Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:3457

Rechtbank

Arnhem

Datum

1 May 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Belastingrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/8010
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 september 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.110.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB/PVV 2020 gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, waarin hij wijst op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025.

De inspecteur heeft een nader stuk ingediend, waarin hij ook ingaat op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur zijn verschenen [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .

Feiten

Vaststelling aanslag IB/PVV 2020 en bezwaar

1. Belanghebbende is in de jaren 2019 en 2020 in loondienst bij [naam bedrijf 1] B.V.

2. Op 28 januari 2019 heeft [naam bedrijf 2] B.V. een auto besteld, waarvan belanghebbende de beoogde bestuurder is. Het betreft een KIA e-Niro DynamicLine 64kWh, die uiteindelijk is geleverd op 20 januari 2020 met kenteken [kenteken] (de auto). De datum van de tenaamstelling van de auto is 24 januari 2020. De auto is volledig elektrisch.

3. Op 14 maart 2021 heeft de inspecteur de aangifte IB/PVV 2020 van belanghebbende ontvangen. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 56.525. Er is geen inkomen uit sparen en beleggen en inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. Belanghebbende heeft in die aangifte een percentage voor de bijtelling van de auto van 4% aangegeven.

4. Bij brief van 11 juli 2023 heeft de inspecteur aangegeven voornemens te zijn af te wijken van de aangifte IB/PVV 2020, omdat hij in de ontvangen aangifte voor het aangegeven loon uit dienstbetrekking een afwijking heeft geconstateerd in vergelijking met de ontvangen aangifte loonheffingen. De inspecteur stelt in de brief voornemens te zijn het loon uit dienstbetrekking van belanghebbende met € 1.585 te verhogen, van € 56.589 naar € 58.174. De afwijking ziet op de bijtelling voor de auto. Het percentage voor de bijtelling van de auto heeft de inspecteur verhoogd van 4% naar 8%.

5. Op 17 juli 2023 heeft de inspecteur een reactie van belanghebbende ontvangen, waaruit blijkt dat belanghebbende het niet eens is met de voorgenomen afwijking van de aangifte IB/PVV 2020.

6. Met dagtekening 18 augustus 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld overeenkomstig zijn voornemen tot afwijking. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.110 (€ 56.589 -/- € 64 inkomen uit eigenwoning + € 1.585).

7. Op 16 augustus 2023 heeft de inspecteur van belanghebbende het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2020 ontvangen.

8. Op 11 september 2024 heeft de inspecteur uitspraak op het bezwaar van belanghebbende gedaan.

Algemeen

9. Op 19 juni 2015 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze brief heeft de naam "Autobrief II" gekregen.

10. Op 5 juli 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze brief heeft de naam "Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II en parallelimport in relatie tot de BPM" gekregen.

11. Op 28 juni 2019 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met als titel "Kabinetsaanpak Klimaatbeleid". Daarin is onder meer vermeld:

“(…)

In de periode tot de overgang naar een nieuw systeem wordt de stimulering van elektrisch rijden aangepast doorgezet. Het kabinet wil immers oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen.

Het kabinet zet de huidige systematiek van stimulering van EV voort t/m 2025. Daarbij kiest het kabinet voor een stapsgewijze oploop van de bijtelling om oversubsidiëring te voorkomen. De bijtelling voor zakelijke rijders gaat daarom in 2020 naar 8% en het plafond waarboven deze korting niet meer geldt voor het resterende bedrag van de aanschafprijs wordt verlaagd. Hiermee zorgt het kabinet ervoor dat de stimulering gericht wordt op de aanschaf van modellen die later ook interessant zijn voor de tweedehands markt.

