ECLI:NL:RBGEL:2026:4470
Samenvatting
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/7178, 24/7184, 24/7185, 24/7186, 24/7188 en 24/7191
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 juni 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 juni 2024, 12 juni 2024, 13 juni 2024 en 18 juni 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2020 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), aanmerkelijk belang (box 2) en sparen en beleggen (box 3) van:
Box 1
Box 2
Box 3
Belastingrente
2015
Navordering
€ 770.064
€ 197.458
€ 46.665
2016
Navordering
€ 680.892
€ 243.516
€ 38.575
2017
Navordering
€ 750.950
€ 51.309
€ 105.726
€ 31.572
2018
Navordering
€ 1.531.079
€ 131.213
€ 99.212
2019
Aanslag
€ 677.237
€ 175.654
€ 13.260
2020
Aanslag
€ 2.887.547
€ 161.682
€ 60.395
Voor de jaren 2018 en 2019 heeft de inspecteur naar aanleiding van het Kerstarrest het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 117.882 (2018) en € 157.393 (2019) en de belastingrente verminderd tot € 98.518 (2018) en € 12.512 (2019).
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen uitsluitend voor wat betreft het belastbaar inkomen box 1 en de belastingrente als volgt verminderd:
Box 1
Box 2
Box 3
Belastingrente
2015
€ 698.739
€ 197.458
€ 38.755
2016
€ 616.856
€ 243.516
€ 31.788
2017
€ 685.316
€ 51.309
€ 105.726
€ 25.659
2018
€ 1.373.230
€ 117.882
€ 84.302
2019
€ 674.004
€ 157.393
€ 12.284
2020
€ 2.675.488
€ 161.682
€ 54.942
De rechtbank heeft de beroepen als volgt geregistreerd:
Jaar
Zaaknummer
2015
24/7178
2016
24/7184
2017
24/7185
2018
24/7186
2019
24/7188
2020
24/7191
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Belanghebbende en zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen verzocht schriftelijke inlichtingen te geven. Partijen hebben daarop gereageerd. Bij bericht van 17 april 2026 heeft de rechtbank partijen ervan in kennis gesteld dat zij voldoende geïnformeerd is en het onderzoek wil sluiten zonder nadere zitting, tenzij partijen binnen twee weken kenbaar maken een nadere zitting te willen. Omdat geen reactie is ontvangen, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 mei 2026 gesloten.
Feiten
1. Belanghebbende is geboren in 1967 en onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.
2. Belanghebbende bezit sinds 23 december 2005 alle aandelen in [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.
3. [naam bedrijf 1] bezit sinds 1 januari 2006 alle aandelen in [naam bedrijf 2] B.V. ([naam bedrijf 2]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.
4. Belanghebbende is sinds 4 juli 2014 enig bestuurder van de [naam stichting] (de stichting). De stichting heeft een Raad van Toezicht (RvT) bestaande uit ten minste één en ten hoogste drie leden. De stichting is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.
5. Belanghebbende is eigenaar van een villa-complex met 7 appartementen (de villa’s) met gezamenlijk zwembad aan de [locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers) te [plaats 2].
6. Belanghebbende is eigenaar van een woon-zorgcomplex (het woon-zorgcomplex) te [plaats 2] genaamd ‘[naam]’, bestaande uit een hoofdgebouw ([locatie] [huisnummer]) en 48 appartementen ([locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers)).
7. Op 4 juli 2014 heeft belanghebbende een recht van erfpacht uitgegeven op het woon-zorgcomplex ten behoeve van de stichting. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.500.000. Daarvan is € 2.000.000 door de stichting betaald. De overige € 5.500.000 werd schuldig gebleven. Jaarlijks werd over dit bedrag aan belanghebbende rente vergoed. De rente bedroeg per jaar:
2015
€ 267.254
2016
€ 247.187
2017
€ 219.948
2018
€ 205.307
Belanghebbende gaf ook het recht op gebruik van de grond uit aan de stichting. De overeengekomen erfpachtcanon bedroeg € 42.000 per jaar. De waarde van de blote eigendom van de grond is getaxeerd op € 1.400.000.
