[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-6822":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-6822":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"435","ECLI:NL:RBDHA:2026:6822","",58,"Den Haag","den-haag","2026-03-17T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F697687 \u002F KG ZA 26\u002F35\n\nVonnis in kort geding van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Maatschap [eiser 1] te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),\n\n2. [eiser 2]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),\n\n3. [eiser 3]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] )\n\neisers,\n\nadvocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle,\n\ntegen:\n\nGemeente Teylingente Sassenheim (gemeente Teylingen),\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. R.C. Geurtsen en mr. H.J. Doelman te Den Haag.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Maatschap’ en ‘de Gemeente’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;\n\n- de door de Gemeente overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;\n\n- de door de Maatschap overgelegde productie 11.\n\n- de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Maatschap pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. De Gemeente is eigenaar van diverse pachtgronden in de gemeente Warmond en Voorhout, waaronder de landbouwpercelen kadastraal bekend gemeente Voorhout, [kadastraal nummer] (hierna ook: de [adres] ). Deze percelen worden al geruime tijd door de Maatschap gepacht ten behoeve van hun extensieve melkveehouderijbedrijf. De pachtovereenkomsten voor deze gronden liepen af op 31 december 2024.\n\n2.2.. In verband met de uitgifte van de nieuwe pachtovereenkomsten voor o.a. de [adres] heeft de Gemeente in oktober 2024 een openbare selectieprocedure georganiseerd, waarbij kon worden ingeschreven op vijf verschillende clusters (hierna: Selectieprocedure I). De Maatschap heeft zich ingeschreven op twee van deze clusters, waaronder de [adres] .\n\n2.3.. Bij brief van 29 januari 2025 is door de rentmeester aan de Maatschap kenbaar gemaakt dat aan haar de pacht van cluster [adres] wordt toegekend. Daarbij is het volgende opgemerkt:\n\n “Vanwege de termijn waarbinnen andere inschrijvers de mogelijkheid hebben om beroep\u002Fbezwaar aan te tekenen, zal aan u na week 9 (vanaf 24 februari 2025) gecommuniceerd worden of de gunning definitief is of dat er een beroep\u002Fbezwarenprocedure gevolgd moet worden. In het eerste geval kunt u de pachtovereenkomst na week 9 ter ondertekening tegemoet zien.”\n\n2.4.. Bij brief van 11 februari 2025 heeft de Gemeente de Maatschap laten weten dat zij de voorlopige gunningsbeslissing intrekt, omdat – kort gezegd – de openbare selectieprocedure niet (volledig) voldeed aan de eisen uit het Didam-arrest en herstel van de procedure niet mogelijk is.\n\n2.5.. De Maatschap heeft op 18 februari 2025 pro forma bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing.\n\n2.6.. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de Gemeente de Maatschap bij brief van 27 maart 2025 laten weten dat zij haar standpunt om de voorlopige gunning in te trekken handhaaft en een nieuwe procedure zal opstarten. In de brief staat dat indien de Maatschap zich hier niet mee kan verenigen, zij, op straffe van verval van recht, binnen 10 werkdagen een kort geding procedure aanhangig moet maken.\n\n2.7.. In afwachting van de uitkomst van een nieuw te organiseren selectieprocedure heeft de Gemeente met de zittende pachters, waaronder de Maatschap, bruikleenovereenkomsten gesloten met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.\n\n2.8.. Op 11 september 2025 heeft de Gemeente het concept van de inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe selectieprocedure en de Tabel met (natuur inclusieve) maatregelen gedeeld met de inschrijvers van Selectieprocedure I, de pachters die in 2024 een pachtovereenkomst hadden gesloten met de Gemeente en alle (overige) boeren die actief zijn binnen de gemeentegrenzen. Vervolgens hebben er ‘keukentafelgesprekken’ plaatsgevonden en is er op 24 september 2025 een informatieavond georganiseerd.