Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5208

Rechtbank

Apeldoorn

Datum

1 July 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Apeldoorn

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Apeldoorn

Zaaknummer: 11980673 \ CV EXPL 25-3829

Vonnis van 1 juli 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. M.J.A. Weda,

tegen

1. [gedaagde 1] V.O.F.,

te [woonplaats 2] , 2. [gedaagde 2],

te [woonplaats 2] , 3. [gedaagde 3],

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en gezamenlijk te noemen: [gedaagde partij] (in vrouwelijk enkelvoud),

gemachtigde: mr. dr. P. Bavelaar, LL.M.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 18 februari 2026,

  • de akte wijziging eis,

  • de akte houdende inbreng van producties 5 tot en met 8 van [gedaagde 2] ,

  • de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[gedaagde 1] houdt zich onder meer bezig met de verkoop van pony’s en paarden.

2.2.. In oktober 2023 heeft [gedaagde 1] het in 2008 geboren springpaard met de naam ‘ [naam] en roepnaam ‘ [roepnaam paard] ’ (hierna: het paard) verkocht aan [naam] (hierna: [naam] ).

2.3.. In het najaar van 2025 heeft [naam] aan [gedaagde 2] te kennen gegeven het paard te willen verkopen.

2.4.. In of omstreeks oktober 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] gemeld dat zij op zoek was naar een geschikt paard voor haar dochter. [gedaagde 2] heeft [eiser] gewezen op het paard. [eiser] en haar dochter hebben het paard vervolgens twee keer bezichtigd op de stal van [naam] . [naam] was daarbij de eerste keer aanwezig en [gedaagde 2] was beide keren aanwezig.

2.5.. Tijdens de tweede bezichtiging van het paard op 1 november 2025 is het paard verkocht voor een koopsom van € 9.500,00 (excl. btw).

2.6.. Bij factuur van 1 november 2024 heeft [gedaagde 1] de koopsom van het paard ter hoogte van € 9.500,00 (excl. btw) aan [eiser] in rekening gebracht. In de factuur is het rekeningnummer van [gedaagde 1] vermeld. [bedrijf] B.V., de onderneming van de echtgenoot van [eiser] , heeft het factuurbedrag op dezelfde dag aan [gedaagde 2] betaald. Nadat ontvangst van deze betaling is het paard aan [eiser] geleverd.

2.7.. De dochter van [eiser] is het paard gaan trainen en uitbrengen op wedstrijden in de klasse B-springen.

2.8.. Op 28 mei 2025 is het paard kreupelheidsklachten gaan vertonen. [eiser] heeft het paard vervolgens in juni en juli 2025 laten behandelen.

2.9..

Op 29 juli 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] per WhatsApp bericht: “(…)

In de praktijk blijkt helaas dat hij vanaf het begin al wat stijf liep liep … vooral in het begin met rijden, maar inmiddels is hij volledig kreupel. We hebben alles gedaan voor [roepnaam paard] om beter te worden, van onze eigen dierenarts tot een Duitse specialist maar het wordt niet beter. Zij hebben ook al aangegeven dat dit al veel langer zit . (…) [dochter] heeft er een aantal wedstrijden mee kunnen rijden maar het was eigenlijk al vanaf het begin niet goed. (…) Wij hebben netjes betaald voor een paard dat eigenlijk niet bruikbaar is, en ik wil graag samen kijken naar een oplossing. (…)”

2.10..

Op 29 augustus 2025 heeft [eiser] het paard laten onderzoeken door drs. [dierenarts] , dierenarts van dierenkliniek [dierenkliniek] (hierna: [dierenarts] ). Op 28 september 2025 heeft [dierenarts] daarover bericht:

“(…)

Bij anamnese komt naar voren dat het paard al maanden kreupel is en ondanks behandelingen niet opknapt. Bij lichamelijk onderzoek heeft het paard ernstige overvullingen van o.a. beide achterkogels met name van beide peesschede en in mindere mate van beide kootgewrichten.

In stap is het paard ernstig kreupel (2/5) aan vooral linker achterbeen. In draf kan het paard bijna niet lopen (4/5). Bij het passief buigen van linker achterkogel komt paard in verzet als gevolg van pijn. Besloten is om paard om voor verder onderzoek eerst röntgenfoto’s en een echo te maken.

Op röntgenfoto’s komt een verkalking net distaal van de sesambenen en artrose van kroongewricht naar voren. Op echo is duidelijk een beschadiging van diepe buigpees net boven sesambenen zichtbaar.

