ECLI:NL:RBDHA:2026:18674
Samenvatting
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13803 (beroep) en NL26.13804 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.13803 ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek in de zaak met nummer NL26.13804 af.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek om internationale bescherming in het onderhavige geval vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, zodat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek wordt bepaald op grond van de in de Dublinverordeningvastgestelde criteria.Op grond van de Dublinverordening wordt een asielaanvraag niet in behandeling genomen als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland op 18 januari 2026 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 28 januari 2026 aanvaard.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst op recente AIDA-rapporten en het rapport van DRC van 2 juni 2024. Hieruit volgt dat ook Dublinclaimanten het risico lopen om door pushbacks het land uitgezet te worden. Deze pushbacks vinden op systematische wijze plaats en de Kroatische autoriteiten nemen geen maatregelen om dit te stoppen. Daarnaast zijn de opvangcapaciteiten in Kroatië zeer beperkt en zijn er ook geen plannen de opvangcapaciteiten uit te breiden. Eiser heeft verder concreet en gedetailleerd verklaard over zijn korte verblijf in Kroatië. Eiser heeft geen tolk gezien en kon daarom niet communiceren in Kroatië. Daarnaast werd hem niets uitgelegd. Eiser kan dus geen documenten hebben waarmee hij zijn belevenissen in Kroatië kan onderbouwen.
4. De rechtbank overweegt dat de Afdelingin haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de pushbacks en de opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 21 november 2025en 26 maart 2026. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De door eiser aangehaalde bronnen laten geen wezenlijke andere informatie zien dan door de Afdeling al in de beoordeling is betrokken. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek met het claimakkoord heeft geaccepteerd en hiermee gegarandeerd heeft eisers asielaanvraag in behandeling te nemen in overeenstemming met de internationale verplichtingen. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde persoonlijke ervaringen geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank stelt voorop dat eiser deze ervaringen niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij geen documenten kan hebben die zijn ervaringen kunnen onderbouwen. Indien eiser geconfronteerd wordt met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het immers op zijn weg hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. De stelling dat eiser in de enkele dagen dat hij in Kroatië was geen tolk heeft gezien, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet in de niet onderbouwde stelling van eiser op zitting dat hij bang is dat de mensensmokkelaar hem in Kroatië kan vinden en dat er bedreigingen richting eiser zijn geuit, evenmin aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Omdat er op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na ontvangst van het proces-verbaal van deze uitspraak. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R. Tesfai, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Zie hiervoor artikel 84, tweede lid, van de AMB-verordening.
Zie ook artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
ECLI:NL:RVS:2025:5635.
ECLI:NL:RVS:2026:1667.