8. Op 7 december 2018 heeft de stichting het recht van erfpacht verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.216.900. Daarvan is € 2.216.900 door [naam bedrijf 1] betaald. De overige € 5.000.000 werd schuldig gebleven. Belanghebbende heeft tegelijkertijd de juridische gerechtigdheid tot het woon-zorgcomplex verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 1.633.100 en is volledig schuldig gebleven.
9. [naam bedrijf 1] heeft het woon-zorgcomplex vervolgens aan de stichting verhuurd. De stichting zette zich in voor persoonlijke zorg- en dienstverlening aan de bewoners van het woon-zorgcomplex.
10. De stichting verhuurde de appartementen in het woon-zorgcomplex aan bewoners. De huurovereenkomst werd aangegaan voor onbepaalde tijd en eindigde door opzegging of na overlijden van de bewoner of als de bewoner de overeenkomst tot persoonlijke verzorging had opgezegd of die overeenkomst om een andere reden werd beëindigd. Bewoners sloten tevens een overeenkomst tot serviceverlening met [naam bedrijf 2] voor de afname van hotelmatige diensten.
11. Belanghebbende verhuurde de villa’s aan bewoners. In de jaren 2015 tot en met 2020 bedroeg de huuropbrengst:
2015
€ 244.140
2016
€ 203.460
2017
€ 244.020
2018
€ 244.020
2019
€ 282.360
2020
€ 142.020
12. Het zwembad verhuurde belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2017 aan de stichting. In 2018 en 2019 is het zwembad verhuurd aan [naam bedrijf 2]. De jaarlijkse huuropbrengst bedroeg € 40.980. In 2020 is er geen huuropbrengst geweest.
13. In 2020 heeft belanghebbende de villa’s en het zwembad verkocht aan een Frans bedrijf dat actief is op het gebied van gezondheidszorg en huisvesting voor bejaarden. [naam bedrijf 1] heeft tegelijkertijd ook het woon-zorgcomplex verkocht aan het Franse bedrijf. De verkoopprijs voor al het onroerend goed samen bedroeg € 15.180.000. Daarvan is € 5.624.534 toerekenbaar aan de villa’s en het zwembad.
14. De historische verkrijgingsprijs van de villa’s bedroeg in totaal € 2.932.920.
15. Belanghebbende rekende de villa’s en het hoofdgebouw van het woon-zorgcomplex jaarlijks tot zijn grondslag sparen en beleggen. In zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2020 heeft belanghebbende daarvoor het volgende aangegeven:
2015
2016
2017
2018
2019
2020
[locatie] [huisnummer]
€ 260.100
€ 261.800
€ 270.300
€ 278.800
€ 300.900
€ 336.600
[locatie] [huisnummer]
€ 300.900
€ 336.600
[locatie] [huisnummer]
€ 260.100
€ 261.800
€ 270.300
€ 278.800
€ 300.900
€ 336.600
[locatie] [huisnummer]
€ 260.100
€ 261.800
€ 270.300
€ 278.800
€ 300.900
€ 336.600
[locatie] [huisnummer]
€ 260.100
€ 261.800
€ 270.300
€ 278.800
€ 300.900
€ 336.600
[locatie] [huisnummer]
€ 260.100
€ 261.800
€ 270.300
€ 270.300
€ 300.900
€ 336.600
[locatie] [huisnummer]
€ 369.750
€ 371.450
€ 383.350
€ 395.250
€ 425.850
€ 476.000
[locatie] [huisnummer]
€ 850.000
€ 850.000
€ 850.000
€ 850.000
€ 850.000
Totaal
€ 2.520.250
€ 2.530.450
€ 2.584.850
€ 2.630.750
€ 3.081.250
€ 2.495.600
16. De op grond van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV verschuldigde belasting bedroeg:
2015
€ 233.047
2016
€ 230.173
2017
€ 245.435
2018
€ 255.201
2019
€ 290.537
2020
€ 277.107
17. De inspecteur is een boekenonderzoek gestart naar aanleiding van de aangifte
vennootschapsbelasting 2018 van [naam bedrijf 1]. Van dit boekenonderzoek is geen rapport opgemaakt.