\n\n2.9.. Op 3 november 2025 heeft de Gemeente de definitieve inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe openbare selectieprocedure (hierna: Selectieprocedure II) op haar website gepubliceerd. Daarin is onder het kopje ‘beleid toewijzing pachtgronden’ toegelicht dat de inschrijver met de meeste punten op een perceel het pachtcluster krijgt toegewezen. Gegadigden kunnen op drie manieren punten verdienen:\n\n1. Door zich te committeren aan natuur inclusieve maatregelen, zoals het gebruik van\n\nvaste mest en een uitgestelde maaidatum;\n\n2. Door de reisafstand tot het pachtperceel; en\n\n3. Door middel van toewijzing op basis van een eigen toelichting.\n\nOver de beoordeling van de eigen toelichting als bedoeld onder 3. is in de inschrijfvoorwaarden het volgende opgenomen:\n\n“3. Beoordelingscommissie\n\nDe eigen toelichting van de inschrijver wordt beoordeeld door een beoordelingscommissie,\n\nbestaande uit de volgende expertises: Landbouw, ecologie, overheid, rentmeester (als\n\nsecretaris). (hierna: ‘de Beoordelingscommissie’). Voor dit onderdeel worden maximaal 20\n\npunten toegekend.\n\nIn de Omgevingsvisie Teylingen ‘Een florerende toekomst voor Teylingen’ is beschreven dat\n\nde Gemeente waar nodig stimuleert onderdeel te zijn van de verbrede landbouw. De\n\nverbrede landbouw is een vorm van landbouwbedrijfsvoering waarin nevenactiviteiten een\n\ngrote rol spelen. Deze activiteiten worden in vier groepen verdeeld:\n\n- Groene diensten met betrekking tot milieu-, natuur- en landschapsbeheer;\n\n- Blauwe diensten met betrekking tot waterbeheer;\n\n- Diensten gericht op cohesie en vitaliteit op het platteland (zoals bijv. educatie,\n\nrecreatie, zorg, aanbod van opslagruimte en arbeid buiten het bedrijf); en\n\n- Diensten gericht op een rendabele, goede en voldoende voedselproductie\n\n(waaronder ook begrepen de ontwikkeling van streekproducten, voedselverwerking\n\nen verkoop aan huis).\n\nDe inschrijver zet in zijn eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen op welke wijze zijn\n\nbedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw als hiervoor beschreven. De inschrijver\n\nhoeft daarbij niet in te gaan op alle hiervoor beschreven diensten. De inschrijver richt zich\n\nalleen op de diensten waarop hij naar eigen inzicht een bijdrage levert. Het toe te kennen\n\naantal punten is niet afhankelijk van het aantal diensten dat wordt genoemd, maar van de\n\nkwaliteit van de benoemde bijdragen en de mate waarin de bijdragen van de bedrijfsvoering\n\novertuigend zijn onderbouwd en het maatschappelijke effect van de bijdragen. Ter illustratie:\n\neen dienst met een grote maatschappelijke impact krijgt meer punten dan een dienst die\n\nprimair een economische meeropbrengst heeft (zoals bijv. de ontwikkeling van\n\nstreekproducten of verkoop aan huis).”\n\nHet aantal te behalen punten is afhankelijk van de mate waarin de inschrijver volgens de beoordelingscommissie een inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van zijn\u002Fhaar bijdrage aan de verbrede landbouw. Daarbij wordt gekeken naar in hoeverre de beschrijving specifiek, meetbaar, realistisch en uitvoerbaar is.\n\n2.10.. Over de beoordeling van de eigen toelichting (onderdeel 3.) is na publicatie van de (concept) inschrijfvoorwaarden één vraag gesteld, te weten hoeveel punten er bij dat onderdeel te verdelen zijn.\n\n2.11.. De Maatschap heeft zich inschreven voor twee van de zes clusters (cluster 5 en cluster 6 (de [adres] )). In haar eigen toelichting heeft zij het volgende opgeschreven:\n\n“Hierbij een korte beschrijving van onze boerderij.\n\nWij hebben een boerderij met melkkoeien aan het einde van de Menneweg.