ECLI:NL:RBGEL:2026:5275
Samenvatting
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Zutphen
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/460385 / HZ ZA 25-357
Vonnis in incident van 4 maart 2026
in de zaak van
1. CONTAMINATION CONTROL TECHNOLOGIES EUROPE B.V.,
te Helmond, 2. JESFAM B.V.,
te Helmond, 3. [eiser sub. 3] B.V.,
te [vestigingsplaats] , 4. MATCH VENLO HOLDING B.V.,
te Venlo, 5. [eiser sub. 5] B.V.,
te [vestigingsplaats] , 6. GEBRA INFRA B.V.,
te Arnhem, 7. RAMATEGE B.V.,
te Arnhem, 8. [eiser sub. 8] B.V.,
te [vestigingsplaats] , 9. [eiser sub. 9] B.V.,
te [vestigingsplaats] , 10. [eiser sub. 10] .,
te [vestigingsplaats] , 11. [eiser sub. 11] B.V.,
te [vestigingsplaats] , 12. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN B.V.,
te Bemmel, 13. TAPANUI HOLDING B.V.,
te Bemmel, 14. BEDEGE HOLDING B.V.,
te Bemmel, 15. MATAURA HOLDING B.V.,
te Bemmel, 16. WAITAHUNA HOLDING B.V.,
te Bemmel, 17. SUBASTA HOLDING B.V.,
te Bemmel, 18. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN DELFT B.V.,
te Bemmel, 19. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN BEVERWIJK B.V.,
te Bemmel, 20. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN ZEELAND B.V.,
te Bemmel, 21. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN PRODUCTIE EN LASTECHNIEK B.V.,
te Bemmel, 22. JOOSTEN ECODAK B.V.,
te Bemmel, 23. JOOSTEN REFOAM B.V.,
te Bemmel, 24. JOOSTEN RIOTECH B.V.,
te Bemmel, 25. JOOSTEN VAN KAAM B.V.,
te Bemmel,
26. KOZIJN GARANT B.V.,
te Cuijk,
27. ST. ANTHONIS METAAL B.V.,
te Cuijk,
28. BEHEERMAATSCHAPPIJ ST. ANTONIS B.V.,
te Cuijk,
29. STANSTECHNIEK GAANDEREN BEHEER B.V.,
te Gaanderen,
30. STANSTECHNIEK GAANDEREN B.V.,
te Gaanderen,
31. [eiser sub. 31] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
32. [eiser sub. 32] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
33. DESUT INVEST B.V.,
te Haps,
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs,
tegen
1. FINANCIEEL DIENSTENCENTRUM VOOR ONDERNEMERS B.V.,
te Zelhem,
hierna afzonderlijk te noemen: Fidon, 2. [naam gedaagde sub. 2],
te [woonplaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [de gedaagde sub. 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: gedaagden,
advocaat: mr. M.J.M. Groen.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding inclusief incidentele vordering
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil in het incident
2.1..
Eisers vorderen in dit incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Fidon en/of [de gedaagde sub. 2] te veroordelen tot volledige medewerking aan afgifte van (dan wel inzage in) alle informatie en/of bescheiden, die eisers redelijkerwijs nodig hebben om hun vordering(en) op Fidon en/of [de gedaagde sub. 2] nader te kunnen onderbouwen, motiveren en/of concretiseren, waaronder doch niet uitsluitend de informatie en stukken zoals genoemd in de brief van eisers d.d. 8 november 2024 (productie 6);
II. Bij toewijzing van het hiervoor onder I. gevorderde, en als Fidon en/of [de gedaagde sub. 2] daarin niet binnen 14 dagen na de datum van het vonnis in incident vrijwillig heeft voldaan, dat Fidon en/of [de gedaagde sub. 2] alsdan een dwangsom verbeurt aan eisers van
€ 1.000,00 per dag of dagdeel dat daaraan niet wordt voldaan, zulks met een maximum van € 50.000,00, althans een dwangsom vanaf een datum en maximum zoals door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;
III. Fidon en/of [de gedaagde sub. 2] te veroordelen in de kosten van dit (incidentele) geding, waaronder mede begrepen het salaris van de advocaat van eisers, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.
