[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5191":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5191":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"394","ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","",60,"Arnhem","arnhem","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F3064, 24\u002F3065, 24\u002F3066, 24\u002F3067, 24\u002F4948 en 24\u002F5036\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende ] B.V. , uit [vestigingsplaats ] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende gelijktijdig de volgende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nJaar\n\nBelastbaar bedrag\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F11\u002F2020\n\nVpb 2014\n\n€ 116.579\n\n€ 2.413\n\n30\u002F10\u002F2021\n\nVpb 2015\n\n€ 87.880\n\n€ 4.807\n\n€ 4.816\n\n24\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2016\n\n€ 44.305\n\n€ 2.519\n\n€ 2.808\n\n18\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2017\n\n€ -2.510\n\nDe inspecteur heeft daarnaast gelijktijdig de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 7 december 2023 de bezwaren van respectievelijk 29 december 2020, 8 november 2021 en 6 januari 2022 tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2024 de bezwaren van 7 januari 2021 en 31 december 2021 tegen respectievelijk de naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 ongegrond verklaard.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur,\n\nmr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .\n\nFeiten\n\nAlgemeen\n\n1. Belanghebbende is opgericht op 28 mei 2003. [gemachtigde 2] ( [gemachtigde 2] ) houdt 100% van de aandelen in belanghebbende. [gemachtigde 2] is tevens enig werknemer van belanghebbende.\n\n2. Op 29 december 2010 is belanghebbende certificaathouder geworden van de Stichting [stichting] en [gemachtigde 2] bestuurder van de [stichting] .\n\n3. [gemachtigde 2] verrichtte tot en met 31 december 2016 werkzaamheden als advocaat voor [bedrijf 1] .\n\n4. Op 31 mei 2018 is bij belanghebbende een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 aangekondigd. Het onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, uitsluitend voor zover het de bijtelling privégebruik auto betreft. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 november 2021 (het rapport loonheffingen). Naar aanleiding van de bevindingen van deze controle is het onderzoek tevens uitgebreid naar onder andere de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Dit onderzoek is op 7 februari 2020 aangekondigd. Tijdens het boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb en OB over de jaren 2016 en 2017 onderzocht. Op 16 oktober 2020 is het onderzoek uitgebreid naar de aangiften Vpb over de jaren 2014 en 2015 en de aangiften OB over het jaar 2015. Het conceptrapport heeft als dagtekening 10 juni 2020. De definitieve bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 23 november 2021 (het controlerapport).\n\n5. In onderdeel 2.5.1. van het controlerapport is omtrent de financiële administratie het volgende vermeld:\n\n “De heer [naam 1] verzorgt de administratie van [belanghebbende ] B.V.\n\nDe echtgenote en de dochter van de heer [gemachtigde 2] boeken de kosten (inkoopfacturen, bonnen). (…)\n\nTot en met het jaar werd de facturering (management fees en dergelijke) verzorgd door het kantoor van advocatenkantoor [bedrijf 1] .\n\nDe adviseur, de heer [naam 1] van [bedrijf 2] , haalt in principe éénmaal per jaar de ordners op en voert de administratie in het boekhoudprogramma Snelstart in.\n\n6. In onderdeel 2.6. van het controlerapport is omtrent de adviseur het volgende vermeld:\n\n “(…)\n\n [bedrijf 2] verzorgt de jaarstukken en de aangiften omzetbelasting en\n\nvennootschapsbelasting”\n\n7. In onderdeel 3.1.5. van het controlerapport is onder het kopje “Tweede helft debiteurenregeling” het volgende vermeld:\n\n“Op 26 januari 2016 heeft [belanghebbende ] B.V. € 25.000 overgemaakt aan [bedrijf 1] met als omschrijving “Afl. Lening tbv 2e helft debiteurenregeling”\n\nDeze betaling is als volgt gejournaliseerd:\n\nAf te dragen BTW € 4.339\n\nManagementfee [bedrijf 1] (wv-rekening) € 20.661\n\nAan Rabobank € 25.000\n\n(…)”\n\n8. Belanghebbende en [bedrijf 1] hebben op 18 november 2009 een managementovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij overeengekomen dat, indien het resultaat van [bedrijf 1] het toelaat, aan belanghebbende jaarlijks een basismanagementvergoeding toekomt van maximaal € 127.000. Indien het resultaat van [bedrijf 1] het niet toelaat komt aan belanghebbende een gelijk deel van het behaalde resultaat toe. Ook is overeengekomen dat belanghebbende maandelijks een voorschot op de haar toekomende managementfee over het desbetreffende kalenderjaar ontvangt, gerelateerd aan de naar verwachting voor [bedrijf 1] te behalen managementvergoeding over dat jaar.