\n\nHet grootste deel van het weiland ligt in de Kooipolder in Warmond en de Floris Schoutenpolder in Sassenheim.\n\nMijn opa is hier begonnen omstreeks 1925. Mijn vader en twee broers hebben de boerderij in twee afzonderlijke boerderijen voortgezet. En wij hebben het weer van onze vader overgenomen.\n\nWij hebben een extensief melkveehouderijbedrijf.\n\nDit willen we graag zo houden. Maar daarvoor moeten we wel voldoende hectares weiland hebben.\n\nDit is in de huidige situatie geen probleem.\n\nEchter, wanneer wij de 3,2 ha. weiland kwijt raken die we nu al jaren pachten van de gemeente\n\nTeylingen dan worden we minder extensief.\n\nBovendien kunnen we ook de 2,5 hectare weiland van [naam 1] niet langer gebruiken, omdat hier gebouwd wordt.\n\nHet extensieve karakter van ons bedrijf komt in gevaar wanner we ook de 3,2 ha kwijt raken.\n\nEen aantal unieke punten van onze boerderij:\n\nOns vee wordt dag en nacht geweid. De mensen zien graag het vee buiten lopen.\n\nWe krijgen daar positieve reacties op.\n\nWe hebben sterke koeien van het zelf gekruiste ras MRIJ en FH.\n\nIn de Kooipolder in Warmond hebben we op een dijk aan de Kagerplassen een natuurvriendelijke oever van ongeveer 500 meter lang en 6 meter breed.\n\nHet bedrijf is extensief.\n\nOm de levensvatbaarheid van onze boerderij in stand te houden voor de beoogd opvolger hebben wij voldoende land nodig”\n\n2.12.. De Gemeente heeft op 12 december 2025 de voorlopige uitslag van de gunning bekend gemaakt. Daarbij is aan de Maatschap meegedeeld dat geen van de clusters waarvoor zij zich had ingeschreven aan haar is gegund, omdat zij op beide clusters minder punten heeft behaald dan de winnende inschrijver. In het verslag van de beoordelingscommissie is over de inschrijvingen op cluster 6 het volgende vermeld (de Maatschap is Inschrijver 3, de winnende inschrijver is Inschrijver 8, (hierna: [naam 2] )):\n\n“Voor cluster 6 zijn vier inschrijvingen.\n\nInschrijver 3- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nUit hun eigen toelichting blijkt dat het een extensief bedrijf betreft die aan de Eco-regeling zilver voldoet. De historie van het bedrijf en rol in de lokale gemeenschap wordt meegewogen.\n\nEr worden 10 punten toegekend.\n\nInschrijver 4- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nIn de eigen toelichting scoort dit bedrijf goed op veel punten, met name op verduurzaming, natuur, weidegang en lokale verkoop van producten.\n\nEr worden 20 punten toegekend.\n\nInschrijver 5- Geen opmerkingen op de tabel.\n\nUit de eigen toelichting blijkt een inzet op efficiëntie, innovatie en weidegang. Ook draagt het\n\nbedrijf bij aan recreatie- en cultuurhistorische doelstellingen van de gemeente.\n\nEr worden 10 punten toegekend.\n\nInschrijver 8- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nUit de eigen toelichting blijkt dat het een bedrijf is dat hoog scoort op duurzaamheid, aandacht\n\nvoor jonge boeren, innovatie en efficiëntie.\n\nEr worden 20 punten toegekend.”\n\n2.13.. Op 17 februari 2026 heeft de beoordelingscommissie in verband met dit kort geding de gunning van cluster 6 nader toegelicht. Daarbij is over de eigen toelichting van de Maatschap onder andere nog het volgende gezegd:\n\n“ Een groot deel van de toelichting gaat in op het belang van het bedrijf om de grond in gebruik te krijgen. Dit is van toepassing op ieder bedrijf en daarom geeft dit geen extra punten voor de beoordeling. Ook het gegeven dat het bedrijf andere pachtgrond kwijtraakt, biedt geen basis om extra punten toe te kennen in de beoordeling.\n\nDe inschrijver levert een inhoudelijke bijdrage aan de verbrede landbouw, maar enkel op het\n\ngebied van duurzame landbouw en (heel beperkt) natuur en biodiversiteit. In de toelichting is niet, of althans beperkt, ingegaan op de maatschappelijke bijdrage van de inschrijver.