[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5236":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5236":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"860","ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7898 tot en met 24\u002F7901, 24\u002F7903 en 24\u002F7904 rectificatie\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde\u002Fechtgenoot]),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2009 tot en met 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende navorderingsaanslag heeft de inspecteur voor ieder jaar belanghebbende heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente gehandhaafd, de boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd en de boetebeschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nBij uitspraak welke is verzonden op 21 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van een stuk genaamd ”Memo aandachtspunten Verhuld Vermogen” toegewezen.\n\nIn reactie hierop heeft belanghebbende de rechtbank bericht dat zij akkoord gaat met kennisname door de rechtbank van de ongeschoonde versie van het hiervoor genoemd stuk.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk en gelijktijdig op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, tevens haar gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is gehuwd met [gemachtigde\u002Fechtgenoot] (de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot zijn vennoten van VOF [naam vof] (de vof). Vanaf 2010 is belanghebbende tevens in loondienst bij [naam bedrijf] BV. De echtgenoot heeft in het verleden gewerkt bij de Belastingdienst.\n\n2. Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen IB\u002FPVV opgelegd:\n\njaar\n\naangifte IB\u002FPVV ingediend\n\ndagtekening aanslag\n\nverzamelinkomen\n\nwaarvan box 1-inkomen\n\nwaarvan box 3-inkomen\n\n2009\n\n13-6-2011\n\n24-8-2011\n\n€ 161.749\n\n€ 161.749\n\n€ 0\n\n2010\n\n12-8-2011\n\n19-1-2012\n\n€ 182.358\n\n€ 181.061\n\n€ 1.297\n\n2011\n\n3-2-2013\n\n7-3-2014\n\n€ 115.842\n\n€ 115.842\n\n€ 0\n\n2012\n\n29-3-2014\n\n30-12-2014\n\n€ 86.471\n\n€ 86.471\n\n€ 0\n\n2013\n\n21-7-2014\n\n11-2-2015\n\n€ 79.468\n\n€ 79.468\n\n€ 0\n\n2014\n\n2-7-2015\n\n28-8-2015\n\n€ 95.813\n\n€ 95.813\n\n€ 0\n\n3. Aan belanghebbende is becon-uitstel verleend voor het doen van aangifte IB\u002FPVV 2009 tot 1 mei 2011.\n\n4. Op 29 december 2017 hebben belanghebbende, de echtgenoot en hun zoon de Belastingdienst een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, e-mail (de inkeermelding) gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Geachte inspecteur,\n\nWij maken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 met verrekening van dividend belasting.\n\nWij hebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWij hebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen.\n\nIn Hong Kong is het belegd in fondsen en individuele effecten belegt.\n\nDe rekening in Hong Kong is op naam gesteld van onze zoon [naam zoon], wonende [adres], [postcode] [plaats] BSN [BSN-nummer], de reden is dat hij regelmatig in Hong Kong moet zijn voor zijn werk.\n\nHij heeft geen enkel belang of bedrag in deze rekening.\n\nHet saldo is van ons.\n\nWij hebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.\n\nIn afwachting van uw reactie.\n\nMet vriendelijke groet,”\n\n [gemachtigde\u002Fechtgenoot], [belanghebbende] en [naam zoon]”\n\n[rechtbank:met daarbij drie weergegeven, geschreven, handtekeningen]\n\n5. Op 9 januari 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding van belanghebbende schriftelijk bevestigd.\n\n6. Naar aanleiding van de ontvangen inkeermelding heeft de inspecteur belanghebbende meermaals gevraagd om nadere informatie over het buitenlands vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd.\n\n7. De inspecteur schrijft op 20 november 2018 over het in rekening brengen van heffings- en belastingrente in een e-mail aan belanghebbende:\n\n“Daar heeft u een punt! Ik zal er dan straks bij de afhandeling van het dossier voor oudere jaren nog wel even naar kijken.”\n\n8. Omdat belanghebbende, naar daartoe meerdere malen te zijn gevraagd, ter zake van het buitenlands vermogen niet alle gegevens heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 13 mei 2019 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven voor de jaren 2005 - 2014.\n\n9. Met dagtekening 3 mei 2021 heeft de inspecteur uitspraak op het tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar gedaan. Het bezwaar wordt toegewezen voor zover het ziet op de bronbelasting en voor het overige afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.\n\n10. Bij uitspraak van 9 augustus 2023heeft deze rechtbank het beroep tegen de informatiebeschikking gegrond verklaard. De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de mutatieoverzichten 1 januari 2005-31 december 2007, is hierbij gehandhaafd. De overige onderdelen van de informatiebeschikking zijn vernietigd.\n\n11. Op verzoek van belanghebbende en de echtgenoot zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014 uitsluitend opgelegd aan belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft dit in een e-mail van 24 september 2023 aan de inspecteur bevestigd.