18. De gegevens die bij het boekenonderzoek bekend zijn geworden, vormden voor de inspecteur aanleiding om navorderingsaanslagen IB/PVV aan belanghebbende op te leggen voor de jaren 2015 tot en met 2018 en om voor de jaren 2019 en 2020 bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV af te wijken van de aangiften. De inspecteur heeft daarbij de volgende correcties aangebracht in het belastbaar inkomen:
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Correctie box 1
€ 594.374
€ 533.627
€ 546.948
€1.315.407
€ 287.772
€2.493.599
Correctie box 2
- € 51.309
Correctie box 3
-/- € 300.810
-/- € 294.019
-/- € 383.328
-/- € 370.484
-/- € 172.242
-/- € 127.079
19. De correcties in box 1 zijn als volgt te specificeren:
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Rente-baten vordering
€ 267.254
€ 247.187
€ 219.948
€ 205.307
Canon
€ 42.000
€ 42.000
€ 42.000
€ 42.000
Verhuur villa's
€ 244.140
€ 203.460
€ 244.020
€ 244.020
€ 282.360
€ 142.020
Verhuur zwembad
€ 40.980
€ 40.980
€ 40.980
€ 40.980
€ 40.980
Verkoop rechten
€ 783.100
Verkoop villa’s
€ 2.691.615
TBS-vrijstelling
-/- € 35.568
-/- € 340.036
Totaal
€ 594.374
€ 533.627
€ 546.948
€1.315.407
€ 287.772
€ 2.493.599
20. De grondslag box 3 heeft de inspecteur naar aanleiding van de correcties in box 1 met de volgende bedragen verlaagd:
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Overige vorderingen en contant geld
€5.000.000
€4.820.000
€4.525.000
€4.250.000
Overige onroerende zaken
€2.520.250
€2.530.450
€2.586.850
€2.630.750
€3.081.250
€2.495.600
Totaal
€7.520.250
€7.350.450
€7.111.850
€6.880.750
€3.081.250
€2.495.600
21. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de correcties van de inspecteur. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de correcties in box 1 als volgt aangepast:
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Rente-baten vordering
€ 267.254
€ 247.187
€ 219.948
€ 205.307
Canon
€ 42.000
€ 42.000
€ 42.000
€ 42.000
Verhuur villa's
€ 244.140
€ 203.460
€ 244.020
€ 244.020
€ 282.360
€ 142.020
Verhuur zwembad
€ 40.980
€ 40.980
€ 40.980
€ 40.980
€ 40.980
Verkoop rechten
€ 783.100
Verkoop villa’s
€ 2.450.640
TBS-vrijstelling
-/- € 71.325
-/- € 64.036
-/- € 65.634
-/- € 157.849
-/- € 38.801
-/- € 311.120
Totaal
€ 523.049
€ 469.591
€ 481.314
€1.157.558
€ 284.539
€ 2.281.540
Beoordeling door de rechtbank
22. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd en of de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
23. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 en de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
24. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?
25. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor alle in geschil zijnde jaren de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Volgens de inspecteur is sprake van inhoudelijke gebreken in de aangiften die ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De inspecteur voert primair aan dat sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en dat belanghebbende daarom een aantal inkomensbestanddelen in box 1 had moeten aangeven in plaats van in box 3. Volgens de inspecteur wist belanghebbende dit of had hij zich ervan bewust moeten zijn. De inspecteur heeft zijn standpunt onderbouwd met de volgende berekening met betrekking tot de verschuldigde belasting:
26. Subsidiair voert de inspecteur aan dat, ook als wordt aangenomen dat geen sprake is van een samenwerkingsverband, de aangiften IB/PVV 2015 tot en met 2019 de volgende inhoudelijke gebreken vertonen:
2015 tot en met 2018: De hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] is voor € 550.000 te weinig aangegeven in box 3.