Na overleg met eigenaar besloten om nu eerst met verkoper te overleggen alvorens verdere te gaan met onderzoek.”

2.11.. Bij brief van 1 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde 1] bericht dat het paard niet beantwoordt aan de overeenkomst en dat sprake is van non-conformiteit en dwaling. In de brief is de koopovereenkomst namens [eiser] primair buitengerechtelijk ontbonden en subsidiair buitengerechtelijk vernietigd.

3. Het geschil

3.1..

[eiser] vordert (samengevat) na wijziging van eis dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair1. de overeenkomst tussen partijen zal ontbinden,

subsidiair:

2. de overeenkomst tussen partijen geheel of gedeeltelijk zal vernietigen,

zowel primair als subsidiair:

3. [gedaagde partij] (hoofdelijk) zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.547,36 + p.m., vermeerderd wettelijke rente,

4. [gedaagde partij] zal veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, 5. [gedaagde partij] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2..
[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.. Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag tussen welke partijen de koopovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [gedaagde 1] als verkoper en [eiser] als koper. [gedaagde 2] betwist dit en stelt dat [naam] de verkoper van het paard is en dat [bedrijf] B.V. de koper is. [gedaagde partij] voert daartoe aan dat [gedaagde 2] alleen heeft geholpen met de verkoop van het paard en dat hij op 1 november 2024 enkel de verkoop namens [naam] heeft afgerond omdat [naam] op dat moment in het buitenland verbleef. [bedrijf] B.V. heeft het paard gekocht omdat zij de koopsom aan [gedaagde 1] heeft betaald, aldus [gedaagde partij]

4.2.. Vast staat dat [eiser] en [gedaagde 2] de koopovereenkomst op 1 november 2025 mondeling hebben gesloten. Dit betekent op zichzelf niet dat zij ook als contractspartij moeten worden aangemerkt. Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden hangt namelijk af van hetgeen partijen daarover naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (zie in dit verband HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521).

Wie is koper van het paard?

4.2.1.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat het contact over de verkoop van het paard verliep tussen [eiser] en [gedaagde 2] . Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoot van [eiser] hierbij een rol heeft gespeeld of dat [eiser] op enig moment heeft verklaard dat zij de koopovereenkomst namens [bedrijf] B.V. sloot. Het was [gedaagde partij] voorts bekend dat het paard werd gekocht voor de dochter van [eiser] . [gedaagde 1] heeft verder in de factuur van 1 november 2025 de koopsom van het paard aan [eiser] in persoon in rekening gebracht. Uit deze feiten en omstandigheden had [gedaagde partij] redelijkerwijs moeten afleiden dat [eiser] de koopovereenkomst in eigen naam wilde sluiten en niet in naam van de onderneming van haar echtgenoot. Het enkele feit dat de koopsom is betaald door [bedrijf] B.V. is van onvoldoende gewicht om daaruit af te leiden dat [eiser] de koopovereenkomst namens [bedrijf] B.V. wilde sluiten. Als vaststaand wordt dan ook aangenomen dat [eiser] koper van het paard is.

Wie is verkoper van het paard?

4.2.2.. Zoals hiervoor al is overwogen verliep het contact over de verkoop van het paard tussen [eiser] en [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft de twee bezichtigingen geregeld en hij was daar ook beide keren bij aanwezig. Voorts staat vast dat [gedaagde 2] zich via zijn onderneming professioneel bezighoudt met de verkoop van paarden. [gedaagde 2] heeft bovendien zelf de koopsom van het paard aan [eiser] in rekening gebracht en in de factuur heeft [gedaagde 1] haar eigen bankrekening vermeld. De koopsom is vervolgens ook betaald aan [gedaagde 1] . [gedaagde partij] heeft gesteld dat [gedaagde 2] herhaaldelijk aan [eiser] heeft gemeld dat [naam] eigenaar en verkoper van het paard is maar zij heeft die stelling, hoewel dit op haar weg had gelegen, niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat [gedaagde 2] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op enig moment aan [eiser] heeft verklaard dat hij optrad als tussenpersoon en dat [naam] de eigenlijke contractspartij van [eiser] was. Uit voormelde omstandigheden en gedragingen mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde 2] de koopovereenkomst in naam van [gedaagde 1] heeft gesloten. Dat het paard ten tijde van de verkoop op de stal van [naam] stond, leidt – anders dan [gedaagde partij] meent – niet tot een ander oordeel. Het is immers niet ongebruikelijk dat een paardeneigenaar een paard, al dan niet tijdelijk, elders stalt. Uit dit enkele feit hoefde [eiser] dan ook niet af te leiden dat hij de overeenkomst eigenlijk met de eigenaar van de betreffende stal, in dit geval [naam] , sloot.