\n\n9. In onderdeel 3.2.3 van het controlerapport is onder het kopje “Managementfee retour” het volgende vermeld:\n\n“Op 31 december 2015 heeft [belanghebbende ] B.V. middels een memoriaalboeking de volgende journaalpost geboekt:\n\nDebet\n\nCredit\n\nManagementfee\n\n€ 41.322,31\n\nBTW af te dragen hoog\n\n€ 8.677,69\n\naan\n\nRekening-courant directie\n\n€ 50.000\n\nDe omschrijving in het grootboek is: Man fee retour [bedrijf 1] ivm debiteuren prive betaald\n\n [belanghebbende ] B.V. heeft geen inkoopfactuur, bankafschrift of andere bewijzen c.q. bescheiden aangeleverd waaruit blijkt dat deze journaalpost terecht is geboekt dan wel bewijzen\u002Fbescheiden waaruit blijkt dat de dga in privé bedragen heeft betaald voor [belanghebbende ] B.V. (…)”\n\n10. Belanghebbende heeft in de periode van 2011 tot en met 2015 de volgende auto’s gekocht:\n\nAuto\n\nDatum aankoop\n\nKostprijs\n\nAudi A8\n\n4 november 2011\n\n€ 78.979\n\nCitroën DS 3 Cabrio\n\n30 december 2013\n\n€ 17.425\n\nBMW 435D X-Drive Aut 8 Cabrio\n\n13 juni 2015\n\n€ 73.125\n\nFiat 500 Twin Air 80\n\n27 juli 2015\n\n€ 11.138\n\n11. Belanghebbende heeft een herinvesteringsreserve van € 12.985 afgeboekt op de kostprijs van de Audi en de Audi geactiveerd voor € 65.994. Zij heeft de Audi op 10 juni 2015 ingeruild voor de BMW en op die inruil een boekwinst behaald van € 26.269. Belanghebbende heeft ter zake van die boekwinst een herinvesteringsreserve gevormd en die reserve afgeboekt op de kostprijs van de BMW. De BMW is vervolgens geactiveerd voor € 46.269. Belanghebbende is voor alle auto’s uitgegaan van een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nihil.\n\n12. Belanghebbende heeft in de jaren 2014 tot en met 2016 op haar zakelijke rekening maandelijks € 1.500 ontvangen van [bedrijf 1] met als omschrijving “Auto- en onkostenvergoeding”.Vennootschapsbelasting\n\n13. Belanghebbende heeft de volgende aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) gedaan:\n\nJaar\n\nBelastbare winst\n\nBelastbaar bedrag\n\n2014\n\n86.701\n\n86.701\n\n2015\n\n21.131\n\n21.131\n\n2016\n\n6.134\n\n6.134\n\n2017\n\n-5.455\n\n-5.455\n\n14. De inspecteur heeft de aanslagen Vpb 2014 tot en met 2017 met respectievelijk dagtekening 30 september 2017, 7 oktober 2017, 9 juni 2018 en 6 juli 2019 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften.\n\n14. In het onder 4. genoemde controlerapport wordt medegedeeld dat navorderingsaanslagen Vpb zullen worden opgelegd naar aanleiding van de volgende correcties:\n\nCorrectie\n\n2014 (€)\n\n2015 (€)\n\n2016 (€)\n\n2017 (€)\n\nAfschrijving materiële vaste activa\n\n383\n\n778\n\n2.022\n\n2.022\n\nRente rekening-courant aandeelhouder\n\n937\n\n1.920\n\n2.393\n\nTweede helft debiteurenregeling\n\n20.661\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n18.000\n\n18.000\n\n18.000\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n452\n\n430\n\n430\n\nKosten motorrijtuigenbelasting [kenteken ]\n\n716\n\n143\n\nKosten douchescherm\n\n619\n\nPrivédeel administratiekosten\n\n200\n\n200\n\nOmzetbelasting privégebruik auto\n\n-6.533\n\n-6.397\n\n-2.243\n\nManagementfee retour\n\n41.322\n\nTotaal correcties\n\n18.383\n\n54.956\n\n38.171\n\n2.945\n\n16. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 opgelegd met inachtneming van de correcties vermeld in het onderzoeksrapport. Voor die jaren heeft de inspecteur ook correcties toegepast vanwege bedragen die aan [bedrijf 3] in rekening zijn gebracht van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft in de beroepsfase deze correcties en de daarbij behorende boetes laten vervallen omdat de bedragen al in 2018 zijn aangegeven en hij heeft de aanslagen ambtshalve verminderd.\n\nOmzetbelasting\n\n17. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd.\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\n18. In punt 5.1.1 van het controlerapport staat dat naheffingsaanslagen OB zullen worden opgelegd in verband met de in dat punt genoemde correcties, namelijk:\n\n2015\n\n2016\n\nCorrectie 4.1. Inruil BMW 435D voor Audi A8 TDI\n\n6.734\n\n-\n\nCorrectie 4.2. Omzetbelasting\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.3. Rekening-courant\n\n-\n\n1.105\n\nCorrectie 4.5. Tweede helft debiteurenregeling\n\n-\n\n4.339\n\nCorrectie 4.6. Auto- en onkostenvergoeding\n\n-\n\n3.780\n\nCorrectie 4.7. Omzet [bedrijf 3]\n\n-\n\n0\n\nCorrectie 4.8. Managementfee retour\n\n8.677\n\n-\n\nCorrectie 4.9. Douchescherm\n\n-\n\n130\n\nCorrectie 4.10. Dubbel geboekte administratiekosten\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.11. Privédeel administratiekosten\n\n-\n\n42\n\nCorrectie 4.12. Privégebruik auto\n\n6.533\n\n6.397\n\nTotaal na te heffen\n\n21.944\n\n15.793\n\n19. In punt 5.1.1. wordt voorts opgemerkt dat de naheffingsaanslag OB 2015 is opgelegd ter behoud van rechten ter grootte van € 26.002 en dat deze naheffingsaanslag ambtshalve wordt verminderd tot € 21.944.