(…)”

12. In het debat over het pakket klimaatmaatregelen (Klimaatakkoord) van 3 juli 2019 is de vraag (van het kamerlid J.F. Klaver) aan de orde gekomen waarom de bijtelling, in afwijking van Autobrief II, al in 2020 omhooggaat. Over de specifieke groep die in 2019 een bestelling voor een elektrische auto heeft geplaatst, maar pas in 2020 geleverd krijgt, is het volgende vermeld:

“Staatssecretaris Van Veldhoven- van der Meer [Rechtbank: de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat]:

(…)

Voorzitter. Dan had de heer Klaver nog een vraag over de bijtelling die al in 2020 verhoogd wordt. Dat is inderdaad een lastige maatregel. Er zitten altijd plussen en minnen in een akkoord, en dit is een lastige maatregel. Maar ik vind het wel belangrijk om te preciseren voor welke groep dit geldt. Mensen die nu al in een elektrische auto buiten rondrijden, worden hier niet door geraakt. Dit gaat alleen om de mensen die eigenlijk op de wachtlijst stonden en die hun auto dit jaar besteld hebben, maar die pas volgend jaar geleverd krijgen. Als u nu al in een elektrische auto rijdt, raakt het u dus niet. De kleine groep die op de wachtlijst stond voor een auto is de groep waar het over gaat. Voor iedereen die het raakt, is dat natuurlijk vervelend, maar als je het op het hele wagenpark bekijkt, dan is het een relatief kleine groep.

(…)

De indruk die we nu hebben, is dat het gaat om een 10.000 mensen die daardoor geraakt worden. Dat is voor iedereen natuurlijk heel vervelend, maar op de grote groep van het wagenpark is dat een relatief kleine groep.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dit is waarom ik deze vraag stel: het is een betrekkelijk kleine groep, en daarmee is het effect ook betrekkelijk klein, zowel financieel als ten aanzien van wat het voor het milieu doet. De reden waarom ik de vraag stelde, was dat het wel iets zegt over de betrouwbaarheid van de overheid. Mijn vraag is dus toch: waarom neemt u deze maatregel al voor 2020 en voor deze groep?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik snap de vraag en die is ook terecht. Wij hebben dit gedaan, omdat we aan de ene kant overstimulering willen voorkomen. Aan de andere kant gaat ook de cap in. Nederland wil een ander soort auto’s aantrekken. Want wat zag je gebeuren? De Rekenkamer heeft daar ook een aantal keren aandacht aan besteed. De afgelopen jaren vroeg het soort auto’s dat we aantrokken, per auto een relatief grote stimulering, maar die auto's waren te duur voor de tweedehandsmarkt. Vervolgens werden die geëxporteerd naar het buitenland. Je zou kunnen zeggen: laat die situatie nog een jaar voortbestaan. Dan krijg je echter een grote piek in de aankoop van juist dat soort auto’s. En waarschijnlijk gaan die daarna weer naar het buitenland gaan, als je de resultaten uit het verleden bekijkt. Wat we dus willen doen, is zo snel mogelijk de focus verleggen naar de auto's die daarna ook interessant zijn voor de tweedehandsmarkt. We willen dus niet meer de Tesla’s en de Jaguars, maar meer de middenklassenauto's. We laten dit nu snel ingaan, omdat je anders nog een soort piek in de markt creëert van auto's die je niet meer wilt aantrekken.

(…)

De heer Klaver (GroenLinks):

(…)

Voorzitter. Ik wil echt nog even op terugkomen op de auto’s om het goed te snappen. Ik snap heel goed dat je een ander type auto wil. Daar ben ik het mee eens. U zegt terecht dat deze mensen de auto al besteld hebben, maar dat die nog niet geleverd is. Die auto komt dus sowieso naar Nederland. De vraag is wat het effect is van deze maatregel die nu ingaat. Komen er daardoor echt minder auto’s van dit type op de Nederlandse markt?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Deze auto’s zijn besteld. Wat het voor deze mensen betekent, is dat de korting op hun bijtelling omlaaggaat van 18% naar 14%. Het betekent voor deze mensen dus een financieel verschil. Dat zou per maand een paar tientjes verschil kunnen maken. Het is dan de vraag of zo’n auto daarvoor dan niet meer naar Nederland komt, want als je de bijtelling van vergelijkbare fossiele auto’s bekijkt, is die nog steeds een stuk hoger. Dan is het dus nog steeds een stuk aantrekkelijker om deze auto te rijden.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik stel deze vragen omdat het me gaat om de proportionaliteit van ingrijpen in een belofte die de overheid heeft gedaan. Ik ben het er nog mee eens ook. Ik snap heel goed waarom het kabinet het doet. Maar om dan deze relatief kleine groep te pakken … Die auto’s komen toch naar Nederland, want een wachtlijst betekent vaak dat ze al besteld zijn. Ik hoop dat het kabinet daar nog over wil nadenken. Als je het hebt over draagvlak, is dit iets dat er bij heel veel mensen in hakt, zelfs als je er onwijs tegen bent dat auto’s ook gesubsidieerd worden.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:

