Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5276

Rechtbank

Zutphen

Datum

1 April 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Internationaal privaatrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Zutphen

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Internationaal privaatrechtType: uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/463555 / HZ ZA 26-60

Vonnis van 1 april 2026

in de zaak van

1. [naam eiser 1] B.V.,

te [vestigingsplaats],

hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1] B.V., 2. [naam eiser 2] S.R.L.,

te [vestigingsplaats] (Roemenië),

hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 2] S.R.L.,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: eiseressen,

advocaat: mr. J. Cox,

tegen

1. MARIONNAUD PARFUMERIES ITALIA BS.R.L.,

te Rho (Italië),

hierna afzonderlijk te noemen: Marionnaud, 2. MAINFREIGHT LOGISTIC SERVICES NETHERLANDS B.V.,

te 's-Heerenberg,

hierna afzonderlijk te noemen: Mainfreight,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: gedaagden,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding

  • de akte overlegging producties

  • het tegen gedaagden verleende verstek.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1.. Eiseressen hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Bevoegde rechter en toepasselijk recht

2.2..
[eiser 2] S.R.L. is gevestigd in Roemenië, Marionnaud in Italië en [eiser 1] B.V. en Mainfreight in Nederland. Dit geschil heeft een internationaal karakter, zodat de rechtbank eerst ambtshalve zal oordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is en naar welk recht de vorderingen van eiseressen beoordeeld dienen te worden.

2.3.. Eiseressen baseren hun vorderingen op een overeenkomst voor het vervoer van goederen over de weg, waarbij de plaats van inontvangstname en de plaats van aflevering in twee verschillende landen zijn gelegen (Nederland respectievelijk Italië). Deze landen zijn partij bij het verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (het CMR-Verdrag). Artikel 1 jo. 41 CMR bepaalt dat dit verdrag dwingendrechtelijk van toepassing is, zodat de bevoegdheid van de rechter aan de hand van dit verdrag dient te worden vastgesteld. Aangezien de plaats van inontvangstneming van de goederen in Nederland is gelegen (’s-Heerenberg), is de Nederlandse rechter op grond van artikel 31 lid 1 sub b CMR-verdrag bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

2.4.. Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat op het geschil tussen partijen de materiële bepalingen van het CMR-verdrag van toepassing zijn. Voor zover deze bepalingen onderwerpen niet of niet volledig regelen, moet beoordeeld worden welk recht op deze onderwerpen van toepassing is. De rechtbank constateert dat de vorderingen van eiseressen volledig worden geregeld door het CMR-verdrag, zodat de bepalingen van dit verdrag op het geschil van toepassing zijn.

Betekening

2.5..

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de dagvaarding op de juiste wijze aan Marionnaud is betekend. Marionnaud is gevestigd in Italië, een lidstaat van de Europese Unie. Daarom is de Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (herschikking) (BetVo 2020) van toepassing. Uit de dagvaarding blijkt dat de eiseressen, overeenkomstig artikel 8 BetVo 2020 en

artikel 56 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), een afschrift van het exploot (met Italiaanse vertaling), vergezeld van het formulier overeenkomstig het op grond van artikel 36 lid 1 BetVo 2020 van toepassing verklaarde artikel 4 lid 3Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (formulier L in bijlage I) via een gerechtsdeurwaarder in Nederland (de verzendende instantie) heeft laten verzenden aan de Unep presso la Corte d’Appello di Milano, de ontvangende instanties in de zin van artikel 3 lid 2 BetVo 2020. Daarbij is het verzoek gedaan om het exploot aan Marionnaud te betekenen volgens de wet van de aangezochte lidstaten.

2.6.. Eiseressen hebben verder een uit Italië afkomstig ingevuld formulier K overgelegd als bedoeld in artikel 11 lid 2 BetVo 2020, gedateerd 4 augustus 2025. Uit dit formulier blijkt dat de dagvaarding op 4 augustus 2025 is betekend aan Marionnaud. Hieruit kan worden opgemaakt dat eiseressen de op grond van artikel 115 lid 1 Rv geldende minimale dagvaardingstermijn van vier weken in acht hebben genomen, omdat gedaagden zijn gedagvaard tegen de rolzitting van 26 februari 2026. De betekening heeft dus voldoende tijdig plaatsgevonden. Daarnaast kan aangenomen worden dat bij de betekening de voor Italië voorgeschreven vormen voor betekening in acht zijn genomen. Hierdoor is ten aanzien van de dagvaarding aan het bepaalde in artikel 22 lid 1 aanhef en onder a BetVo 2020 voldaan.

2.7.. Eiseressen hebben de akte overlegging productie echter pas later overgelegd, namelijk op de rol van 25 maart 2026. Eiseressen hebben geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de nader toegezonden producties ook aan gedaagden zijn betekend. De zaak zal naar de rol van 15 april 2026 worden verwezen om eiseressen in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat de akte overlegging nadere productie aan gedaagden is betekend. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseressen ten aanzien van Marionnaud (wederom) de vereisten van de BetVo 2020 in acht dienen te nemen.

2.8.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.. verwijst de zaak naar de rol van 15 april 2026 en bepaalt dat eiseressen zich op die datum mogen uitlaten over hetgeen is bepaald onder r.o. 2.7,

3.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op

1 april 2026.

JV/MS

Meer Beslissingen