\n\n20. In punt 4.12 van het controlerapport wordt de correctie wegens privégebruik van de auto’s van belanghebbende toegelicht. In die toelichting staat:\n\n“De Citroen met kenteken [kenteken 1] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe BMW met kenteken [kenteken 2] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nInzake de fiat met kenteken [kenteken 3] werden tegenstrijdige verklaringen gegeven over wie in deze auto heeft gereden. In eerste instantie zou dat de dochter van de heer [gemachtigde 2] zijn. Later werd aangegeven dat de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] in de auto heeft gereden. In 2017 is de berijder in ieder geval mevrouw [naam 2] , de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] . In beide gevallen is de auto ter beschikking gesteld.\n\nDe Mercedes Benz met kenteken [kenteken 4] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe Audi A8 met kenteken [kenteken 5] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nVoor de jaren 2015 tot en met 2017 corrigeren wij tijdsgelang op basis van het forfait van 2,7%.\n\nBelanghebbende stelt in de reactie d.d. 22 september 2021 dat deze correctie moet worden berekend op basis van de door de belastingplichtige aangeleverde sluitende rittenadministratie, waarbij rekening dient te worden gehouden met de verhouding tussen de zakelijke en privé kilometers, in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting.\n\nBelanghebbende houdt echter geen administratie bij van de autokosten per auto. Zo wordt op de grootboekrekening autokosten niet vermeld op welke auto deze kosten betrekking hebben. Bovendien blijkt uit het rapport inzake loonheffingen dat belastingplichtige of geen rittenregistratie heeft aangeleverd (Citroen met kenteken [kenteken 1] en de Fiat met kenteken [kenteken 3] ) of dat de rittenregistratie niet betrouwbaar is (BMW [kenteken 2] , Mercedes-Benz [kenteken 4] , [kenteken 5] )\n\nUit de administratie blijkt dan ook niet in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt. Omdat niet blijkt in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt of welke kosten daaraan zijn toe te rekenen is het forfait als uitgangspunt genomen.”\n\n21. In punt 4.12 is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\n22. In datzelfde punt is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n23. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 en naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 terecht en tot de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n24. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen haar oordeel heeft.\n\nNavorderingsaanslag Vpb 2017\n\n25. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens belanghebbende was het duidelijk dat zij ook bezwaren had met betrekking tot het jaar 2017, omdat zij bezwaren had ingediend met betrekking tot de andere jaren die in het onderzoek zijn meegenomen. Omdat het onderzoek de periode 2014 tot en met 2017 betrof, is het volgens haar logisch dat de bezwaren betrekking hadden op die hele periode. Dat de navorderingsaanslagen niet tegelijkertijd zijn verzonden kan niet aan belanghebbende worden toegerekend. Voor zover het bezwaarschrift te laat is ontvangen is de termijnoverschrijding volgens haar verschoonbaar gezien de connectie met de andere zaken.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de overgelegde stukken volgt dat belanghebbende wel afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2014 tot en met 2016, maar niet tegen de navorderingsaanslag 2017. Uit die bezwaarschriften volgt ook niet dat belanghebbende mede heeft bedoeld bezwaar te maken tegen de navorderingsaanslag 2017. Daaraan doet niet af dat het volgens belanghebbende logisch is dat zij ook bezwaar had tegen de navorderingsaanslag 2017, aangezien voor het maken van bezwaar is vereist dat belanghebbende een bezwaarschrift indienten dat heeft belanghebbende ten aanzien van die navorderingsaanslag niet gedaan. Dat volgens belanghebbende sprake is van connectie met de andere jaren kan ook niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarvoor is vereist dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid. Belanghebbende heeft zelf niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.\n\nInzage in de stukken\n\n27. Belanghebbende stelt dat zij niet in alle stukken inzage heeft gehad, omdat deze niet beschikbaar of bekend waren.\n\n27. Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strekt ertoe dat de gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter - en de wederpartij - beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft, mede gelet op de uitvoerige toelichting van de inspecteur, onvoldoende geconcretiseerd welke stukken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming ontbreken of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht.\n\nEindgesprek\n\n30. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen eindgesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek.\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de voorgenomen correcties en het voornemen om boetes op te leggen. Uit de stukken volgt dat belanghebbende (in de persoon van [gemachtigde 2] ) in een e-mail van 11 december 2020 heeft aangegeven dat hij geen prijs meer stelde op een eindgesprek. Daarnaast is het concept-rapport op 10 juni 2021 met begeleidend schrijven aan belanghebbende toegezonden en is belanghebbende in gelegenheid gesteld op de bevindingen in het controlerapport, waaronder het voornemen om boetes op te leggen, te reageren. Op 17 september 2021 is een bespreking over de boetes gepland op 29 september 2021. Belanghebbende heeft vervolgens op 22 september 2021 schriftelijk gereageerd, daarbij is tevens ingegaan op de aangekondigde boetes. Na overleg met belanghebbende is de bespreking van 29 september 2021 komen te vervallen.\n\nMotiveringsbeginsel\n\n32. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen onvoldoende en onjuist zijn gemotiveerd.\n\n32. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft belanghebbende niks aangevoerd. Mede gelet op het controlerapport en de toelichtingen die daarin per correctie zijn opgenomen is de rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden.Managementfee retour\n\n34. Belanghebbende stelt dat zij in het verleden door [bedrijf 1] werd verplicht om boven een bepaalde debiteurenstand zelf geld bij te storten op de gemeenschappelijke rekening. [bedrijf 1] kon, zolang uitstaande facturen niet waren voldaan, de opbrengsten uit die facturen namelijk niet gebruiken als bedrijfskapitaal ter betaling van de lopende kosten. Om die reden moesten de vennoten zelf een waarborgsom betalen indien de debiteurenstand een bepaald grens\u002Fpercentage van het totaal overschreed. De waarborgsom werd pas terugbetaald zodra de openstaande facturen werden voldaan. Het betreft daarom een voorschotbetaling. De betaling van € 50.000 houdt verband met de waarborgsom die zij heeft voorgeschoten. Per saldo is met de transactie geen omzet gemaakt.\n\n34. Onder verwijzing naar de memoriaalboeking (punt 9.) stelt de inspecteur dat door de memoriaalboeking een negatief bedrag aan managementfee in aanmerking is genomen. De winst is dus verlaagd met € 41.322. Daarnaast is € 8.677 btw teruggevraagd. Ten slotte is de vordering op [gemachtigde 2] verminderd met € 50.000. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur in 2015 een managementfee van [bedrijf 1] ontvangen. [bedrijf 1] heeft geen creditnota gezonden die betrekking heeft op de managementfee en die de memoriaalboeking verklaart.\n\n36. Uit de vastgestelde feiten volgt dat de inspecteur € 50.000 heeft gecorrigeerd in verband met een teruggeboekte management fee. Belanghebbende stelt dat zij die kosten wel daadwerkelijk heeft (terug)betaald. Deze stelling van belanghebbende vindt evenwel geen steun in de feiten. Zo is er geen creditnota die betrekking heeft op de managementfee. Het komt de rechtbank dan ook aannemelijk voor dat overboeking verband houdt met de waarborgsom. Het betreft hier een betaling, waarvan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze in dit jaar tot aftrek kan leiden. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat zij tot een bedrag van € 50.000 een voorziening kon vormen, kan de rechtbank belanghebbende hierin evenmin volgen. Uit de overgelegde stukken volgt bijvoorbeeld niet dat tussen belanghebbende en [bedrijf 1] is gecorrespondeerd over die vergoeding en dat belanghebbende die betaling verschuldigd was. Ook op andere wijze is niet gebleken dat het waarschijnlijk is dat de uitgaven zich zullen voordoen.\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n37. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de auto- en onkostenvergoeding ten onrechte tot de winst heeft gerekend. Deze vergoeding was bestemd voor [gemachtigde 2] in privé. Dit is door [bedrijf 1] fiscaal afgestemd met de inspecteur en is door de accountant van [bedrijf 1] bevestigd. Daarnaast is de heffing over de vergoeding verlegd naar [bedrijf 1] . In punt 3.5.2 van het rapport loonheffingen staat “Uit praktische overwegingen hebben wij deze vergoedingen en verstrekkingen in overleg met [bedrijf 1] tot het loon bij de werkmaatschappij [bedrijf 1] gerekend”.\n\n37. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er een geldstroom is geweest van [bedrijf 1] naar belanghebbende en dat die vergoeding niet bij [bedrijf 1] en evenmin bij belanghebbende in de heffing is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de auto- en onkostenvergoeding daarom terecht tot de winst is gerekend. Aan het controlerapport voor de loonheffingen kan geen vertrouwen worden ontleend, omdat de passage waarnaar belanghebbende verwijst betrekking heeft op een andere vergoeding dan de auto- en onkostenvergoeding. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel gelet op het gestelde overleg tussen [bedrijf 1] en de inspecteur kan dit evenmin slagen. Deze stelling is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de inspecteur onvoldoende onderbouwd.\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n39. Belanghebbende stelt dat bij de verkoop van de vervoermiddelen steeds een afwikkeling plaatsvindt met de Belastingdienst, al dan niet met gebruikmaking van de herinvesteringsreserve. Dat er geen restwaarde is gehanteerd bij de afschrijvingen leidt derhalve slechts tot een verschuiving van de belastingheffing. Het is daarnaast niet zeker dat de restwaarde van een auto 10% zou moeten zijn, omdat dat afhangt van de auto en het gebruik daarvan.\n\n39. De bewijslast om de omvang van de afschrijvingen aannemelijk te maken rust op belanghebbende. In die bewijslast is zij niet geslaagd. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom de auto’s na vijf jaren geen (rest)waarde meer hebben. Dat het niet zeker is dat de restwaarde 10% zal bedragen, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de inspecteur aan de hand van de inkoop- en verkoopprijzen van de Audi A8 en de BMW Roadster aannemelijk gemaakt dat een restwaarde van 10% zeker niet te hoog is.\n\nOmzet [bedrijf 3]\n\n41. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de omzet [bedrijf 3] ten onrechte tot de winst heeft gerekend.\n\n41. De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 tot de belastbare winst mede heeft gerekend omzet [bedrijf 3] van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft deze correcties in beroep teruggenomen en de navorderingsaanslagen overeenkomstig ambtshalve verminderd. Daarmee is de vraag of de omzet [bedrijf 3] terecht tot de winst is gerekend niet langer in geschil. Wel zijn de beroepen om die reden gegrond en moeten de belastbare winsten en tevens de belastbaar bedragen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 worden verminderd met respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De opgelegde boetes moeten eveneens dienovereenkomstig worden verminderd.\n\nNaheffingsaanslagen OB 2015 en 2016: Auto- en onkostenvergoeding\n\n43. Belanghebbende betwist de correctie genoemd in punt 4.6 van het controlerapport, namelijk de correctie met betrekking tot de auto- en onkostenvergoeding. Deze kwestie hoort volgens haar thuis in de loonheffingssfeer en die vergoeding moet worden aangemerkt als een vergoeding die aan [gemachtigde 2] in privé toekomt. In overleg met [bedrijf 1] wordt die vergoeding ook al op het niveau van [bedrijf 1] belast. Om die reden is sprake van een dubbeltelling.\n\n43. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt en verwijst ter onderbouwing daarvan naar hetgeen zij daarover met betrekking tot de navorderingsaanslagen Vpb heeft overwogen (punt 38).Naheffingsaanslagen omzetbelasting 2015 en 2016: Privégebruik auto\n\n45. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk\u002Fprivé.\n\n46. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 22. en 23. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het rapport loonheffingen en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.\n\n47. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en\u002Fof welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.\n\n48. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 45.) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.\n\n49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport loonheffingen, volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW, een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig is aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.\n\nZijn aan belanghebbende terecht boetes opgelegd?\n\nWettelijk kader\n\n50. Ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ingevolge artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald.\n\n51. In paragraaf 28, zesde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is bepaald dat indien de bijtelling in verband met privégebruik niet heeft plaatsgevonden, de inspecteur een boete oplegt van 40% in geval van grove schuld en 80% in geval van opzet. In paragraaf 28, zevende lid, van het BBBB staat dat de boete indien sprake is van een onjuiste of onvolledige rittenadministratie wordt verhoogd naar 100% van de grondslag.\n\n52. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022⁷ dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.Daarvoor moet vaststaan (i) dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\nVergrijpboetes Vpb en OB\n\n53. Bij beschikking zijn de volgende vergrijpboetes Vpb opgelegd:\n\nVpb 2015\n\nOmzet [bedrijf 3] 50% van 20% van € 9.500 = € 950\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nManagementfee retour 25% van 20% van € 41.322 = € 2.066\n\nVpb 2016\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van € 4.034 = € 1.008\n\nOmdat de correctie [bedrijf 3] is vervallen, is ook de daarbij behorende boete vervallen. Volgens de inspecteur moet de boete in verband met “Managementfee retour” tevens worden verminderd met € 104 tot € 1.962.\n\n54. Bij beschikking is de volgende vergrijpboete OB 2016 opgelegd:\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van € 3.780 = € 1.890\n\nPrivégebruik auto 80% van € 6.397 = € 5.117\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van €4.334 = € 1.085\n\n55. Belanghebbende stelt dat de inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 ten onrechte vergrijpboetes Vpb en OB heeft opgelegd. Hij heeft voor beide middelen de volgende gronden aangevoerd en de inspecteur heeft op deze gronden gereageerd.\n\nUna via en ne bis in idem\n\n56. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur handelt in strijd met het una via-beginsel en ne bis in idem-beginsel.\n\n57. Het una via-beginsel vindt zijn grondslag vindt in artikel 5:44 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende strafrechtelijk is\u002Fwordt vervolgd. Van schending van het una via beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\n58. Het ne bis in idem-beginsel vindt zijn grondslag in artikel 5:43 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur niet wegens dezelfde overtreding meerdere bestuurlijke boetes op. Uit het dossier volgt niet dat aan belanghebbende voor 2015 en 2016 andere bestuurlijke boetes zijn opgelegd dan de vergrijpboetes. Van schending van het ne bis in idem beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op cumulatie van de boetes zal hierna worden ingegaan.\n\nOnschuldpresumptie en nemo tenetur\n\n59. De vergrijpboete is volgens belanghebbende in strijd met het arrest Melo Tadeauopgelegd. Het uitgangspunt is de onschuldpresumptie. De inspecteur heeft die presumptie geschonden, omdat de inspecteur al bij het tweede gesprek uitging van schuld\u002Fverwijt. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur ook het nemo tenetur-beginsel geschonden, omdat niemand gehouden is bewijs tegen zichzelf te regelen. Belanghebbende is ondervraagd door de inspecteur, de heer [naam 3] , zonder voorafgaande melding en zonder belanghebbende te wijzen op het zwijgrecht. Vervolgens heeft de inspecteur een verdenking geuit en heeft hij besloten om het onderzoek uit te breiden. Het materiaal dat is verkregen is wilsafhankelijk materiaal. Dat materiaal is dus ten onrechte verkregen en mag niet worden meegenomen in de beoordeling of de vergrijpboete terecht is opgelegd.\n\n60. De inspecteur stelt dat de heer [naam 3] niet belast is geweest met het onderzoek in de Vpb en evenmin bij het vaststellen van de boeten in de Vpb en OB. Dit was de heer [gemachtigde 4] . De informatie waarop de boetes zijn gebaseerd, betreft volgens de inspecteur allemaal wilsonafhankelijke informatie. Het gaat hierbij om facturen, boekingen in de administratie, etc. Deze informatie betreft informatie die de belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR dient te verstrekken. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het nemo tenetur beginsel niet in de weg staat aan de verplichting om informatie te verschaffen voor een juiste belastingheffing.\n\n61. Naar het oordeel van de rechtbank is het Melo Tadeau-arrest niet van toepassing, omdat het arrest slechts van belang is wanneer zich een samenloop voordoet tussen een strafrechtelijke uitspraak en een fiscale procedure. Zoals eerder opgemerkt is belanghebbende niet strafrechtelijk vervolgd.\n\n62. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 augustus 2014het volgende overwogen:\n\n“2.4. (…)\n\nDit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting (…) ter zake daarvan geen schending van artikel 6 opleveren, (…)\n\n2.5.\n\nVoor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827\u002F96, J.B. tegen Zwitserland, BNB2002\u002F26), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien. (...)”\n\n63. Voor zover door belanghebbende stukken uit de administratie heeft verstrekt, is sprake van wilsonafhankelijk materiaal en is het nemo tenetur- beginsel niet van toepassing.