2015 tot en met 2017: De waarde van het zwembad is niet in box 3 aangegeven en bedraagt volgens de inspecteur € 700.000.
2018 en 2019: De huuropbrengst van het zwembad (€ 40.980) is niet in box 1 aangegeven.
Het verschil tussen de verschuldigde belasting op grond van de aangiften en de werkelijk verschuldigde belasting heeft de inspecteur voor dat geval als volgt berekend:
2015: € 15.000 absoluut en 11,60% relatief
2016: € 15.000 absoluut en 10,07% relatief
2017: € 20.212 absoluut en 12,32% relatief
2018: € 22.851 absoluut en 12,56% relatief
2019: € 21.207 absoluut en 14,42% relatief
27. Belanghebbende is van mening dat er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat sprake is van een pleitbaar standpunt ten aanzien van de vraag of er een samenwerkingsverband is. De correcties op grond van het subsidiaire standpunt van de inspecteur zijn volgens belanghebbende ten dele juist, maar leiden niet tot een relatief aanzienlijk bedrag aan te weinig betaalde belasting.
28. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd (absoluut) en verhoudingsgewijs (relatief) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.Ten slotte geldt dat als sprake is van een rechtens pleitbaar standpunt, er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.
29. De rechtbank moet per belastingjaar beoordelen of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Omdat belanghebbende voor al de in geschil zijnde belastingjaren aangiften IB/PVV heeft ingediend, moet worden beoordeeld of sprake is van ‘inhoudelijke gebreken’, zoals hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat dit het geval is. Als de rechtbank de inspecteur al zou volgen in zijn primaire standpunt dat sprake is van een samenwerkingsverband, dan kan dit niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat belanghebbende bij zijn aangiften voor de jaren 2015 tot en met 2020 ervan is uitgegaan dat geen samenwerkingsverband aanwezig is, is naar het oordeel van de rechtbank een pleitbaar standpunt. Het kon namelijk gebaseerd worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, waarvan hij - naar objectieve maatstaven gemeten - redelijkerwijs kon en mocht menen dat die uitleg en daarmee de door hem gedane aangiften juist waren.
30. Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van de inspecteur staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3. Verder staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2017 de waarde van het zwembad onterecht niet in box 3 heeft aangegeven en voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 heeft aangegeven. Deze inhoudelijke gebreken in de aangiften leiden er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekeningen is uitgegaan van veel lagere belastingbedragen (zie 25. de kolom ‘Aangifte’) dan die op grond van de ingediende aangiften verschuldigd zijn (zie 16.). Bovendien verschillen partijen van mening over de waarde van het zwembad en staat de € 700.000 waarvan de inspecteur in zijn berekening is uitgegaan dus ter discussie. Als wordt uitgegaan van de juiste belastingbedragen die op grond van de aangiften verschuldigd zijn en voor het overige de uitgangspunten van de inspecteur zouden worden gevolgd (zie 26.), is de werkelijk verschuldigde belasting voor de jaren 2015 tot en met 2019 tussen de 6,43% en 8,95% lager.De rechtbank acht dit niet relatief aanzienlijk.
31. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voor geen enkel belastingjaar aanleiding is om de bewijslast om te keren en te verzwaren. Dat betekent dat de rechtbank de normale bewijslastverdeling zal hanteren.
Is er een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001?
32. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is van een samenwerkingsverband. Volgens belanghebbende is daarvoor nodig dat het samenwerkingsverband in civiel juridische zin kwalificeert als een bijzondere overeenkomst die aan alle kenmerken voldoet van een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ondernemingen moeten worden gedreven voor rekening en risico van een fiscaal transparant samenwerkingsverband en dat is niet het geval volgens belanghebbende.
33. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de stichting, [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] een samenwerkingsverband vormen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001. De inspecteur is van mening dat niet enkel juridische feiten doorslaggevend zijn, maar ook of en in hoeverre sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen partijen. Volgens de inspecteur gaat het hier om partijen die niet onafhankelijk van elkaar handelden, maar een hecht samenwerkingsverband hebben gerealiseerd, waarbij ze gebruikmaakten van elkaars diensten. Belanghebbende stelt vermogensbestanddelen ter beschikking aan dat samenwerkingsverband. Die vermogensbestanddelen behoren daarom tot box 1 en niet tot box 3. Voor zover is vereist dat sprake is van een in het BW geregelde vorm van samenwerking, stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband kwalificeert als een stille maatschap. Aanwijzingen daarvoor ziet de inspecteur onder meer in het feit dat in een due diligence rapport staat vermeld dat partijen gezamenlijk een onderneming drijven en dat in een concentratiebesluit partijen gezamenlijk worden aangemerkt als [naam onderneming]. Partijen waren afhankelijk van elkaars activiteiten, zodat een totaalpakket kon worden geleverd van wonen, zorg en dienstverlening. Er was sprake van feitelijke samenwerking in het kader van de beroepsuitoefening.
34. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 volgt dat aan de keuze van de wetgever voor een regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen twee uitgangspunten ten grondslag liggen, namelijk a) de parallel te versterken tussen ondernemers die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de rechtsvorm van de BV en b) te voorkomen dat al te gemakkelijk relatief hoog belast winstinkomen wordt getransformeerd in lager belast inkomen in box 3.
35. In de wet en de wetsgeschiedenis ontbreekt een duidelijke definitie van het begrip ‘samenwerkingsverband’. Wel is duidelijk dat hieronder in elk geval moeten worden begrepen de in boek 7A van het BW en de in het Wetboek van Koophandel geregelde samenwerkingsverbanden, zoals de maatschap en de vennootschap onder firma. De rechtbank leidt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2013 af dat de uitleg van het begrip ‘samenwerkingsverband’ moet worden beperkt tot fiscaal transparante lichamen.De rechtbank zal dus eerst moeten beoordelen of sprake is van een samenwerkingsverband dat wordt gedreven voor rekening van een fiscaal transparant lichaam. Op de inspecteur rust de bewijslast dat hiervan sprake is.
36. Artikel 7A:1655 BW definieert de maatschap als “ene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.” Deze definitie bevat vijf elementen: 1) overeenkomst 2) samenwerking op basis van gelijkheid/gelijkwaardigheid 3) verdeling van voordeel 4) inbreng 5) gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. De inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan al deze elementen. Als al wordt aangenomen dat partijen zich tegenover elkaar hebben verbonden om op basis van gelijkwaardigheid in maatschapsverband samen te werken, dan ontbreekt een onderbouwing door middel van documenten of cijfers waaruit valt af te leiden dat partijen gericht waren op gezamenlijk voordeel, wat dit gezamenlijke voordeel was en hoe dit vervolgens onderling werd verdeeld. Weliswaar is het al dan niet bestaan van een winstverdelingsregeling niet vereist en zou voldoende zijn dat partijen gezamenlijk gerechtigd waren tot (een deel van) de winst, maar ook dat is niet aannemelijk gemaakt door de inspecteur. De enkele stelling dat de samenwerking tussen partijen was gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten, is hiervoor onvoldoende.
37. Gelet op wat in 34. tot en met 36 is overwogen concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001. Dat betekent dat de door de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen aangebrachte en op dit standpunt gebaseerde correcties onterecht zijn. Met betrekking tot het jaar 2020 leidt dit ertoe dat de aanslag te hoog is vastgesteld en dat het beroep gegrond is. Of ook voor de (navorderings)aanslagen 2015 tot en met 2019 geldt dat deze te hoog zijn vastgesteld zal de rechtbank in het navolgende beoordelen.