\n\nDe beoordelingscommissie is daarom van oordeel dat de inschrijver een voldoende, inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van de bijdrage aan verbrede landbouw. De beoordelingscommissie kent daarom 50% van de te behalen punten toe.”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De Maatschap vordert – na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter de Gemeente\n\nprimair:\n\nI. veroordeelt om de percelen [kadastraal nummer] met ingang van 1 januari 2026 voor de duur van zes jaar aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht uit te geven voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de door de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;\n\nsubsidiair:\n\nII. indien de percelen [kadastraal nummer] door de Gemeente in pacht wordt\u002Fworden uitgegeven, veroordeelt om deze percelen alsdan met ingang van 1 januari 2026 aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht tot 1 januari 2032 aan te bieden voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;\n\nmeest subsidiair:\n\nIII. verbiedt om de percelen [kadastraal nummer] in pacht uit te geven zonder daaraan voorafgaand opnieuw een openbare selectieprocedure te hebben doorlopen die in overeenstemming is met de regels uit de Didam-arresten en overigens in overeenstemming met de uitkomsten van die selectieprocedure alsmede om de Gemeente te gelasten tot dat moment de met de Maatschap bestaande bruikleenovereenkomst met betrekking tot genoemde percelen te continueren;\n\nIV. indien wordt geoordeeld dat de door de Gemeente gehanteerde gunningscriteria voldoende redelijk, objectief en controleerbaar zijn, doch daaruit een ongelijke waardering van de eigen toelichtingen van [naam 2] en de Maatschap niet kan worden afgeleid, veroordeelt om de uitgifte van de percelen in geliberaliseerde pacht aan hetzij [naam 2] , hetzij de Maatschap ten overstaan van een notaris te doen bepalen door het lot.\n\nIn alle gevallen met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.\n\n3.2.. Daartoe voert de Maatschap ten aanzien van de primaire en subsidiaire vordering– samengevat – het volgende aan. De gunning die het resultaat was van Selectieprocedure I kon niet door de Gemeente worden ingetrokken. In de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is enkel een voorbehoud gemaakt voor het geval dat de uitkomsten van door andere inschrijvers te initiëren bezwaar\u002Fberoepsprocedures aanleiding geven om de gunning in te trekken. Die situatie heeft zich niet voorgedaan. Andere inschrijvers hebben immers geen bezwaar- of beroep aangetekend tegen de gunning van de [adres] aan de Maatschap. De Maatschap heeft dan ook terecht geprotesteerd tegen de intrekking van de gunning. Daar komt bij dat juist vanwege het ontbreken van een concurrerende inschrijving of gegadigde, volgens de Maatschap niet valt in te zien waarom de Gemeente op basis van de zogenoemde Didam-regels gehouden was om voor de [adres] opnieuw een openbare selectieprocedure te doorlopen.\n\n3.3.. Ter onderbouwing van de meest subsidiaire vordering stelt de Maatschap dat de selectiecriteria van Selectieprocedure II niet voldoen aan de eisen van objectiviteit, redelijkheid en controleerbaarheid als bedoeld in de Didam-arresten. Volgens de Maatschap is het derde gunningscriterium de ‘eigen toelichting’ onredelijk, onvoldoende objectief en onvoldoende controleerbaar. In de inschrijfvoorwaarden zijn geen objectieve criteria benoemd op basis waarvan de eigen toelichting verifieerbaar kan worden gewogen. Zo is niet duidelijk welke rol het criterium van ‘verbrede landbouw’ vervult – of welk gewicht daaraan wordt toegekend – bij de uitvoering van de in de uitwerking van het derde gunningcriterium benoemden diensten. Dat klemt te meer omdat het gaat om de gronduitgifte van een weiland in pacht, hetgeen per definitie impliceert dat sprake moet zijn landbouwactiviteiten. De in de uitwerking door de Gemeente als voorbeeld genoemde diensten die gericht zijn op cohesie en vitaliteit