2.2..
Gedaagden voeren verweer. Gedaagden concluderen primair tot afwijzing van de incidentele vorderingen. Subsidiair concluderen gedaagden, bij toewijzing van de vorderingen, te bepalen dat eisers een voorschot aan Fidon dienen te voldoen van
€ 6.000,00, te vermeerderen met de BTW, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.
2.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak
3.1.. Eisers stellen in de hoofdzaak – samengevat – dat gedaagden, in hun hoedanigheid van assurantietussenpersoon, meer provisie hebben ingehouden dan de daarover gemaakte afspraken. Hierdoor hebben eisers schade geleden in de vorm van te veel betaalde premie. Ter onderbouwing van hun schade, vorderen eisers inzage in informatie op grond van artikel 195 jo. 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in stukken waaruit volgt welke provisie gedaagden ten aanzien van eisers hebben ontvangen en welke provisie zij bij eisers in rekening hebben gebracht.
De rechtbank ziet aanleiding om de zaken te splitsen
3.2.. Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van het incident, overweegt de rechtbank dat zij een aanhangig gemaakt geding (ambtshalve) kan splitsen op grond dat tussen de vorderingen van eisers geen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen (ECLI:NL:HR:1978:AC6384). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak gesplitst dient te worden in individuele zaken per eiser en daartoe is het volgende redengevend.
3.3.. De vorderingen van eisers zijn weliswaar gelijkluidend – in die zin dat in de hoofdzaak één bedrag aan schade wordt gevorderd ten behoeve van alle eisers, maar uit het door eisers overgelegde overzicht van de (voor een aantal van hen) tot nu toe begrote schade volgt dat eisers afzonderlijk schade hebben geleden. De begrote bedragen lopen namelijk sterk uiteen. Daar komt bij dat ook de met, of ten behoeve van, eisers gemaakte provisieafspraken, welke ten grondslag liggen aan de gevorderde schadevergoeding, per individuele eiser zijn gemaakt. Blijkens de stellingen van eisers en de bijgevoegde provisieafspraken, zou bij een deel van de eisers de gehele provisie van de af te sluiten polis worden uitgesloten, bij een deel van de eisers vijftig procent en bij een deel van de eisers zou de provisie niet van de af te sluiten polis worden uitgesloten. Zodoende is sprake van individuele overeenkomsten met of ten behoeve van eisers. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een dusdanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen. Per eiser zal dus moeten worden beoordeeld wat de concrete situatie is en welke schade is geleden.
3.4.. Bovendien zal per eiser moeten worden beoordeeld of de rechtbank of de kantonrechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Op grond van artikel 93 aanhef en onder a Rv worden zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 door de kantonrechter beslist. De rechtbank ziet in het door eisers overgelegde rapport aanleiding om voorlopig te oordelen dat niet iedere individuele eiser vorderingen heeft met een beloop van meer dan € 25.000,00, zodat de rechtbank het voornemen heeft om de zaken na splitsing te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Zutphen, voor zover de vorderingen van de betreffende eiser minder dan een bedrag van € 25.000,00 bedragen.
3.5.. De splitsing van de zaak heeft ten gevolge dat per eiser een procesdossier dient te worden aangeleverd en griffierecht dient te worden betaald. De rechtbank zal de zaak naar de rol van 18 maart 2026 verwijzen voor het nemen van een akte. In deze akte dienen eisers zich per eiser uit te laten over of de eiser verder wenst te procederen en over het voornemen om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter.
3.6.. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak en in het incident zal worden aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident en de hoofdzaak
4.1.. verwijst de zaak de rol van 18 maart 2026 voor het nemen van een akte door eisers over hetgeen is overwogen onder 3.5,
4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op
4 maart 2026.
JV/PB