Zijn de (navorderings)aanslagen te hoog, gelet op het subsidiaire standpunt inspecteur?
38. De inspecteur heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat er alsnog correcties mochten plaatsvinden voor de jaren 2015 tot en met 2019. De inspecteur heeft met betrekking tot zijn subsidiaire standpunt een beroep gedaan op interne compensatie.
39. Het leerstuk van de interne compensatie houdt in dat, in het geval dat een beroep geheel of gedeeltelijk gegrond is, de inspecteur andere elementen van de aanslag aan de orde mag stellen en het standpunt mag innemen dat de aanslag toch niet te hoog is vastgesteld gelet op die andere elementen. Aan het toepassen van interne compensatie zijn enkele beperkingen gesteld. Zo mag geen hoger bedrag worden gevorderd dan het oorspronkelijke bedrag van de aanslag, aangezien belanghebbende door het instellen van beroep niet in een slechtere positie mag komen. Daarnaast kan interne compensatie worden beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In deze zaak ziet de rechtbank geen beperkingen voor toepassing van interne compensatie.
40. Niet meer in geschil is dat belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond van [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3 en dat voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 is aangegeven. Partijen verschillen alleen nog van mening over de waarde van het zwembad in de jaren 2015 tot en met 2017. De inspecteur is van mening dat de waarde € 700.000 bedraagt en onderbouwt dit door de bij de verkoop in 2020 gerealiseerde verkoopprijs van € 5,6 miljoen (zie 13.) voor de 7 villa’s inclusief het zwembad te delen door 8. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. Dit zou namelijk betekenen dat het zwembad evenveel waarde vertegenwoordigt als een villa en dat acht de rechtbank onaannemelijk. Bovendien strookt dit niet met de aanschafwaarde die de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar heeft becijferd. Die heeft de inspecteur berekend op € 190.974 (5 x € 38.194,68) aanschafwaarde + € 50.000 ontwikkelkosten = € 240.974. Belanghebbende heeft de waarde van het zwembad geschat op 5 maal de jaarhuur van € 40.980 = € 204.900. Dat ligt in de buurt van de door de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar verdedigde waarde. De rechtbank zal daarom uitgaan van de hoogste van deze twee waardes, dus € 240.974. De rechtbank zal per jaar uitwerken wat de gevolgen zijn.
2015
41. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:
Aangifte
Beroep
Totaal vermogen box 3
€ 12.681.454
€ 13.472.428
Heffingsvrij vermogen -/-
€ 42.660
€ 42.660
Rendementsgrondslag
€ 12.638.794
€ 13.429.768
Aandeel echtgenoot
€ 182.083
€ 182.083
Aandeel belanghebbende
€ 12.456.711
€ 13.247.685
Het belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 13.247.685 * 4% = € 529.907.
42. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:
Aangifte
Navorderings-aanslag
Uitspraak op bezwaar
Beroep
Loon uit dienstbetrekking
€ 228.723
€ 228.723
€ 228.723
€ 228.723
ROW
€ 0
€ 594.374
€ 523.049
€ 0
Eigen woning
-€ 53.033
-€ 53.033
-€ 53.033
-€ 53.033
Inkomen box 1
€ 175.690
€ 770.064
€ 698.739
€ 175.690
Inkomen box 2
€ 0
€ 0
€ 0
€ 0
Inkomen box 3
€ 498.268
€ 197.458
€ 197.458
€ 529.907
Verzamelinkomen
€ 673.958
€ 967.522
€ 896.197
€ 705.597
43. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2015 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 verminderen zoals hierboven weergegeven.
2016
44. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:
Aangifte
Beroep
Totaal vermogen box 3
€ 14.041.795
€ 14.832.769
Schulden -/-
€ 320.976
€ 320.976
Heffingsvrij vermogen -/-
€ 48.874
€ 48.874
Rendementsgrondslag
€ 13.671.945
€ 14.462.919
Aandeel echtgenoot
€ 233.578
€ 233.578
Aandeel belanghebbende
€ 13.438.367
€ 14.229.341
Het belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 14.229.341 * 4% = € 569.174.
45. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:
Aangifte
Navorderings-aanslag
Uitspraak op bezwaar
Beroep
Loon uit dienstbetrekking
€ 184.261
€ 184.261
€ 184.261
€ 184.261
ROW
€ 11.484
€ 545.111
€ 481.075
€ 11.484
Eigen woning
-€ 48.480
-€ 48.480
-€ 48.480
-€ 48.480
Inkomen box 1
€ 147.264
€ 680.892
€ 616.856
€ 147.265
Inkomen box 2
€ 0
€ 0
€ 0
€ 0
Inkomen box 3
€ 537.534
€ 243.516
€ 243.516
€ 569.174
Verzamelinkomen
€ 684.799
€ 924.408
€ 860.372
€ 716.439
46. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2016 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 verminderen zoals hierboven weergegeven.
2017
47. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:
Aangifte
Beroep
Totaal vermogen box 3
€ 11.094.411
€ 11.885.385
Heffingsvrij vermogen -/-
€ 50.000
€ 50.000
Rendementsgrondslag
€ 11.044.411
€ 11.835.385
Aandeel echtgenoot
€ 1.804.105
€ 1.804.105
Aandeel belanghebbende
€ 9.240.306
€ 10.031.280
Het belastbaar inkomen box 3 wordt dan (€ 239.250 * 1,63%) + (€ 9.792.030 * 5,39%) = € 531.690.
48. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:
Aangifte
Navorderings-aanslag
Uitspraak op bezwaar
Beroep
Loon uit dienstbetrekking
€ 183.710
€ 183.710
€ 183.710
€ 183.710
ROW
€ 65.417
€ 612.365
€ 546.731
€ 65.417
Eigen woning
-€ 45.125
-€ 45.125
-€ 45.125
-€ 45.125
Inkomen box 1
€ 204.002
€ 750.950
€ 685.316
€ 204.002
Inkomen box 2
€ 0
€ 51.309
€ 51.309
€ 51.309
Inkomen box 3
€ 489.054
€ 105.726
€ 105.726
€ 531.690
Verzamelinkomen
€ 693.056
€ 907.985
€ 842.351
€ 787.001
49. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2017 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 verminderen zoals hierboven weergegeven.
2018
50. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:
Aangifte
Beroep
Spaar- en banktegoeden
€ 958.137
€ 958.137
Overige bezittingen
€ 10.830.319
€ 11.380.319
Schulden -/-
€ 339.711
€ 339.711
Rendementsgrondslag
€ 11.448.745
€ 11.998.745
Heffingsvrij vermogen -/-
€ 60.000
€ 60.000
Grondslag sparen en beleggen
€ 11.388.745
€ 11.938.745
Aandeel echtgenoot
€ 1.846.991
€ 1.846.991
Aandeel belanghebbende
€ 9.541.754
€ 10.091.754
Het belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,12% * € 958.137) + (€ 11.380.319 * 5,38%) -/- (€ 339.711 * 3,20%)) ÷ € 11.998.745 = 5,02%. 5,02% * € 10.091.754 = € 506.777.
51. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -/- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:
Aangifte
Verminderings-beschikking
Uitspraak op bezwaar
Beroep
Loon uit dienstbetrekking
€ 168.098
€ 168.098
€ 168.098
€ 168.098
ROW
€ 92.210
€ 1.407.617
€ 1.249.768
€ 128.272
Eigen woning
-€ 44.636
-€ 44.636
-€ 44.636
-€ 44.636
Inkomen box 1
€ 215.672
€ 1.531.079
€ 1.373.230
€ 251.734
Inkomen box 2
€ 0
€ 0
€ 0
€ 0
Inkomen box 3
€ 501.397
€ 117.882
€ 117.882
€ 506.777
Verzamelinkomen
€ 717.069
€ 1.648.961
€ 1.491.112
€ 758.511
52. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2018 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 verminderen zoals hierboven weergegeven.