\n\n12. In alle in geschil zijnde jaren bestond het in het buitenland aangehouden vermogen uit een aandeelportefeuille en liquiditeiten. Het saldo van het in het buitenland aangehouden vermogen was in deze jaren op 1 januari als volgt:\n\njaar\n\n2009\n\n€ 1.588.826\n\n2010\n\n€ 2.120.584\n\n2011\n\n€ 2.308.772\n\n2012\n\n€ 1.925.903\n\n2013\n\n€ 2.102.365\n\n2014\n\n€ 2.548.560\n\n13. Op 28 september 2023 heeft de inspecteur een mededeling van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014, de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente en de daarbij behorende vergrijpboetes gestuurd.\n\n14. Met dagtekening 24 respectievelijk 25 november 2023 zijn aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, heffings-\u002Fbelastingrentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd:\n\nzaaknummer\n\njaar\n\nverzamelinkomen\n\nheffingsrente\u002F belastingrente\n\nvergrijpboete\n\n24\u002F7898\n\n2009\n\n€ 235.937\n\n€ 7.520\n\n€ 18.046\n\n24\u002F7899\n\n2010\n\n€ 260.665\n\n€ 8.498\n\n€ 22.077\n\n24\u002F7900\n\n2011\n\n€ 208.192\n\n€ 8.555\n\n€ 23.598\n\n24\u002F7901\n\n2012\n\n€ 163.507\n\n€ 6.024\n\n€ 18.116\n\n24\u002F7903\n\n2013\n\n€ 163.562\n\n€ 7.313\n\n€ 23.376\n\n24\u002F7904\n\n2014\n\n€ 197.755\n\n€ 10.350\n\n€ 36.698\n\n15. Met dagtekening 5 september 2024 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar verstuurd waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond worden verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat de navorderingsaanslagen en de heffings-\u002F belastingrentebeschikkingen in stand blijven, dat de vergrijpboetes over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd worden en dat de vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd blijven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, heffings- en belastingrentebeschikkingen en boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het gaat hierbij om de volgende geschilpunten:\n\nzijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd;\n\nis de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 tijdig opgelegd;\n\nheeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld;\n\nheeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb);\n\nis terecht en zo ja tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht;\n\nzijn de opgelegde vergrijpboetes wegens opzet in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld;\n\nis het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden;\n\nheeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van de procedure die zag op de informatiebeschikking;\n\nheeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.\n\nDe hoogte van de over alle bij de navorderingsaanslagen vastgestelde verzamelinkomens is niet in geschil.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar niet het gehele dossier is verstrekt. In het toegezonden dossier bevonden zich namelijk geen aantekeningen van de behandelend inspecteurs. De inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken, heeft verklaard dat alle op de zaken betrekking hebbende stukken (digitaal) zijn verstrekt en heeft in dit verband verder nog gesteld dat er geen stukken zijn met betrekking tot afstemming tussen inspecteurs.\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd welke stukken ontbreken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht. Belanghebbende komt met niets waaruit enige aanwijzing valt af te leiden dat wellicht sprake zou kunnen zijn van niet-overgelegde stukken.\n\nIs de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 binnen de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd?\n\n20. De navorderingstermijn voor inkomsten en vermogen die in het buitenland zijn gehouden of opgekomen, bedraagt twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingstermijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel, indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend. De termijn voor het opleggen van de aanslag wordt verlengd met de termijn tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan, dan wel wordt vernietigd.\n\n21. Niet in geschil is dat voor het doen van de aangifte IB\u002FPVV 2009 een jaar becon-uitstel is verleend en dat als gevolg hiervan de navorderingstermijn met een jaar wordt verlengd. De informatiebeschikking is genomen op 13 mei 2019 en is door deze rechtbank vernietigd op 9 augustus 2023. De looptijd van de informatiebeschikking is derhalve vier jaar, twee maanden en 24 dagen. De navorderingstermijn eindigt derhalve op 24 maart 2026. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV heeft als dagtekening 25 november 2023 en is daarmee binnen de navorderingstermijn opgelegd.\n\n22. Belanghebbende heeft haar stelling dat de inspecteur alleen maar een informatiebeschikking heeft opgelegd om de aanslagtermijn te verlengen, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.\n\n23. De inspecteur heeft op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Wanneer de inspecteur ervan op de hoogte raakt dat een belastingplichtige rechthebbende is tot in het buitenland aangehouden, niet aangegeven bankrekeningen, kan hij zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige gedurende enige tijd over (andere) onbekende bronnen van inkomen heeft beschikt en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. Dit is voor de inspecteur toereikend om opgave te verlangen van al wat, zo nodig met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, in de belastingheffing kan worden betrokken.