Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:9268

Rechtbank

Den Haag

Datum

15 April 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Belastingrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 23/7106

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is tevens € 31 aan belastingrente berekend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.

Namens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].

OverwegingenFeiten

1. Eiser heeft op 11 mei 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Volkswagen Tiguan Allspace 1.5 TSI Elegance (de auto) met een CO2 uitstoot van 164 gr/km WLTP. De datum van eerste toelating is 28 september 2021.

2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [taxateur] B.V.. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 49.145 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.400 (gebaseerd op een de gemiddelde vraagprijs van vier referentievoertuigen onder aftrek van een marge van 25%). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 23.182,39 waarvan 92,3% (€ 21.400) in aanmerking is genomen) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 6.000. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 21 maart 2022. Het taxatierapport is gedagtekend 9 mei 2022.

3. Eiser heeft een aankoopfactuur van de auto overgelegd van 18 maart 2022, die een aankoopbedrag van € 16.364 (exclusief Btw en Bpm) toont.

4. De datum van keuring door de RDW is 11 mei 2022.

5. Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 24 mei 2022 vermeldt een historische nieuwprijs van € 48.398, een handelsinkoopwaarde van € 27.326 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 26.786 (schade € 750, aftrek 72% (€ 540)). De overige beschadigingen zijn door DRZ aangemerkt als zijnde niet meer dan gebruikersschade of reeds hersteld.

6. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.814 en is voldaan.

7. Verweerder heeft een naheffingsaanslag van € 4.706 opgelegd.

Geschil 8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:

of de DRZ deskundig is en of het rapport van de DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt;

of verweerder een te lage waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen, waarbij tevens in geschil is of de schadeaftrek terecht op 72% is gesteld;

of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag is vastgesteld;

of meerdere fundamentele beginselen geschonden zijn;

of de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het mandaatverbod).

Beoordeling van het geschil

Deskundigheid hertaxateur DRZ

9. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.

Waardevermindering wegens schade

10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiële gebreken van het taxatierapport van eiser kan het taxatierapport niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Tussen de fysieke opname door de taxateur en de keuring door de RDW is meer dan een maand verstreken, zodat het taxatierapport reeds daarom niet bruikbaar is. Het taxatierapport is bovendien niet bruikbaar omdat de staat van de auto tijdens de fysieke opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duidelijk niet overeenkomt met de staat van de auto ten tijde van de goedkeuring door de RDW. In het taxatierapport is een schadebedrag van ruim € 23.000 vermeld, welke schade DRZ niet heeft aangetroffen. Ook de aankoopprijs wijst erop dat eisers taxatie naar een waarde van € 6.000 onjuist en ondeugdelijk is.

11. Nu eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiser daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Voor de door eiser bepleite schadeaftrek van 92,3% is ook geen plaats.

Historische nieuwprijs

12. Voor zover eiser een hogere historische nieuwprijs bepleit, wat moet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag naar € 4.199, faalt dit. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat op verweerder met betrekking tot de waardevermindering geen enkele bewijslast rust. De schouw van de auto door DRZ vindt dan ook niet plaats in het kader van enige bewijsvoering door verweerder, maar slechts ter controle van de aangifte van eiser. Verweerder is wel gehouden zijn beslissing met betrekking tot het opleggen van een naheffingsaanslag en de hoogte hiervan te motiveren. Verweerder heeft zijn beslissing met betrekking tot (de hoogte van) de naheffingsaanslag onderbouwd met de door DRZ vastgestelde feiten. Eiser lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat verweerder gehouden is de naheffingsaanslag vast te stellen als ware aangifte gedaan met een taxatierapport waarin de door DRZ vastgestelde feiten met betrekking tot de auto (zoals eigenschappen, omvang van de schade, historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde) zijn opgenomen. Het wettelijk systeem brengt mee dat verweerder in een geval als het onderhavige de naheffingsaanslag vaststelt met inachtneming van het afschrijvingspercentage van de afschrijvingstabel (in dit geval 25,75%). Verweerder heeft in plaats daarvan een hoger afschrijvingspercentage in acht genomen (39,34%). De naheffingsaanslag is dus eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

Switchen naar koerslijstmethode

13. Eiser neemt in zijn nader stuk subsidiair het standpunt in dat hij wil switchen naar de koerslijstmethode, wat moet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag naar € 4.226. Uit de tot het dossier behorende X-Ray koerslijst volgt een afschrijving van 38,66%. Verweerder heeft een hoger percentage afschrijving toegepast, zodat eiser beroep reeds daarom faalt. Anders dan eiser voorstaat, is het aanpassen van gegevens van een auto uit een koerslijst (zoals verhoging van de CO2 uitstoot) binnen de koerslijstmethode niet mogelijk.

Mandaatverbod

14. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [naam 1], maar dat mag worden aangenomen dat [naam 1], als [functienaam], niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens eiser kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.

15. Dit punt is eerder in meerdere procedures door de gemachtigde aangevoerd. Het is de rechtbank daarom ambtshalve bekend dat [naam 1] ondertekent maar niet de behandelaar van de kennisgeving en de naheffingsaanslag is en verweerder het werkproces standaard zo heeft ingericht dat degene die de naheffingsaanslag vaststelt niet dezelfde persoon is als degene die het bezwaar behandelt. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat dat in deze zaak anders is. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat [medewerker belastingdienst 3], die de uitspraak op bezwaar heeft ondertekend, betrokken is geweest bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag. Uit de door verweerder overgelegde stukken komt naar voren dat de behandelaar van de naheffingsaanslag en degene die de kennisgeving en de mededeling heeft gemaakt en opgevoerd ‘[gebruikersnaam]’ is, oftewel mevrouw [naam 2]. Van schending van artikel 10:3, derde lid, Awb acht de rechtbank geen sprake.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 16 juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met tien maanden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer.

18. De rechtbank wijst het verzoek van eiser af. Eiser heeft aangifte gedaan en procedeert met een ondeugdelijk taxatierapport, waarbij voor ruim € 22.000 niet door DRZ geconstateerde schade in aanmerking is genomen en in de aangifte een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 6.000 is opgenomen, terwijl de auto blijkens de inkoopfactuur voor een aanmerkelijk hoger bedrag van € 16.364 ex Btw door eiser is gekocht. Standpunten gebaseerd op dit taxatierapport beschouwt de rechtbank als tegen beter weten in ingenomen en laat de rechtbank buiten beschouwing. Het financiële belang bij de procedure op basis van de overige standpunten bedraagt minder dan € 1.000. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vgl. ECLI:NL:HR:2025:1472.

Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.

Meer Beslissingen