2019
53. Voor box 3 geldt dat er geen aanleiding is de rendementsgrondslag te verhogen ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:
Aangifte
Beroep
Spaar- en banktegoeden
€ 743.383
€ 743.383
Overige bezittingen
€ 6.765.861
€ 6.765.861
Schulden -/-
€ 0
€ 0
Rendementsgrondslag
€ 7.509.244
€ 7.509.244
Heffingsvrij vermogen -/-
€ 60.720
€ 60.720
Grondslag sparen en beleggen
€ 7.448.524
€ 7.448.524
Aandeel echtgenoot
€ 989.736
€ 989.736
Aandeel belanghebbende
€ 6.458.788
€ 6.458.788
Het belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,08% * € 743.383) + (5,59% * € 6.765.861)) ÷ € 7.509.244 = 5,045%. 5,045% * € 6.458.788 = € 325.846.
54. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -/- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:
Aangifte
Verminderings-beschikking
Uitspraak op bezwaar
Beroep
Loon uit dienstbetrekking
€ 135.410
€ 135.410
€ 135.410
€ 135.410
ROW
€ 286.291
€ 574.063
€ 570.830
€ 322.353
Eigen woning
-€ 32.236
-€ 32.236
-€ 32.236
-€ 32.236
Inkomen box 1
€ 389.465
€ 677.237
€ 674.004
€ 425.527
Inkomen box 2
€ 0
€ 0
€ 0
€ 0
Inkomen box 3
€ 347.896
€ 157.393
€ 157.393
€ 325.846
Verzamelinkomen
€ 737.361
€ 834.630
€ 831.397
€ 751.373
55. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de aanslag IB/PVV 2019 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2019 gegrond is. De rechtbank zal de aanslag IB/PVV 2019 verminderen zoals hierboven weergegeven.
56. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.
Conclusie en gevolgen
57. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.
58. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht (€ 51) aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.503 en is als volgt berekend: 2,5 punten voor de beroepsfase (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, schriftelijke inlichtingen 0,5 punt) met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 omdat het meer dan 4 zaken betreft. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend, omdat alleen om kostenvergoeding is gevraagd met betrekking tot het jaar 2020 en daarvoor in bezwaar al een kostenvergoeding is toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 (24/7178) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.690 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 529.907 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 (24/7184) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.265 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 569.174 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 (24/7185) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 204.002, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 51.309 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 531.690 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 (24/7186) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 251.734 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 506.777 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
vermindert de aanslag IB/PVV 2019 (24/7188) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 425.527 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 325.846 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
vermindert de aanslag IB/PVV 2020 (24/7191) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 393.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 293.501 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.503 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 5 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet inkomstenbelasting 2001
Artikel 3.92. Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden
1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:
a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11;
b. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt.
2. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld:
1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;
2°. het sluiten van een overeenkomst van levensverzekering of het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5;
3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband;
4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven;
5°. het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;
6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;
b. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c;
c. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel;
d. met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag;
e. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap;
f. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand;
g. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.
3. Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.
4. Indien de belastingplichtige in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en tot die gemeenschap een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste lid of tweede lid behoort, wordt dit vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan zijn echtgenoot. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste of tweede lid dat behoort tot een beperkte gemeenschap van goederen.
Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.
Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220.
Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970.
Vgl. Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, rechtsoverweging 3.4.5.
2015: € 15.000/€ 233.047 = 6,43%
2016: € 15.000/€ 230.173 = 6,52%
2017: € 20.212/€ 245.435 = 8,24%
2018: € 22.851/€ 255.201 = 8,95%
2019: € 21.207/€ 290.537 = 7,3%
Kamerstukken II1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 136 enKamerstukken I1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 43-44 en nr. 202c, p. 18.
Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4034, r.o. 3.3.2. en 3.3.3.
Zie Hoge Raad 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 3.9.2.