\n\nIn het controlerapport wordt ten aanzien van het privégebruik auto verwezen naar het rapport loonheffingen. Uit het rapport loonheffingen\n\nvolgt dat op 29 oktober 2018 een inleidend gesprek is gevoerd met de heer [gemachtigde 2] . In dat gesprek heeft [gemachtigde 2] over het privégebruik van de aanwezige auto’s een verklaring gegeven. Op 30 november 2018 heeft belanghebbende ordners met bankgegevens en rittenadministraties verstrekt. Op 30 november 2018 heeft de heer [naam 1] per e-mail aangegeven welke bijtelling voor privégebruik auto is toegepast en -voor zover bekend- welke auto’s het betreft. Tevens heeft de heer [naam 1] bericht omtrent de aanwezige auto’s en het gebruik. Op pagina 5 van het rapport is het volgende vermeld: “De aangeleverde rittenregistraties leverden de nodige vragen op”. De heer [gemachtigde 2] heeft op 10 december 2018 verklaard dat zijn vrouw in beide Mercedessen heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring Van de heer [gemachtigde 2] van 10 november 2018 en de verklaringen daarna als wilsafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt. Dat de verklaringen zijn afgelegd in het kader van het onderzoek naar de loonheffingen maakt dat niet anders, voor zover de verklaringen ook zijn gebruikt in het kader van het opleggen van de boete ten aanzien van het privégebruik auto voor de OB. Gelet op hetgeen op pagina 5 van het controlerapport is vermeld, had het op de weg van de inspecteur gelegen om belanghebbende op dat moment te wijzen op de gerezen twijfels en de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk de mogelijkheid dat boetes zouden worden opgelegd. Op de gevolgen hiervan zal hierna worden ingegaan.\n\nBoete Vpb 2015 en 2016 en OB 2016: auto-\u002Fonkostenvergoeding\n\n64. De inspecteur stelt dat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat de vergoeding voor belanghebbende en niet voor [gemachtigde 2] bestemd was. Dat een medewerker van [bedrijf 1] een andersluidende verklaring zou hebben gegeven acht de inspecteur niet aannemelijk. Door de fiscale verwerking, te weten het verwerken van de vergoeding in rekening-courant met de aandeelhouder in plaats van als omzet, aan de administrateur voor te schrijven, heeft belanghebbende zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Subsidiair is sprake van grove schuld, omdat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat haar handelen zou kunnen leiden tot het heffen van te weinig belasting. Dit geldt temeer gelet op de bij belanghebbende aanwezige kennis van het fiscale recht.\n\n65. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd overtuigend aan te tonen dat bij belanghebbende sprake was van opzet. Daarbij is van belang dat de bewijslast dat sprake was van opzet op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat zij niet heeft geweten dat het door haar behaalde resultaat niet in de heffing zou moeten worden betrokken. Belanghebbende heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vergoedingen daadwerkelijk aan [gemachtigde 2] toekwamen. De enkele door de administrateur afgelegde verklaring maakt dat niet anders omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat deze verklaring niet kon kloppen. Door desalniettemin de administrateur de opdracht te geven de vergoedingen in rekening-courant met de aandeelhouder te verwerken, heeft belanghebbende geweten dat te weinig belasting zou worden geheven. Onder deze omstandigheden is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.\n\n66. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.530 , de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 1.530 en de boete OB 2016 tot €1.606.\n\nBoete Vpb 2015 managementfee retour\n\n67. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld. Aangezien aan de memoriaalboeking geen facturen, bankafschriften of andere bescheiden ten grondslag liggen, is het volgens de inspecteur uitgesloten dat de administrateur deze boeking op eigen initiatief is gemaakt. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om aan de administrateur duidelijke instructies te geven over de boeking. Nu hij dit heeft verzuimd, is sprake van grove schuld.\n\n68. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] en\u002Fof betalingen door [gemachtigde 2] namens belanghebbende aan [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n69. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.667 (85% van € 1.962).\n\nBoete Vpb en OB 2016 tweede helft debiteurenregeling\n\n70. De inspecteur stelt dat sprake is van grove schuld. Door de onder punt 7. vermelde boeking is de winst verlaagd met € 20.661, terwijl aan de boeking geen facturen of andere bescheiden ten grondslag liggen. Bij de bankafschrijving staat “afl. lening”. Dit kan volgens de inspecteur niets anders betekenen dan “aflossing lening”. De inspecteur acht het uitgesloten dat de administrateur dit op eigen houtje op de winst- en verliesrekening heeft geboekt, dit moet op initiatief van belanghebbende zijn gebeurd. De verklaring van belanghebbende dat de boeking in overleg met [bedrijf 1] is geschied en op basis van een creditnota, acht de inspecteur niet aannemelijk.\n\n71. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n72. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 856 en de boete OB 2016 moet worden verminderd tot € 922.\n\nBoete OB privégebruik auto\n\n73. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Uit het rapport loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast, dat voor de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat [gemachtigde 2] zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen loonheffing ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. De in punt 64. geconstateerde schending van het nemo tenetur-beginsel heeft geen gevolgen voor de boete omdat de boeteoplegging voornamelijk is gebaseerd op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar en voor meerdere middelen een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd van € 5.117 met € 3.518 tot een bedrag van € 1.599.\n\nBelastingrente\n\n74. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Omdat de beroepen inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 gegrond zijn in verband met het vervallen van de correcties [bedrijf 3] , moeten de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. De beschikkingen belastingrente inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 moeten eveneens worden verminderd overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n75. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingsduur van haar zaken.\n\n76. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.\n\n77. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar moet worden gehanteerd. Omdat de rechtsmiddelen niet tegelijkertijd zijn aangewend rekent de rechtbank voor de mate van overschrijding van de redelijke termijn vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dat is in dit geval het bezwaar van 29 december 2020 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2014. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 66 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 42 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 7 december 2023. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 2.500 (30\u002F42 x € 3.500). aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.000 (12\u002F42 x € 3.500).\n\n Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n78. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar inzake de Vpb over de jaren 2014 tot en met 2016 zijn gegrond. De navorderingsaanslag Vpb 2014 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 116.579 -\u002F- € 11.495=) € 105.084. De navorderingsaanslag Vpb 2015 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 87.880 -\u002F- € 9.500=) € 78.380. De beschikkingen belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete Vpb 2015 wordt verminderd tot € 1.667. De vergrijpboete 2016 wordt verminderd tot € 2.386. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de Vbp over het jaar 2017 is ongegrond. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2016 is gegrond, uitsluitend voor zover het boete betreft. De rechtbank vermindert de boete tot een bedrag van € 4.127. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2015 is ongegrond. Omdat de beroepen (deels) gegrond zijn, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.800 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1,5 vanwege vier of meer samenhangende zaken).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2014 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2014 tot naar een belastbare winst van € 105.084;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2015 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2015 tot naar een belastbare winst van € 78.380;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2015 tot € 1.667;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2016 tot € 2.386;\n\nverklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete OB 2016 tot € 4.127;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar;\n\nverklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.500;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;\n\nveroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 4.800;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. R. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 6:4 van de Awb.\n\n Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.\n\n³ ECLI:NL:HR:2017:711\n\n Nr. BLKB 2012\u002F639M, Staatscourant 2012, 14822.\n\n⁵ Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n⁶ Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.\n\n⁷ ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n EVRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510.\n\n EHRM 10 september 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0910DEC00765401.\n\n ECLI:NL:HR:2014:2144.\n\n ECLI:NL:HR:2026:59.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","ecli-nl-rbgel-2026-5191",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]