\n\n24. Bij de inspecteur was niet bekend of belanghebbende alle bankafschriften had ingediend. Zo zou het heel goed mogelijk hebben kunnen zijn dat naast de aangegeven rekening in het buitenland, belanghebbende daarnaast nog over andere in het buitenland aangehouden bankrekeningen beschikte, van welke rekeningen geen gegevens waren overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd niet alle gevraagde informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n25. Het door belanghebbende in dit verband genoemde arrest van de Hoge Raad,doet aan het hiervoor overwogene niet af. Dat, zoals zij aanvoert, belanghebbende niet wist van vermogen in het buitenland en dat daardoor geen informatiebeschikking aan haar kon worden opgelegd, doet niet ter zake. Anders dan in het hier genoemde arrest is belanghebbende in de onderhavige zaken in ieder geval vanaf einde 2013 op de hoogte van het bestaan van een bankrekening in het buitenland, zo volgt uit de mede door belanghebbende persoonlijk getekende inkeermelding. Dat zij dan vervolgens niet over de volledige gegevens van het vermogen in het buitenland beschikt, is voor haar rekening en staat er overigens niet aan in de weg dat aan belanghebbende een informatiebeschikking kan worden afgegeven.\n\nZijn de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend opgelegd?\n\n26. Bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden, dient de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan.Indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, is in ieder geval geen sprake van voortvarend handelen.\n\n27. De rechtbank wijst in dit verband allereerst naar wat zij hiervoor onder 23. tot en met 25. heeft overwogen. Afgezien van de periode waarin de procedure over de informatiebeschikking werd gevoerd, blijkt nergens uit het dossier dat de inspecteur gedurende langer dan zes maanden heeft stilgezeten. De met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR vastgestelde navorderingsaanslagen zijn daarom voldoende voortvarend opgelegd. Daarbij komt nog dat de voortvarendheidseis voor het jaar 2014 reeds niet geldt omdat in dat jaar de niet-aangegeven gelden stonden op een bankrekening in Hongkong. Hongkong behoort niet tot de Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n28. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van de Rechtbank Noord-Hollandis wat betreft het voortvarend opleggen van navorderingsaanslagen in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdamvernietigd. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raadleidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel over de voortvarendheid van handelen van de inspecteur.\n\nHeeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?\n\n29. De rechtbank leest de stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel.\n\n30. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vernietiging van de navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 er toe zou moeten leiden dat ook de navorderingsaanslagen over latere jaren zouden moeten worden vernietigd, heeft zij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de inspecteur navorderingsaanslagen over eerdere jaren om proceseconomische redenen en\u002Fof de omvang van het dossier heeft vernietigd. Nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling\u002Fvernietiging van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.\n\n31. Haar stelling dat de inspecteur door haar met name genoemde andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, heeft belanghebbende niet onderbouwd en wordt daarom verworpen.\n\nIs het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?\n\n32. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Zij meent dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.\n\n33. In zijn arrest van 13 juni 2025(het arrest van 13 juni 2025) overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang (onder weglating van voetnoten):\n\n“5.2.2\n\nHet Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.\n\n5.2.3\n\nDe hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond. Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.\n\n5.2.4\n\nIndien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.”\n\n34. De brief van de inspecteur van 28 september 2023 waarin de navorderingsaanslagen worden aangekondigd, voldoet naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3. van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen de navorderingsaanslagen op te leggen. Met deze brief is belanghebbende niet tijdig en expliciet van de voorgenomen navorderingsaanslagen op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de inspecteur aan die navorderingsaanslagen ten grondslag wil leggen. Met deze brief was het voor belanghebbende niet duidelijk dat, wanneer zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken, de inspecteur haar de voorgenomen navorderingsaanslagen zou opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008 en de boetes over de jaren 2009 tot en met 2011 nà 28 september 2023 zijn vernietigd. De rechtbank volgt belanghebbende in haar stelling dat zij na de mededeling van de inspecteur van 28 september 2023 voor het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2014 geen gelegenheid heeft gehad haar uit te laten over de feiten en gronden over de hoogte van deze nog op te leggen navorderingsaanslagen. Het enkele bieden van de gelegenheid om vragen te stellen, zoals vermeld in de laatste alinea van de brief van 28 september 2023, is daartoe onvoldoende. Omdat de feiten voor alle jaren hetzelfde zijn, had belanghebbende voor de niet vernietigde navorderingsaanslagen en boetes willen bepleiten dat deze daarom ook dienden te worden vernietigd. Zij is daartoe echter niet meer in de gelegenheid gesteld daarvoor alsnog argumenten aan te dragen.