4.2.3..
[gedaagde partij] heeft nog een aantal producties met interne correspondentie tussen [gedaagde 2] en [naam] ingebracht waaruit volgens [gedaagde partij] blijkt dat [naam] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst eigenaar van het paard was en daarom als verkoper van het paard moet worden aangemerkt. Wat daar ook van zij, deze correspondentie was niet kenbaar voor [eiser] en kan daarom geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van verklaringen of gedragingen waaruit [eiser] had moeten afleiden dat [gedaagde 2] de koopovereenkomst eigenlijk in naam van [naam] sloot. [gedaagde partij] heeft voorts nog een schriftelijke verklaring van 29 januari 2026 van [naam] overgelegd maar die verklaring wordt buiten beschouwing gelaten omdat [naam] deze verklaring later heeft ingetrokken.

4.2.4.. Gelet op het voorgaande wordt als vaststaand aangenomen dat [gedaagde 2] de koopovereenkomst in naam van [gedaagde 1] heeft gesloten. Het verweer van [gedaagde partij] op dit punt faalt dan ook.

Consumentenkoop

4.3.. Aangezien [gedaagde 2] bij het sluiten van de koopovereenkomst handelde in de uitoefening van haar bedrijf en [eiser] daarbij handelde als consument, is sprake van een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW. Dit brengt met zich dat in dit geval de consumentenbeschermende bepalingen van titel 7.1 BW van toepassing zijn.

Non-conformiteit

4.4..
[eiser] legt primair aan haar vordering ten grondslag dat de koopovereenkomst moet worden ontbonden omdat het paard bij aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.

4.5.. Eerst wordt ingegaan op het verweer van [gedaagde partij] dat [eiser] hem niet tijdig heeft geïnformeerd over de gestelde non-conformiteit van het paard en dat haar daarom op grond van artikel 7:23 lid 1 BW geen beroep op de non-conformiteit toekomt. Wanneer dit verweer slaagt, kan [eiser] namelijk geen beroep meer doen op de gestelde non-conformiteit van het paard.

4.6.. Op grond van artikel 7:23 lid 1 BW kan een koper er geen beroep meer op doen dat het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt als hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Bij een consumentenkoop – zoals in dit geval – begint de termijn waarbinnen geklaagd moet worden vanaf het moment van ontdekking (en niet eventueel het moment waarop de koper het gebrek had kunnen ontdekken) en wordt een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking als tijdig beschouwd.

4.7.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat het paard op 28 mei 2025 kreupelheidsklachten is gaan vertonen en dat [eiser] het paard hierna twee maanden heeft laten behandelen. [eiser] mocht enige tijd nemen voor deze behandeling omdat de effectiviteit van een bepaalde wijze van behandeling tijd vergt. Toen bleek dat de kreupelheid ondanks de behandeling bleef aanhouden, heeft [eiser] op 29 juli 2025 per WhatsApp aan [gedaagde 2] bericht dat het paard volledig kreupel is. [eiser] heeft dit bericht als productie 2 bij de akte wijziging van eis ingebracht en [gedaagde partij] heeft de juistheid van die productie vervolgens niet (gemotiveerd) betwist. Door op 29 juli 2025 aan [gedaagde 2] te melden dat het paard volledig kreupel is, heeft [eiser] tijdig bij [gedaagde partij] geklaagd over de gestelde non-conformiteit. Het beroep op artikel 7:23 lid 1 BW faalt dan ook.

4.8.. Vervolgens ligt de vraag voor of het paard ten tijde van de aflevering aan de koopovereenkomst beantwoordde.

4.9.. Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt het afgeleverde (in dit geval het paard) niet aan de koopovereenkomst als mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij of zij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.

4.10.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het paard heeft gekocht met het doel om het paard door haar dochter als springpaard op amateurniveau te gebruiken. Dit betekent dat wanneer vast komt te staan dat het paard ten tijde van de aflevering was behept met een gebrek waardoor het paard niet kon worden gebruikt als springpaard op amateurniveau, het paard niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de koopovereenkomst en de gedane mededelingen mocht verwachten. In dat geval beantwoordt het paard dus niet aan de koopovereenkomst.

