Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:9269

Rechtbank

Den Haag

Datum

15 April 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Belastingrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 23/7934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V. , gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid),

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag verminderd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.

Namens eiseres is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .

OverwegingenFeiten

1. Eiseres heeft op 5 oktober 2020 op aangifte een bedrag van € 18.969 voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een BMW Alpina B3 Touring (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 16 september 2020. De auto is gekocht op 22 september 2020 voor € 80.096,38.

2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van Waardetaxaties.nl (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op

3 oktober 2020 plaatsgevonden en het taxatierapport is op dezelfde datum opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 137.688 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 68.658 (koerslijsten X-ray). De taxateur heeft een bedrag van € 1.084 (90% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 1.205,35) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 67.574 vastgesteld.

3. De auto is op 1 oktober 2020 door de RDW gekeurd.

4. Eiseres heeft op 12 oktober 2020 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 14 oktober 2020 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 137.688 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 100.000. Deze waarde is gebaseerd op twee referentievoertuigen. DRZ heeft verder een bedrag van € 1.284 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 925 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 99.075.

5. Verweerder heeft met dagtekening 3 december 2021 een bedrag van € 8.739 nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de berekening op basis van de individuele waardebepaling door DRZ.

6. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 4.495. Verweerder heeft verder een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting x € 296).

Geschil 7. In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Niet in geschil is dat voor de bezwaarfase een te lage proceskostenvergoeding is toegekend.

Beoordeling van het geschil

Handelsinkoopwaarde

8. Niet in geschil is dat de auto niet voorkomt op een koerslijst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de in haar taxatierapport weergegeven handelsinkoopwaarde van € 67.574 juist is. De door haar gebruikte BMW als referentieauto is onvoldoende vergelijkbaar met de auto (o.a. lager motorvermogen) en haar eigen aankoopprijs ligt een stuk hoger. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto door marktonderzoek bepaald op € 99.075. Verweerder heeft verklaard dat DRZ eerder van een te lage handelingsinkoopwaarde is uitgegaan aangezien DRZ twee auto’s had geselecteerd waarbij één de onderhavige auto is. De vraagprijs voor de auto bedroeg € 129.875. Als hiervan een winstmarge van 20% wordt afgehaald, zou de handelsinkoopwaarde € 103.900 bedragen in onbeschadigde staat. De rechtbank acht aannemelijk dat de door DRZ gebruikte handelsinkoopwaarde in beschadigde staat niet te hoog is. Dat meer dan 72% van de door DRZ geconstateerde schade van € 1.284 (een hoger bedrag dan eiseres zelf taxeerde) in aftrek moet komen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar is niet te hoog.

Proceskosten bezwaar

9. Eiseres heeft zich in haar nadere stuk terecht op het standpunt gesteld dat verweerder een te lage proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar.

Immateriële schade

10. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 23 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 6 januari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met afgerond twee jaar en vier maanden. Nu eiseres een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiseres recht op een vergoeding van immateriële schade van € 2.500.Van de 28 maanden waarmee de redelijke termijn is overschreden, moeten 16 maanden worden toegerekend aan de bezwaarfase en het restant, derhalve 12 maanden, aan de beroepsfase. De termijnoverschrijding is dus voor € 1.429 (16/28 deel van € 2.500) toe te rekenen aan verweerder en voor € 1.071 (12/28 deel van €2.500) aan de Staat.

Proceskosten

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase bedragen met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) € 1.332 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepsfase bedragen de te vergoeden proceskosten € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een factor 0,25). Omdat het beroep alleen gegrond is wat betreft de waarde per punt in bezwaar en er tevens sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, hanteert de rechtbank voor de beroepsfase een factor van 0,25. De totale vergoeding bedraagt € 1.799.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor wat betreft de vastgestelde proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;

wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.429;

veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.071;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.799;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

ECLI:NL:HR:2024:1060.

Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.

Meer Beslissingen