\n\n35. Dat belanghebbende ten aanzien van het niet aangeven van het saldo op de buitenlandse bankrekening zich vrijwillig heeft ingekeerd, dat zij ervan op de hoogte was dat de inspecteur als gevolg daarvan het voornemen had navorderingsaanslagen IB\u002FPVV op te leggen en dat de navorderingsaanslagen conform de door haar overgelegde cijfermatige gegevens zijn opgelegd, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, laat onverlet dat gelet op de eisen die in het bovenstaande arrest van de Hoge Raad worden gesteld, ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de navorderingsaanslagen, voor zover dat standpunt of dat element is gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur aan de navorderingsaanslagen ten gronde wilde leggen.\n\n36. Schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (het andere-afloopcriterium). Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval. Bij toepassing van het andere-afloopcriterium gaat het erom of op basis van de gegevens die de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel aan belanghebbende zou hebben voorgelegd, moet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven in die voorfase niet was uitgesloten dat de inspecteur tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Bij toetsing aan het andere-afloopcriterium gaat het niet erom welke afloop uiteindelijk in rechte komt vast te staan.\n\n37. Wanneer geen schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had plaatsgevonden, acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen van belang was. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft belanghebbende niet erop mogen vertrouwen dat, in navolging van de aanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008, de inspecteur de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 ook zou vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat ieder belastingjaar op zichzelf staat. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd conform door belanghebbende aan de inspecteur verstrekte gegevens. Voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende zelf aan de inspecteur aangegeven dat deze uitsluitend aan haar moesten worden opgelegd en niet (deels) ook aan de echtgenoot.\n\n38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, hoewel het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, de navorderingsaanslagen toch in stand blijven, omdat noch het vertrouwensbeginsel, noch de hiervoor genoemde, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte opmerking over het opleggen van aanslagen uitsluitend aan haarzelf, tot een andere afloop zouden hebben kunnen leiden. Uitgesloten is dat de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Aan het andere-afloopcriterium is niet voldaan.\n\nIs terecht en tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht?\n\n39. Het in rekening brengen van heffings- en belastingrente vloeit voort uit de wet (artikel 30f van de AWR en verder). De heffings- en belastingrente is terecht en tot de juiste bedragen berekend. Belanghebbende heeft haar stelling dat geen heffings- en belastingrente in rekening mag worden gebracht omdat het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, niet onderbouwd.\n\n40. Anders dan belanghebbende stelt, valt volgens de rechtbank uit het hiervoor onder 7. weergegeven citaat niet af te leiden dat de inspecteur bij oplegging van de navorderingsaanslagen in ieder geval de heffings- en belastingrente zou matigen. Evenmin kan, anders dan belanghebbende aanvoert, de inspecteur niet eraan worden gehouden om tijdens de procedure over de informatiebeschikking (voorlopige) navorderingsaanslagen op te leggen.\n\nBoetes\n\n41. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.\n\n42. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.\n\n43. Voor het opleggen van de vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard.De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.\n\n44. De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 op grond van artikel 67e van de AWR voor die jaren vergrijpboetes wegens opzet opgelegd. Omdat sprake is van een vrijwillige verbetering heeft hij daarbij de boetes gematigd naar 120% (40% van 300%).\n\n45. De inspecteur neemt het standpunt in dat bij belanghebbende primair sprake was van (voorwaardelijk) opzet, subsidiair van grove schuld. De over 2009 tot en met 2011 opgelegde vergrijpboetes zijn vervallen wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat sprake was van opzet of grove schuld.