Ik ben blij dat we met elkaar constateren dat het kabinet de goede richting kiest met de elektrische auto’s: een ander type auto en focus op de tweedehandsmarkt. We hebben gekeken of we het een halfjaar later konden laten ingaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen, maar dat blijkt niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. Ik heb tegen de mensen aan tafel wel gezegd: laten we met elkaar om tafel gaan om te kijken waar dit knelpunten oplevert. Dit pakket staat, maar laten we met elkaar kijken naar het handelingsperspectief.”

13. In het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord zijn voorstellen ter uitwerking van de aangekondigde fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord opgenomen. In de memorie van toelichting is omtrent het verlagen van de korting van 18% naar 14% het volgende vermeld:

“In overeenstemming met de afspraken in het Klimaatakkoord wordt bij de stimulering van elektrische auto’s meer rekening gehouden met de ontwikkelingen in de markt. De verkoopcijfers van elektrische voertuigen tonen aan dat de verkoop van elektrische auto’s aanvankelijk achterbleef bij de ramingen, maar dat het gevoerde beleid succesvol is en dat de verkopen de verwachtingen van de Wet uitwerking Autobrief II inmiddels ruimschoots overtreffen. In 2018 zijn ongeveer twee keer zoveel elektrische auto's verkocht als verwacht. De verkopen tot nu toe in 2019 laten zien dat ook in 2019 meer elektrische auto’s zullen worden verkocht dan eerder geraamd. Een dergelijke stijging van de verkopen is een aanwijzing dat de mate van stimulering waarschijnlijk hoger is dan noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken. Dat is voor het kabinet aanleiding om al met ingang van 1 januari 2020 over te gaan tot een verlaging van de korting op de bijtelling voor elektrische auto’s en een verlaging van de cap. De korting op de bijtelling bedraagt zoals gezegd op dit moment 18%-punt. Het kabinet stelt voor met ingang van 1 januari 2020 deze korting te verlagen tot 14%-punt en tegelijkertijd de cap te verlagen tot € 45.000 waardoor in 2020 de korting maximaal € 6300 bedraagt.”

Beoordeling door de rechtbank

14. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek spitst het geschil zich toe op de volgende vragen:

Leidt de verlaging van de bijtellingskorting van 18% naar 14% tot een ongeoorloofde inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM)?

Leidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het vertrouwensbeginsel?

Leidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel?

Leidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het discriminatieverbod, zoals bedoeld in artikel 14 van het EVRM?

De rechtbank zal de vragen hierna één voor één behandelen. Eerst zal de rechtbank het wettelijk kader geven.

Wettelijk kader

15. Op grond van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (wettekst 2020), wordt voor een auto die ook voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld, het voordeel op kalenderjaarbasis op ten minste 22% van de waarde gesteld indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.

16. Artikel 13bis, tweede lid, van de Wet LB (wettekst 2020) bepaalt dat het voordeel op kalenderjaarbasis met 14% van de waarde van de auto wordt verlaagd indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot van de auto 0 gram per kilometer is (nulemissieauto), met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 6.300 bedraagt. Op grond van de wettekst 2019 bedroeg die verlaging 18% en ten hoogste € 9.000.

17. Uit artikel 13bis, achttiende lid, van de Wet LB (wettekst 2020) volgt dat een bijtellingspercentage dat eenmaal is vastgesteld voor een periode van vijf jaar na de eerste tenaamstelling blijft gelden.

18. Artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat onder loon wordt verstaan hetgeen op grond van de Wet LB ook onder loon wordt verstaan.

Leidt de verlaging van de bijtellingskorting van 18% naar 14% tot een ongeoorloofde inbreuk op artikel 1 op het EP bij het EVRM?