op het platteland zijn evenwel alle niet-landbouwactiviteiten. Die diensten zouden dan ook niet bij de waardering voor de uitgifte in pacht betrokken mogen worden, althans daaraan moet minder gewicht worden toegekend dan aan diensten die op zichzelf niet op gespannen voet staan met een bedrijfsmatige landbouwexploitatie. Mede gelet hierop is voor de Maatschap – en eenieder ander – niet duidelijk waarom aan de eigen toelichting van [naam 2] een hogere waardering is toegekend dan aan de eigen toelichting van de Maatschap. In dat verband merkt zij op dat inpachtgeving van de percelen aan de Maatschap duidelijk bijdraagt aan de verbetering van een zogenoemde groene dienst, terwijl uit niets blijkt dat inpachtgeving van de percelen aan [naam 2] bijdraagt aan de verbrede landbouwactiviteiten die hij in zijn eigen toelichting heeft omschreven. Een en ander brengt volgens de Maatschap mee dat de wijze waarop de Gemeente Selectieprocedure II heeft gevoerd leidt tot willekeur en daarom onrechtmatig is.\n\n3.4.. De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nSelectieprocedure I\n\n4.1.. Met haar primaire en subsidiaire vordering beoogt de Maatschap nakoming van de (voorlopige) gunningingsbeslissing van 29 januari 2025. Daarbij stelt zij de intrekking van die beslissing door de Gemeente ter discussie. De voorzieningenrechter zal eerst deze op (de uitkomst van) Selectieprocedure I betrekking hebbende vorderingen beoordelen.\n\n4.2.. Het meest verstrekkende verweer dat de Gemeente aanvoert is dat de Maatschap haar rechten om te klagen over de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 heeft verwerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit beroep op rechtsverwerking slaagt.\n\n4.3.. Niet in geschil is dat de Maatschap tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025. De Gemeente heeft in haar brief van 27 maart 2025 al aan de Maatschap laten weten dat dit bezwaar voor haar geen aanleiding geeft om het standpunt de intrekking te herzien. In die brief staat ook dat de Maatschap, op straffe van verval van recht, een kort geding moet starten als zij zich niet met de beslissing van de Gemeente kan verenigen. De Maatschap heeft dat toen, om onbekende reden, niet gedaan. Vervolgens is de Gemeente gestart met (de voorbereidingen van) Selectieprocedure II, met alle kosten van dien. De Maatschap heeft meegedaan aan die nieuwe selectieprocedure en heeft zich zonder enig gebleken voorbehoud ingeschreven op twee van de zes clusters. Zij had toen ook al met de Gemeente een bruikleenovereenkomst gesloten voor het gebruik van de [adres] in de periode 1 januari 2025 tot 31 december 2025. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Gemeente aan deze gang van zaken, waarbij de Maatschap tot aan deze procedure kennelijk geen enkele keer haar bezwaar opnieuw onder de aandacht heeft gebracht, het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de Maatschap zich bij de intrekking had neergelegd. Om die reden kan de Maatschap de rechtsgeldigheid van de intrekking van de gunningsbeslissing nu niet meer in rechte aanvechten. Dat – voor zover al juist – de Gemeente nog in staat is om in overeenstemming met de gunningingsbeslissing van 29 januari 2025 een geliberaliseerde pachtovereenkomst met de Maatschap aan te gaan voor de [adres] , maakt dat niet anders.\n\n4.4.. Nu gelet op het voorgaande tussen partijen heeft te geleden dat de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is ingetrokken, kan de Maatschap daarvan geen nakoming vorderen. De primaire en subsidiaire vordering moeten daarom worden afgewezen.