nVoor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsman.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n3.5.. Bewijsoverwegingen\n\n3.5.1. Ten aanzien van dagvaarding I\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning door een wijkagent van de verdachte als de persoon op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] . De wijkagent heeft gedetailleerd geverbaliseerd op welke wijze en waaraan hij de verdachte heeft herkend. De wijkagent heeft tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte ook een grijs vest en witte sneakers waargenomen die grote gelijkenissen vertonen met het vest en de sneakers die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad. Voorts is op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] een fatbike te zien. De verdachte maakte ten tijde van de brandstichting gebruik van een fatbike. Ten slotte werd in de woning van de verdachte een zwarte rugtas aangetroffen die grote gelijkenissen vertoont met de rugzak die de verdachte van de brandstichting op de beelden droeg.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu een machtiging van de rechter­commissaris in het dossier ontbreekt, aangezien de officier van justitie tijdens de zitting van 23 maart 2026 deze machtiging ter zitting aan de rechtbank heeft overgelegd.\n\nOp grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 25 oktober 2025 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een doek met benzine en een vuilniszak in brand te steken.\n\nDe rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.\n\nDoor het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen ontstaan. De algemene ervaring leert dat brandstichting bij de voordeur van een woning al snel gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt en dat een concrete gevaarzetting ontstaat voor andere roerende of onroerende goederen in de directe omgeving van de brandstichting.\n\nOp grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en acht zij daarom het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.2. Ten aanzien van dagvaarding II feit 1\n\nOp grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 28 oktober 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een krant met benzine in een fles in brand te steken.\n\nDe rechtbank verwijst daarbij naar het feit dat de vingerafdruk van de verdachte op de gebruikte fles en het DNA van de verdachte op de dop van de gebruikte fles is aangetroffen.\n\nOok hier ziet de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.\n\nDoor het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar ontstaan. Een brandonderzoeker heeft tijdens een forensisch onderzoek een roetlaag op de waterkering en aan de onderzijde van de voordeur waargenomen. Volgens de brandonderzoeker had de schade aan de voordeur groter kunnen worden en had de houten voordeur als onderdeel aan de brand kunnen deelnemen, indien de brand niet op tijd was geblust. Gezien de aanwezigheid van personen in de woning op een voor de nachtrust bestemde tijd, is het voorzienbaar dat zij lichamelijk letsel kunnen oplopen.\n\nOp grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en acht zij daarom het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.3. Ten aanzien van dagvaarding II de feiten 2 en 3\n\nOp grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 14 augustus 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij bestelbus van [broer van aangeefster] door brandbare vloeistof over dit voertuig te sprenkelen en vervolgens een fles met daarin benzine aan te steken en deze fles naar de bestelbus te gooien. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 augustus 2023 de ruit van de woning aan de [adres 4] heeft vernield.\n\nEen getuige van de vernieling heeft de persoon op de camerabeelden een aantal dagen na de vernieling op straat herkend en is haar vervolgens gevolgd naar haar woning. Dit betrof de woning van de verdachte. Voorts heeft een verbalisant aan de hand van de beschikbare camerabeelden geconcludeerd dat de brandstichting en de vernieling gepleegd zijn door dezelfde persoon. Tevens werden in de woning van de verdachte een roze legging en een wit Adidas vest aangetroffen die grote gelijkenissen vertonen met de kleding die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad.\n\nOok hier verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest en verwijst daarbij naar hetgeen reeds hiervoor is overwogen.\n\nDe rechtbank verwerpt voorts het verweer van de raadsman dat het bij de brandstichting slechts gaat om een poging tot brandstichting. Uit de beelden volgt immers dat de verdachte – nadat zij een vloeistof over de motorkap van de bestelbus sprenkelde – iets wits bij de fles met vermoedelijk benzine heeft aangestoken en de brandende fles richting de voorzijde van de bestelbus heeft gegooid. Hieruit kan reeds afgeleid worden dat er sprake is van een voltooide brandstichting. Nadat de fles door de verdachte werd gegooid en tegen de voorzijde van de bestelbus aankwam, ontstond er (kort) vuur op de motorkap en bij de grill van de witte bestelbus. Hiermee is er ook sprake van gemeen gevaar voor goederen. Dat de brand kortstondig heeft geduurd, doet aan het voorgaande niets af.\n\nOp grond van het vorenstaande acht de rechtbank de bij dagvaarding II onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.4. Conclusie\n\nDe rechtbank acht op grond van het bovenstaande de bij dagvaarding I en de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\nVoor de overtuiging heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat de verdachte al jarenlang in de stellige, maar naar het oordeel van de rechtbank onjuiste, veronderstelling verkeerde dat zij stelselmatig wordt bedreigd en lastiggevallen door de familie Pooran. Hieruit kan een mogelijk motief voor de verdachte worden afgeleid om de bewezenverklaarde feiten te plegen.