4.11..
[eiser] stelt dat het paard ongeschikt is omdat het is behept met chronische gebreken die niet meer te herstellen zijn. Het paard is volgens [eiser] kreupel en kan niet meer ingezet worden. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft [eiser] een verklaring van 28 september 2025 van [dierenarts] overgelegd (zie hiervoor 2.10). [gedaagde partij] heeft de juistheid van de bevindingen van [dierenarts] niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Daarmee staat als onweersproken vast dat het paard ernstig kreupel is, zodanig dat het in draf bijna niet kan lopen. Het is evident dat het paard als gevolg van deze ernstige kreupelheid niet geschikt is om als springpaard te gebruiken. De kreupelheid kan echter alleen non-conformiteit opleveren als de oorzaak daarvan al bij aflevering van het paard aanwezig was. [gedaagde partij] betwist dit.

4.12.. In dit geval – waarin sprake is van een consumentenkoop en de kreupelheid zich binnen één jaar na levering heeft geopenbaard – geldt het bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Dit houdt in dat in beginsel wordt vermoed dat het paard ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Dat is alleen anders als de aard van de zaak (in dit geval het paard) of de aard van de afwijking (de oorzaak van de ernstige kreupelheid) zich daartegen verzet. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van deze uitzonderingen. Bij deze stand van zaken geldt daarom het vermoeden dat de oorzaak van de kreupelheid al bij aflevering aanwezig was, tenzij [gedaagde partij] bewijs van het tegendeel van dit vermoeden levert.

4.13..

Het is aan [gedaagde 2] om te bewijzen dat de oorzaak van de kreupelheid bij de aflevering op 1 november 2025 niet bestond. [gedaagde partij] is hierin vooralsnog niet geslaagd. Daarvoor is het volgende redengevend.

Anders dan [gedaagde partij] meent, betekent het feit dat het paard in de eerste maanden na aflevering kon deelnemen aan wedstrijden en kennelijk geen verschijnselen van kreupelheid vertoonde, niet dat de oorzaak van de kreupelheid pas na aflevering kan zijn ontstaan. Het is immers mogelijk dat de kreupelheid wordt veroorzaakt door een aandoening die al wel aanwezig was bij aflevering maar in de eerste maanden na aflevering nog geen kreupelheid veroorzaakte. In dit verband wordt opgemerkt dat bij het paard onder meer artrose en een verkalking van de sesambenen is geconstateerd en dit mogelijke oorzaken kunnen zijn van kreupelheid. Het ontstaan van merkbare gevolgen van deze aandoeningen is doorgaans een langdurig en sluipend proces.

[gedaagde partij] heeft voorts gesteld dat haar na overleg met [dierenarts] is gebleken dat de oorzaak van de kreupelheid ligt in een peesblessure. Die peesblessure kan volgens [gedaagde partij] door allerlei oorzaken zijn ontstaan, ook door een ondeskundige training of een val. [gedaagde 2] heeft gezien dat het paard tijdens een wedstrijd waar de dochter van [eiser] aan deelnam, hard ten val is gekomen, aldus [gedaagde partij] Gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door [eiser] , had het op de weg van [gedaagde partij] gelegen die stellingen te onderbouwen. Zij heeft dat echter niet gedaan. Aldus staat niet vast dat de oorzaak van de kreupelheid een peesblessure is en dat die peesblessure na de levering waarschijnlijk tijdens een val op een wedstrijd is ontstaan.

4.14..

[gedaagde partij] kan, desgewenst, in de gelegenheid worden gesteld bewijs van het tegendeel te leveren van het wettelijk vermoeden dat de oorzaak van de kreupelheid reeds aanwezig was bij aflevering van het paard. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de hierna te melden rol voor het nemen van een akte door [gedaagde partij] In deze akte kan [gedaagde partij] aangeven of en zo ja, hoe, zij het tegendeel van het wettelijk vermoeden wil bewijzen. Als [gedaagde partij] getuigen wil horen moet zij haar verhinderdata en die van eventuele getuigen opgeven over de maanden oktober tot en met december 2026. Hierna zal een datum voor een eventueel getuigenverhoor worden bepaald. Ook [eiser] wordt verzocht de verhinderdata over te leggen over die periode.

Als [gedaagde 2] het bewijs wil leveren door middel van een deskundigenrapportage dan dient [gedaagde 2] een opgave te geven van de voor die rapportage benodigde termijn.

4.15.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. laat [gedaagde partij] toe het tegendeel te bewijzen van het wettelijk vermoeden dat de oorzaak van de kreupelheid van het paard reeds aanwezig was bij aflevering van het paard,

5.2.. verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 juli 2026, voor het nemen van een akte als bedoeld in r.o. 4.14.,

5.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

lt

Meer Beslissingen