\n\n46. Belanghebbende betwist dat haar opzet kan worden verweten met betrekking tot het doen van onjuiste aangiften. Zij voert daartoe aan dat zij niet bekend is met het boxensysteem in de Wet IB 2001, dat zij in de vennootschap geen werkzaamheden verricht voor aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat haar echtgenoot tot in 2017 haar bewust onwetend heeft gelaten over de aanwezigheid van buitenlands vermogen. Daarom kunnen aan haar geen boetes worden opgelegd, zo voert zij aan.\n\n47. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Gelet op de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding van 28 december 2017 wist zij in elk geval in 2013 van het bestaan van een in Luxemburg gehouden bankrekening, omdat de rekening door haar en haar echtgenoot in dat jaar is opgeheven en het saldo is overgeboekt naar een rekening in Hongkong. De aangiften IB\u002FPVV 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend nà het opheffen in 2013 van de Luxemburgse effectenrekening en nà het overstorten van het saldo van deze rekening naar een in Hongkong gehouden rekening. Gelet op de inkeermelding wist belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en volgende van het buitenlands vermogen af, maar vermeldde dit niet in deze aangiften.\n\n48. Luxemburg had tot 2015 een absoluut bankgeheim. Door het saldo van de bankrekening niet aan te geven, heeft belanghebbende ervoor gekozen het vermogen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende passages van de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding (onderstrepingen door de rechtbank):\n\n“Wijmaken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 (…)\n\nWijhebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWijhebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen. (…)\n\nHet saldo is van ons.\n\nWijhebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.”\n\nDe andersluidende verklaring van de echtgenoot in het stuk van 10 april 2026, namelijk dat belanghebbende pas eind 2017 zou zijn ingelicht over het buitenlands vermogen, acht de rechtbank gelet op de duidelijke tekst van de inkeermelding en gelet op het feit dat de inkeermelding door belanghebbende is ondertekend, volstrekt ongeloofwaardig.\n\n49. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar aangiften IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 niet juist zouden worden ingediend. Onder die omstandigheden kan het in deze aangiften niet aangeven van het saldo van in het buitenland aangehouden vermogen worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild. Dit niet-ontzenuwde bewijsvermoeden van opzet is gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vaststaan. Die vermoedens zijn zo sterk dat het behoudens ontzenuwing ervan niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld.Het kan belanghebbende worden verweten dat zij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangifte in de aangiften heeft vermeld.\n\n50. Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende. Dit betekent dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e van de AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie ook niet in de aanslagen van haar echtgenoot was begrepen, neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Haar aangiften waren immers – net als die van de echtgenoot – onjuist omdat het in het buitenland aangehouden vermogen opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen was opgenomen.\n\nDe situatie in de onderhavige zaken wijkt af van die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedaan. Voor de toepassing van artikel 67e van de AWR gaat het er in de onderhavige zaken echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht. Dat dit het geval was, is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.\n\n51. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de opgelegde boetes dienen te vervallen door de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.\n\n52. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en\u002Fof opgekomen) inkomens- en\u002Fof vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling in de aangifte hieromtrent is voldoende duidelijk.Voor zover belanghebbende op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015het standpunt inneemt dat haar geen boetes kunnen worden opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van buitenlands vermogen, faalt het. Anders dan in dat arrest was in de onderhavige zaken belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB\u002FPVV 2012 - 2014 nu juist wel op de hoogte van buitenlands vermogen, zo volgt uit de inkeermelding. De door belanghebbende genoemde omstandigheden verhinderen het opleggen van boetes niet en leiden ook niet tot vernietiging of vermindering van de opgelegde boetes.\n\n53. De door belanghebbende gestelde schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging of vermindering van de boetes. Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 34. en 35. weergegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boetes het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur heeft niet voldaan aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3.van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen een vergrijpboete op te leggen.