\n\nSelectieprocedure II\n\n4.5.. De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de meest subsidiaire vordering. Ter onderbouwing van die vordering stelt in de Maatschap zich in de op het standpunt dat het selectiecriterium ‘eigen toelichting’, niet voldoet aan de eisen die daaraan gelet op de Didam-arresten moeten worden gesteld. Gelet op de mogelijkheden die de Maatschap voorafgaand aan de inschrijving heeft gehad om dit bezwaar tegen het selectiecriterium aan de orde te stellen, althans daarover vragen te stellen, acht de voorzieningenrechter het door de Gemeente gevoerde verweer dat de Maatschap haar recht om daarover te klagen heeft verwerkt goed verdedigbaar. Maar ook als aan dat verweer voorbij wordt gegaan, kan het door de Maatschap gestelde niet leiden tot toewijzing van haar vordering, zo volgt uit het hiernavolgende.\n\n4.6.. Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente bij de verpachtingen van de [adres] de door de Hoge Raad in de Didam-arresten geformuleerde regels in acht moet nemen. Dit betekent, kort gezegd, dat de Gemeente gelegenheid moet bieden aan alle potentiële gegadigden om mee te dingen naar de pacht van de [adres] . De Gemeente dient daartoe objectieve, toetsbare en redelijke criteria op te stellen aan de hand waarvan een pachter kan worden geselecteerd. Een selectieprocedure kan achterwege worden gelaten als slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de pachtovereenkomst.\n\n4.7.. Voor zover de Maatschap meent dat zij in dit geval de enige serieuze gegadigde was voor de pacht van de [adres] en de Gemeente Selectieprocedure II daarom achterwege had moeten laten, volgt de voorzieningenrechter haar daarin niet. Als de voorzieningenrechter het goed begrijpt baseert de Maatschap dit op het feit dat geen andere, concurrerende, inschrijvers bezwaar en beroep hebben aangetekend tegen de gunningsbeslissing van 29 januari 2025, waarbij de [adres] (voorlopig) aan de Maatschap was gegund. Daarmee is echter nog niet gezegd dat op voorhand al vaststond dat die andere inschrijvers niet als serieuze gegadigden voor de pacht van de [adres] konden worden aangemerkt. Dat die conclusie niet gerechtvaardigd is, wordt bevestigd door de uitkomst van Selectieprocedure II.\n\n4.8.. De regel dat de selectiecriteria objectief, toetsbaar en redelijk dienen te zijn, betekent niet dat een overheidslichaam alleen mag selecteren op basis van selectiecriteria die zuiver objectief zijn, denk aan hoogste prijs, volgorde van binnenkomst of loting. Een overheidslichaam komt de vrijheid toe kwaliteitscriteria te hanteren die op een meer subjectieve wijze beoordeeld worden in het kader van een vergelijking van de verschillende inschrijvingen. Vanzelfsprekend is inherent aan het gebruik van dergelijke criteria dat de uitkomst van de procedure minder voorspelbaar wordt, en dat bergt het risico op (schijn van) favoritisme, willekeur of ongelijkheid in zich. Bij het hanteren van dergelijke criteria zal het overheidslichaam daarom voldoende inzichtelijk moeten maken waarop zij haar uiteindelijke keuze baseert en wel aan de hand van de geformuleerde wensen die aan de inschrijvers op voorhand bekend zijn gemaakt als relevant voor de beoordeling.\n\n4.9.. \n\nIn dit geval heeft de Gemeente een selectiecriterium opgesteld dat van de inschrijvers vraagt om in een eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen te zetten op welke wijze hun bedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw. Daarmee heeft zij aansluiting gezocht bij de door haar in de Omgevingsvisie geformuleerde beleidsdoelstellingen. De Gemeente heeft dit selectiecriterium naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen hanteren zonder het stimuleren van verbrede landbouw nadrukkelijk te koppelen aan de vraag of dit de toekomstbestendigheid van het bedrijf van de inschrijver zelf ten goede komt. Anders gezegd: de Gemeente mocht gelet op de haar toekomende beleidsvrijheid het selectiecriterium vormgeven op de wijze zoals zij dat heeft gedaan.