19. Belanghebbende is van mening dat de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% leidt tot een schending van artikel 1 van het EP bij het EVRM, omdat hij de auto op 28 januari 2019 heeft besteld met de gerechtvaardigde verwachting dat de bijtellingskorting 18% zou bedragen. Die verwachting is volgens belanghebbende gebaseerd op de openbare communicatie van de Rijksoverheid en de Belastingdienst op 19 juni 2015 (Autobrief II) en 5 juli 2018 (Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II en parallelimport in relatie tot de BPM). Belanghebbende stelt dat hij door de snelle invoer van de verminderde bijtellingskorting van 14% is benadeeld, omdat hij niet meer de mogelijkheid had om te kiezen voor een auto met een kortere levertermijn zodat hij nog gebruik kon maken van de hogere bijtellingskorting van 18%. Belanghebbende wijst in zijn nader stuk op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025, waarin in een vergelijkbare zaak werd geoordeeld dat de verhoogde bijtelling op regelniveau strijdig is met artikel 1 van het EP van het EVRM.

20. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn uitspraak van 17 maart 2026heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025, waar belanghebbende zich op heeft beroepen, vernietigd. In zijn uitspraak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een vergelijkbaar geval – over de vraag of de verhoging van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto per 1 januari 2020 op stelselniveau een onaanvaardbare inbreuk vormt op artikel 1 van het EP bij het EVRM – onder meer het volgende overwogen.

“ (…)4.10.. De Rechtbank [Noord-Nederland, toevoeging rechtbank] heeft voor zijn oordeel dat sprake is van schending in vorenbedoelde zin onder meer redengevend geacht dat de wetgever met geen woord heeft gerept over de groep belastingplichtigen die vóór de aankondiging op 28 juni 2019 (zie 4.4) al verplichtingen is aangegaan en de gewekte verwachtingen van deze groep dus in het geheel niet zijn meegewogen. Deze overweging mist feitelijke grondslag aangezien uit het onder 4.5 vermelde blijkt dat de gevolgen voor deze specifieke groep onderdeel is geweest van het debat.

4.11..

Uit de onder 4.4 tot en met 4.6 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever met de stapsgewijze oploop van de bijtelling vanaf 2020 het volgende heeft beoogd: oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen. Daarbij is ervoor gekozen de maatregel niet een halfjaar later in te laten gaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen – zodat, naar het Hof begrijpt, ook deze groep zou vallen onder het onder artikel 13bis, lid 18, van de Wet LB 1964 opgenomen overgangsrecht – omdat dit niet uitvoerbaar blijkt voor de Belastingdienst. De wetgever realiseerde zich dat deze relatief kleine groep er per maand een aantal tientjes op achteruit zou gaan.

(…)”

De rechtbank maakt bovenstaande overwegingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tot de hare. Zij wijst hierbij op de hiervoor onder punt 11 tot en met 13 geciteerde stukken uit de parlementaire geschiedenis, zoals die ook zijn opgenomen onder overweging 4.4. tot en met 4.6 van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

21. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met de gemaakte afweging voor het reeds op 1 januari 2020 in laten gaan van de verlaging van de bijtellingskorting, zonder overgangsrecht voor de groep belastingplichtigen die al verplichtingen was aangegaan vóór de aankondiging op 28 juni 2019, niet buiten zijn ruime beoordelingsmargeis getreden. De conclusie luidt dat de verlaging van de bijtellingskorting geen ongeoorloofde inbreuk vormt op artikel 1 van het EP bij het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Leidt verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het vertrouwensbeginsel?

22. Belanghebbende is van mening dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot een schending van het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert belanghebbende aan dat de stimuleringsmaatregel in de vorm van een bijtellingskorting van 18% hem heeft aangespoord om voor een nulemissieauto te kiezen. Het vertrouwen dat de bijtellingskorting 18% zou bedragen, is opgewekt door overheidscommunicatie, zonder tijdsbeperking van de stimuleringsmaatregel. Volgens belanghebbende ging de rol van de Staatssecretaris van Financiën daarbij verder dan de rol van medewetgever. Dit blijkt uit de publiekscommunicatie door de Rijksoverheid waarin de Autobrief II als geldend beleid werd vermeld en de communicatie via de site van de Rijksoverheid, waarbij de burger is geïnformeerd over een aanpak tot en met 2020. Belanghebbende is van mening dat de Staatssecretaris van Financiën daarbij heeft gehandeld als uitvoerende macht. Er was geen reden om aan te nemen dat in 2019 een wetswijziging per 1 januari 2020 zou worden aangekondigd zonder een overgangsbepaling voor de gevallen waarin al sprake was van een lopende bestelling van een nulemissieauto. Volgens belanghebbende is het algemeen belang van belastingheffing niet dermate groot dat dit opweegt tegen het invoeren van overgangsbeleid of een specifieke toepassing van een lager bijtellingspercentage in dit individuele geval.

23. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.

24. De rechtbank is van oordeel dat de verlaging van de bijtellingskorting niet leidt tot schending van het vertrouwensbeginsel. Op de eerste plaats is geen sprake van een expliciete toezegging dat de bijtellingskorting ook in 2020 18% zou blijven. Bovendien geldt dat, indien al sprake zou zijn van een (impliciete) toezegging, deze is gedaan door de Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van medewetgever en niet in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet. De rechtbank wijst er daarbij op dat de Autobrief II en de Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II en parallelimport in relatie tot de BPM parlementaire stukken zijn. Belanghebbende kan aan een toezegging van de Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van medewetgever geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.

Leidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel?

25. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Belanghebbende wijst op een adviesdocument van het Ministerie van Financiën waarin staat dat de keuze om de bijtelling met ingang van 1 januari 2020 te verhogen het verwijt tot gevolg heeft dat sprake is van een onbetrouwbare overheid en dat dit verwijt terecht lijkt. Vanwege de snelle invoering van de nieuwe wetgeving was het volgens belanghebbende noodzakelijk dat er fiscaal overgangsbeleid zou worden ingevoerd.

26. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginselbeginsel. Burgers kunnen er in het algemeen in redelijkheid niet op vertrouwen dat belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven.De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.

Leidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het discriminatieverbod, zoals bedoeld in artikel 14 van het EVRM?

27. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot een schending van het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 14 van het EVRM. Volgens belanghebbende worden degenen die vóór juni 2019 een auto met een lange levertijd hebben besteld, zwaarder belast dan degenen die na die datum een auto met een kortere levertijd hebben besteld, in de wetenschap dat het bijtellingstarief gewijzigd zou worden. Belanghebbende stelt dat zijn werkgever de auto al in januari 2019 heeft besteld en dat de auto niet kosteloos geannuleerd kon worden, waardoor hij geen keuze meer had om een auto met een kortere levertermijn te bestellen met bijbehorend lager bijtellingspercentage. Gevallen waarin al sprake was van een lopende bestelling zijn benadeeld door de snelle invoering van het gewijzigde bijtellingspercentage zonder overgangsbepaling.

28. De rechtbank overweegt als volgt. In het algemeen komt aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in geval van bevestigende beantwoording van deze vraag, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is.

29. De rechtbank is van oordeel dat de verlaging van de bijtellingskorting niet leidt tot schending van het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Zelfs indien sprake zou zijn van gelijke gevallen, bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging om deze gevallen verschillend te behandelen. De objectieve rechtvaardiging is gelegen in het feit dat de verlaging van de bijtellingskorting afhankelijk is gesteld van de datum van tenaamstelling van de auto. De redelijke rechtvaardiging is gelegen in de wens van de wetgever om oversubsidiëring van nulemissieauto’s te voorkomen.

Conclusie en gevolgen

30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2020 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.

Uitgesproken op 1 mei 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Rechtbank Noord-Nederland 10 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2815.

Zie voetnoot 1.

Kamerstukken II2014/15, 32800, nr. 27.

Kamerstukken II2017/18, 32800, nr. 44.

Kamerstukken II2018/19, 32813, nr. 342, p. 11.

Handelingen II2018/19, nr. 101, item 15, p. 48-50.

MvT, Kamerstukken II2019/20, 35304, nr. 3, p. 5.

Zie voetnoot 1.

ECLI:NL:GHARL:2026:1661.

Vergelijk Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3.

Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.

Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, r.o. 3.3.

Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3.

Hoge Raad 22 december 2013, ECLI:NL:HR:2023:1789, r.o. 4.2.2.

Meer Beslissingen