\n\n54. Evenals dit geldt voor de navorderingsaanslagen, is ook ten aanzien van de boetes niet voldaan aan de eisen van het andere-afloopcriterium. Ook zonder schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de boetes van belang was. Uit de inkeermelding volgt dat belanghebbende op de hoogte was van de overboeking van gelden in 2013 naar Hongkong. Door in het buitenland gestalde gelden niet in haar naderhand ingediende aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en verder op te nemen, heeft zij opzettelijk onjuist aangifte gedaan en kan geen sprake zijn van een andere afloop.\n\n55. De opgelegde boetes zijn proportioneel en evenredig. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd uitsluitend op basis van door belanghebbende ingediende gegevens. De hoogte van de boetes is afhankelijk van de hoogte van de over het niet-aangegeven buitenlands vermogen verschuldigde belasting zoals deze bij de betreffende navorderingsaanslag is vastgesteld. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 120% in beginsel passend en geboden.\n\n56. De rechtbank zal de boetes ambtshalve verminderen omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uiterlijk de brief van 14 februari 2019 is aan te merken als aankondiging van het opleggen van boetes, vanaf welke datum de redelijke termijn hiervoor is gaan lopen. Sindsdien zijn meer dan zeven jaren verstreken. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan vijf jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te verminderen met 20%.De boetes dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014).\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n57. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n58. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n59. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een vergoeding immateriële schade worden alle zaken als met elkaar samenhangend beschouwd.De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen ontvangen op 4 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en zes maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond een half jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 5 september 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor vier maanden aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om € 167 (2\u002F6 * € 500) en de Staat veroordelen om € 333 (4\u002F6 * € 500) aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n60. De beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en de heffings- en belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De vergrijpboetes worden door de rechtbank ambtshalve verminderd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. Zowel toekenning van vergoeding immateriële schade als ambtshalve vermindering van de boetes leiden niet tot gegronde beroepen.\n\n61. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wanneer rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende, moet in beginsel worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.De rechtbank ziet in de onderhavige zaken geen aanleiding hierover anders te oordelen.\n\n62. Voor een aanvullende (integrale) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten aanzien van de afgegeven informatiebeschikking, waar belanghebbende om heeft verzocht, bestaat eveneens geen aanleiding. Deze (advocaat)kosten staan namelijk los van de huidige beroepsprocedures en bovendien zien zij deels ook op de aan de echtgenoot opgelegde informatiebeschikking.\n\n63. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom in verband hiermee geen recht op vergoeding van griffierecht.De ambtshalve vermindering van de vergrijpboetes geeft evenmin aanleiding voor vergoeding van griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikkingen tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014);\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2025:5003.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2023:6090.\n\n Artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.\n\n Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nHoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.\n\nHoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.\n\n Waarbij de navorderingstermijn wordt verlengd met de looptijd van de informatiebeschikking: zie artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\nHvJEU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119.\n\n Rechtbank Noord-Holland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544.\n\n Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428.\n\n Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557.\n\n Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.\n\n Zie Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.2.1.\n\nECLI:NL:HR:2025:903.\n\n Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n ECLI:NL:HR:2013:63.\n\n ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nVergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\nECLI:NL:HR:2016:252.\n\nBeleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.\n\nHoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, r.o. 3.2.1.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","ecli-nl-rbgel-2026-5236",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]