\n\n3.6.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nzij op 25 oktober 2025 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met benzine en een doek en vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] en te duchten was;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n 1 zij op 28 oktober 2023 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine en een fles en een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de voordeur van de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten - de in voornoemde woningen aanwezige personen te duchten was;\n\n2 zij op 14 augustus 2023 te Den Haag bij een voertuig, een bestelauto met kenteken [kenteken] , geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door brandbare vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens met een aansteker open vuur in aanraking te brengen met papier en een fles met daarin benzine en die brandende fles tegen\u002Fnaar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de motorkap en grill van voornoemd voertuig te duchten was;\n\n3 zij op 30 augustus 2023 te Den Haag opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] dat aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs met voorwaarden), onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, en de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verder heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden gevorderd.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op de verzochte vrijspraak, geen tbs-maatregel op te leggen. Tevens heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.\n\nSubsidiair heeft de raadsman verzocht, gelet op de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van haar voorarrest en een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Hij acht een tbs-maatregel niet noodzakelijk om het recidiverisico te beperken.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe ernst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie brandstichtingen en een vernieling. Door het handelen van de verdachte is aanzienlijke schade ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte met haar handelen onaanvaardbare risico’s genomen. Zij heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat brandstichting een bijzonder destructief en gevaarzettend feit is. Het is een gelukkige omstandigheid dat de branden niet ernstigere schade hebben veroorzaakt en dat er geen mensen gewond zijn geraakt. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot haar daden is gekomen. Feiten als de onderhavige roepen doorgaans gevoelens van angst en onveiligheid op en hebben maatschappelijke onrust tot gevolg. Daarnaast brengen dergelijke feiten in het algemeen aanzienlijke schade teweeg en kunnen ze leiden tot veel overlast voor de slachtoffers.\n\nGelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor misdrijven.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. A. Banaei Kashani, psychiater, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 13 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nBij de verdachte is sprake van een psychotische stoornis die chronisch aanwezig is, te weten schizofrenie, en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was de verdachte psychotisch. Aangezien zij in die periode vrijwel dagelijks amfetamine gebruikte, is het aannemelijk dat zij ten tijde en in aanloop tot het ten laste gelegde onder invloed was van dit middel. Het is aannemelijk dat hierdoor haar gedragskeuzes en gedragingen werden beïnvloed. De rapporteur adviseert de feiten in (tenminste) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De kans op herhaling op inadequaat en agressief gedrag wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. Er is geen sprake van beschermende factoren. De verdachte heeft jarenlang steeds marginaal zorg geaccepteerd en is steeds verder achteruit gegaan in haar functioneren. Zij blijft een aversie houden jegens de betreffende familie. De verdachte is bovendien ernstig verslaafd aan amfetamine. Zonder adequate behandeling en begeleiding zal haar toestand verder verslechteren, zal zij zich verder verwaarlozen en gevaarlijk gedrag blijven vertonen. Vanwege de ernstige psychische problematiek en het hoge recidiverisico is langdurige en intensieve (klinische gevolgd door ambulante) behandeling nodig. De verdachte heeft weinig ziekte-inzicht en eerdere hulp heeft niet tot gedragsverandering geleid. Behandeling van de psychotische stoornis en abstinentie van middelen zijn noodzakelijk. Geadviseerd wordt de verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd haar een GVM op te leggen om langdurig toezicht mogelijk te maken na beëindiging van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank heeft voorts acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. G.J.H. Poncin, GZ-psycholoog, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 11 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nBij de verdachte is sprake van schizofrenie. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van een stimulantium, een stoornis in het gebruik van cannabis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Gezien de chronisch aanwezige pathologie is het aannemelijk dat deze ook aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en kan er worden gesproken van een gelijktijdsheidsverband. Het is aannemelijk dat de verdachte vanuit haar eigen paranoïde, psychotische en onrealistische belevingswereld heeft gehandeld. Hier speelde het amfetaminegebruik als een katalysator op de reeds aanwezige psychotische problematiek. Het advies van de rapporteur is dan ook om de ten laste gelegde feiten in een tenminste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Er is geen probleeminzicht en eerdere behandeling heeft nauwelijks effect gehad. Het kleine sociale netwerk van de verdachte is niet bij machte om haar de sturing en ondersteuning te bieden die zij behoeft om stabiel te kunnen functioneren. De verdachte beschikt buiten detentie niet over werk of een adequate dagbesteding\u002Fstructuur. De rapporteur acht een langdurige, intensieve behandeling geïndiceerd die start met een klinische opname, van waaruit wordt gewerkt aan het vergroten van het probleeminzicht, het leren omgaan met de pathologie en het opbouwen van beschermende factoren. Bovengenoemd interventieadvies kan het beste worden vormgegeven binnen een tbs met voorwaarden. Ook wordt geadviseerd om een GVM op te leggen.\n\nDe rechtbank heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsrapport tbs met voorwaarden van 9 juni 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nDe rapporteur schat het recidiverisico als hoog in. De verdachte is meerdere malen in beeld gekomen bij de GGZ en er is sprake geweest van zorgmachtigingen wegens onbegrepen gedrag. De verdachte gebruikt langdurig amfetamine. Er is geen sprake van ziekte-inzicht of probleembesef. De verdachte is van mening dat er niets met haar aan de hand is. Behandeling vindt zij niet nodig. Wel geeft zij aan zich aan de voorwaarden te zullen houden, mocht zij daartoe veroordeeld worden. Vanwege de psychiatrische problematiek, in combinatie met overmatig middelengebruik (hetgeen een psychose kan luxeren), het ontbreken van beschermende factoren (buiten contact vader) en agressief gedrag in de voorgeschiedenis (hetgeen niet geleid heeft tot justitiecontact), schat de reclassering het risico op delictgedrag in als hoog. Vanwege het ontbreken van probleembesef en ziekte-inzicht en daarmee tevens intrinsieke motivatie voor behandeling, schat de reclassering het risico op onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld. Uit de Pro Justitia rapportages komt naar voren dat langdurige behandeling en ondersteuning noodzakelijk wordt geacht. De verdachte heeft inmiddels ingestemd met een klinische opname en het gebruik van medicatie. De reclassering acht een tbs met voorwaarden haalbaar, mede gelet op de extrinsieke motivatie.\n\nDe reclassering adviseert dan ook een tbs met voorwaarden met de onderstaande voorwaarden: • Geen strafbaar feit plegen • Meewerken aan reclasseringstoezicht • Meewerken aan een time-out • Niet naar het buitenland reizen • Opname in een zorginstelling • Ambulante behandelverplichting • Meewerken aan begeleid wonen • Verbod op het gebruik van verdovende middelen • Meewerken aan bewindvoering • Contactverbod met de aangevers • Locatieverbod (met elektronisch toezicht indien van toepassing)\n\nDe op te leggen straf en maatregel\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Daarbij heeft de rechtbank tevens in overweging genomen dat het van belang is dat de verdachte eerder aan haar behandeling in het kader van de hierna nog te bespreken tbs-maatregel kan beginnen.\n\nEen en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maandenpassend en geboden is.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.\n\nDe rechtbank neemt verder de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.\n\nDe rapporteurs adviseren een tbs met voorwaarden en concluderen dat er onvoldoende andere mogelijkheden zijn om de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De rechtbank acht gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen de eigen constatering van de rechtbank ter terechtzitting van 16 juni 2026 dat bij de verdachte elk ziektebesef en -inzicht ontbreekt, een tbs met voorwaarden passend en ook noodzakelijk.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs-maatregel dat de begane feiten (met uitzondering van de bewezenverklaarde vernieling) misdrijvenzijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten zeer ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist.\n\nDe rechtbank zal dan ook de tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij wel twijfels heeft over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden en over of de verdachte zich aan de gestelde voorwaarden zal houden. De verdachte heeft immers geen ziekte-inzicht en probleembesef. Zij heeft ter zitting ook verklaard dat zij een tbs-maatregel niet nodig vindt, omdat zij naar haar eigen mening niets mankeert. Zij zal echter wel meewerken als de maatregel door de rechtbank aan haar wordt opgelegd. De rechtbank zal de tbs met voorwaarden aan de verdachte opleggen omdat de rechtbank het onverantwoord vindt om de verdachte zonder enige behandeling, begeleiding of toezicht terug te laten keren in de maatschappij.\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dagvaarding II feit 1sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.\n\nOmdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank, gelet op artikel 38 lid 6 Sr bepalen dat de op te leggen tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank zal ook de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen, zodat de officier van justitie na beëindiging van de tbs-maatregel, indien nodig, de mogelijkheid heeft toereikende maatregelen te nemen, teneinde recidive te kunnen voorkomen.\n\nAan de wettelijke vereisten van artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. Zij verwijst daarbij naar de inhoud van de Pro Justitia rapporteurs en het rapport van de reclassering.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nGelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen redenen om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.467,10, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.