\n\nDe beoordeling van de uiteenzetting van de inschrijver over de bijdrage aan de verbrede landbouw draagt, als hiervoor gezegd, een zekere mate van subjectiviteit in zich: de beoordelingscommissie ‘waardeert’ immers de beschrijving c.q. argumenten van de inschrijver. De Gemeente is daarom gehouden te beoordelen op basis van punten waarvan vooraf voldoende bekend was dat deze relevant waren voor de beoordeling van de eigen toelichting en zal voldoende inzicht moeten gegeven in de relevante redenen die aan de puntentoekenning voor de eigen toelichting van de inschrijvers ten grondslag liggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de Gemeente zich hiervan kennelijk bewust geweest en heeft de Maatschap in ieder geval niet geconcretiseerd dat en waarom de Gemeente in redelijkheid niet tot de weging heeft kunnen komen die heeft geleid tot de door de Maatschap bestreden uitkomst.\n\n4.10.. Uit de toelichting op de puntensystematiek volgt genoegzaam dat het bij de beoordeling van de eigen toelichting gaat om de wijze waarop en de mate waarin het bedrijf van de inschrijver door het verrichten van nevenactiviteiten\u002F-diensten bijdraagt aan de verbrede landbouw. Duidelijk is gemaakt dat de Gemeente daarbij niet zozeer waarde hecht aan kwantiteit, maar veel meer aan de kwaliteit en de maatschappelijke impact die de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver hebben. Dat betekent, zo is uitgelegd, dat activiteiten met een grote maatschappelijk impact hoger wordt gewaardeerd. Uit de toelichting blijkt niet dat ook een onderscheid in waardering\u002Fweging wordt gemaakt tussen de in de toelichting genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten. Daarnaast blijkt niet dat de mate waarin een activiteit te maken heeft met de uitoefening van landbouw voor het toe te kennen aantal punten van belang is. Anders dan de Maatschap kennelijk meent, stond het de Gemeente gelet op de aan haar toekomende beleidsvrijheid vrij om die keuzes te maken.\n\n4.11.. Tegen deze achtergrond kan niet worden geoordeeld dat de motivering van de gunningsbeslissing gebrekkig is. Zelfs als juist is dat de Maatschap, zoals zij stelt, gelet op haar extensieve bedrijfsvoering en haar zilveren eco-regeling hoger scoort op het voor de landbouw relevante criterium van ‘groene diensten’ dan [naam 2] , betekent dat niet dat de beoordelingscommissie ten onrechte meer punten heeft toegekend aan de eigen toelichting van [naam 2] . Op basis van de aan de inschrijvers verstrekte informatie geldt dat niet de aard van de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver, maar het maatschappelijk effect daarvan bepalend is voor de waardering. Uit de motivering van de beoordelingscommissie volgt dat het bedrijf van [naam 2] hoog scoort op duurzaamheid, aandacht voor jonge boeren, innovatie en efficiëntie. De Maatschap heeft niet weersproken dat deze bijdragen een hoger en breder maatschappelijk effect hebben dan de als positief beoordeelde bijdragen van de Maatschap aan verbrede landbouw (eco-regeling zilver, historie van het bedrijf en de rol in de lokale gemeenschap). De stellingen van de Maatschap komen erop neer dat zij meent dat de beoordelingscommissie bij de toetsing van de eigen toelichting ten onrechte niet heeft gekeken of en in hoeverre de inpachtgeving van de percelen aan de betreffende inschrijver bijdraagt aan diens in de eigen toelichting beschreven verbrede landbouwactiviteiten. In dit verband wijst zij erop dat het landbouwbedrijf van [naam 2] een intensief veehouderijbedrijf is. Dit heeft volgens haar tot gevolg dat de eventuele inpachtgeving totaal niet bijdraagt aan een duurzame bedrijfsvoering of een positieve impact heeft op de natuur. Daar staat tegenover dat de uitgifte in pacht van de percelen aan de Maatschap wel duidelijk bijdraagt aan een verbetering van een zogenoemde groene dienst, omdat zij daardoor haar extensieve bedrijfsvoering kan worden behouden. De Maatschap legt daarmee aldus een verband tussen het gebruik van de in pacht uit te geven landbouwpercelen en de verbrede landbouwactiviteiten die de inschrijver in zijn eigen verklaring heeft omschreven. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Maatschap hiermee miskent dat de eigen toelichting niet enkel ziet op hoe het gepachte gaat worden gebruikt, maar op de bijdrage van het bedrijf van de inschrijver aan verbrede landbouw in het algemeen.\n\n4.12.. De Maatschap heeft er verder nog op gewezen dat de beoordelingscommissie het belang van de het voorgezette gebruik van de landbouwpercelen voor haar bedrijfsvoering terzijde heeft geschoven omdat dit voor alle inschrijvers zou gelden, terwijl de commissie wel punten heeft toegekend aan aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] die in haar ogen evenmin onderscheidend zijn. Volgens de toelichting op de puntensystematiek is echter niet relevant dat een inschrijver zich met het verrichten van nevenactiviteiten onderscheid van andere inschrijvers. Het gaat erom of die nevenactiviteiten een bijdrage leveren aan verbrede landbouw. Het is gelet op de genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten\u002Fdiensten niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie de door de Maatschap in haar pleitnota genoemde aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] positief heeft gewaardeerd. Niet gesteld of gebleken is dat de beoordelingscommissie voor soortgelijke aspecten bij andere inschrijvers geen punten heeft toegekend als deze in de eigen toelichting waren opgenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de (nadere) toelichting op de score van de Maatschap blijkt dat de commissie in ieder geval de duurzame landbouwactiviteiten (al dan niet in het kader van de Eco-regeling) van de Maatschap ook als positief heeft beoordeeld. Terecht heeft de Gemeente opgemerkt dat de beoordelingscommissie niet kan beoordelen wat niet in opgeschreven. Niet in geschil is dat de eigen toelichting van [naam 2] uitvoeriger en gedetailleerder is dan die van de Maatschap.\n\n4.13.. De voorzieningenrechter volgt de Maatschap tot slot ook niet in haar stelling dat het gezien de eigen toelichting van [naam 2] en de toetsing daarvan door de beoordelingscommissie lijkt alsof het aantal genoemde diensten doorslaggevend is voor de puntentoekenning. Als gezegd gaat het om de bijdrage die het bedrijf van de inschrijver levert aan verbrede landbouw. Als in de eigen toelichting is opgeschreven dat die bijdrage bestaat uit meerdere activiteiten die in de ogen van de beoordelingscommissie overtuigend zijn onderbouwd ligt het voor de hand dat dit leidt tot een hogere score. Dat betekent niet dat de beoordelingscommissie de in de toelichting op de puntensystematiek genoemde uitgangspunten bij de selectie heeft losgelaten.\n\n4.14.. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat (de beoordeling van) het selectiecriterium ‘eigen toelichting’ niet voldoet aan de Didam-regels en evenmin dat de beoordeling van de eigen toelichting van de Maatschap onjuist of onbegrijpelijk is. Dit betekent dat de Gemeente de selectieprocedure niet opnieuw hoeft te doen en dat er ook geen grond bestaat voor de gevorderde notariële loting.\n\n4.15.. De Maatschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00\n\n- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\n beslissing)\n\nTotaal € 2.101,00\n\n4.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de maatschap af;\n\n5.2.. veroordeelt de Maatschap in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Maatschap niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Maatschap € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.3.. veroordeelt de Maatschap in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n5.4.. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.\n\nEI\n\n HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam I) en HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661 (Didam II)","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6822","ecli-nl-rbdha-2026-6822",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]