\n\n [broer van aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 629,51, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair afwijzing van de vorderingen verzocht, dan wel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, gelet op de verzochte vrijspraak.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman subsidiair verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu een wettelijke grondslag ontbreekt, dan wel de wettelijke grondslag onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de benadeelde partij matiging van het gevorderde bedrag verzocht. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster] heeft de raadsman subsidiair afwijzing verzocht, nu de gevorderde materiële schade onvoldoende is onderbouwd.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 467,10.\n\nOmdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen:\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 253,62 met ingang van 28 oktober 2023;\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 190,51 met ingang van 24 november 2025;\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 22,97 met ingang van 11 maart 2026.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal en ziet daarom geen aanleiding om de gevorderde schade te matigen.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.467,10, bestaande uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor de onder bij dagvaarding I en dagvaarding II onder feit 1 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,\n\ntot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster]\n\nDe vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 629,51.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen.\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 augustus 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [broer van aangeefster] .\n\n8. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 36f, 38, 38a, 38z, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van dagvaarding I\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 1\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is\n\nen\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 2\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 3\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;\n\nstelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:\n\ndat de veroordeelde:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\n- geen strafbare feiten zal plegen;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n de medewerking aan huisbezoeken;\n\n zich melden bij en zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering, zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk;\n\n de reclassering helpen aan een actuele foto waarop het gezicht van de veroordeelde herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n de reclassering inzicht geven in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n zich niet vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die\n\n contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n- als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Kliniek (FPK) of een andere soortgelijke instelling met een hoger beveiligingsniveau. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n- niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zal reizen zonder toestemming van de reclassering;\n\n- zich laat opnemen in en behandelen door FPK Fivoor, of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor de plaatsing verantwoordelijke instantie, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens deze zorginstelling worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Indien overbruggingszorg noodzakelijk is, verleent zij hieraan haar medewerking;\n\n- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, zich onder behandeling stelt van een forensisch polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, zolang de reclassering of die zorginstelling noodzakelijk acht. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;\n\n- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering en\u002Fof de instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;\n\n- meewerkt aan bewindvoering\n\n- zich onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan adem-, speeksel- of urineonderzoek De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.;\n\n- op geen enkele wijze contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:\n\n [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1966\n\n [broer van aangeefster] , geboren op [geboortedatum 3] 1971;\n\n [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 4] 1954;\n\n- zich niet bevindt in de gebieden:\n\n Gebied 1: [straatnaam 2] \u002F [straatnaam 3] \u002F [straatnaam 4] en het gebied tussen deze straten te Den Haag;\n\n Gebied 2: [straatnaam 5] \u002F [straatnaam 6] \u002F [straatnaam 7] \u002F [straatnaam 8] \u002F de [straatnaam 1] en het gebied tussen deze straten te Den Haag,\n\nzolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze voorwaarde;\n\nbeveelt dat bovengenoemde maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;\n\nlegt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;\n\nwijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.467,10 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente tot de dag waarop deze vordering is betaald over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,\n\ntot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 629,51 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [broer van aangeefster];\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[broer van aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,\n\nmr. J.L.E. Bakels, rechter,\n\nmr. J. Schaaf, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18664","ecli-nl-rbdha-2026-18664",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]