Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5294

Rechtbank

Zutphen

Datum

3 July 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Strafrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Zutphen

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/048594-25

Datum uitspraak : 3 juli 2026

Tegenspraak (279 Sv)

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] te [woonplaats] ,

raadsman: mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),

komende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin

bestaande dat verdachte,

zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,

heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) heeft gericht en/of

in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of

het verloop van de rijbaan en/of de weg (de A28) niet/onvoldoende heeft gevolgd en/of in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en/of over de kop is gegaan/geslagen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),

komende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,

zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,

heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) heeft gericht en/of

in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of

het verloop van de rijbaan en/of de weg (de A28) niet/onvoldoende heeft gevolgd en/of in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en/of over de kop is gegaan/geslagen,

en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A28, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig gecrasht en/of over de kop gegaan/geslagen;

2. hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 januari 2025, p. 199 t/m 202;

  • het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t/m 80.

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is het verkeersongeluk te wijten aan de schuld van verdachte (in de zin van ernstigeschuld) en heeft [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Verdachte was zich niet bewust van het feit dat hij de maximumsnelheid heeft overschreden. De enkele omstandigheid van te hard rijden is niet voldoende voor overtreding van artikel 6 WVW. Het rijden zonder rijbewijs kan een verzwarende factor zijn, maar maakt op zich niet dat artikel 6 WVW is overtreden. Het korte moment van onoplettendheid van verdachte toen hij de telefoon voor de navigatie wilde pakken is mogelijk verwijtbaar onvoorzichtig, maar niet aanmerkelijkverwijtbaar onvoorzichtig.

De raadsman refereert zich ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft zich tevens ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Het verkeersongeval

Op 7 oktober 2024, omstreeks 01:50 uur, heeft er op de Rijksweg A28, ter hoogte van

Hattem, een enkelzijdig verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto betrokken was. In de personenauto zaten drie inzittenden. De bestuurder van de personenauto reed op de Rijksweg A28 links, komende uit de richting van Zwolle en gaande in de richting van Wezep. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid betrof 100 kilometer per uur.

Het verkeersongeval vond plaats op een recht weggedeelte. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een ongeveer 3 meter brede vluchtstrook die door middel van een onderbroken kantstreep van de rijbaan was gescheiden. Rechts naast de vluchtstrook lag een grasberm. De straatverlichting was in werking. Ter hoogte van hectometerpaal 85,5 is de auto van de rijbaan geraakt en in de grasberm gekomen. De auto heeft een 74 meter lang sporenbeeld achtergelaten. De eerste ongeveer 60 meter van dit sporenbeeld bestond uit twee parallel afgetekende bandensporen. Aan het einde van deze 60 meter bevond zich een verhoging in de grasberm. Hierna waren de sporen, over een afstand van ongeveer 14 meter, richting de vluchtstrook afgetekend. Na het raken van de verhoging is de auto terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen tegen de rijrichting in op de vluchtstrook tot stilstand gekomen. De afstand tussen het begin van de eerste sporen en de eindpositie van de personenauto was ongeveer 105 meter. Op de vluchtstrook waren over een afstand van ongeveer 30 meter, tot de eindpositie van de personenauto, gras, glas- en voertuig(onder)delen, een rode, op bloed gelijkende, vlek met daar omheen verpakkingen van medisch handelen en krassporen te zien. De passagier, die op de achterbank zat, was uit de auto geslingerd en gewond geraakt.

Voertuigonderzoek

Het voertuig werd onderzocht op mogelijke technische gebreken, welke een rol gespeeld zouden kunnen hebben in het ontstaan van het ongeval. Dergelijke gebreken werden niet aangetroffen. De auto was voorzien van een event datarecorder (EDR). Deze recorder heeft data opgeslagen die in verband zijn te brengen met het ongeval. De recorder heeft geregistreerd dat de auto voorafgaand aan het ongeval op de cruise control en met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur heeft gereden. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte door middel van remmen probeerde het ongeval te voorkomen. Volgens de EDR droegen de inzittenden vóórin de auto de voor hen bestemde autogordel. De linker en rechter gordel achter in de auto waren volgens het EDR-systeem niet vastgeklikt.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij door [benadeelde] is gevraagd om in haar auto van Assen naar Amsterdam te rijden. Zij was moe en niet in staat om te rijden. Verdachte stemde in, hoewel hij zich er bewust van was dat hij niet over de benodigde rijbevoegdheid beschikte. Voordat zij vertrokken, nam hij nog twee hijsjes van een wietsigaret. [benadeelde] zat naast hem en [slachtoffer] zat op de achterbank achter [benadeelde] . Verdachte verklaarde dat het heel donker was en dat vond hij vervelend. Hij reed 120 of 130 kilometer per uur en op de cruise control. De telefoon met de navigatie lag op schoot van [benadeelde] en verdachte moest steeds opzij kijken om de route te zien. Hij vroeg [benadeelde] om hem de telefoon aan te reiken. Terwijl zij hem de telefoon wilde geven, probeerde hij de telefoon van haar schoot af te pakken, maar greep hij mis omdat zij de telefoon al gepakt had. Door dit misverstand was zijn blik even niet op de weg gericht. Daarna ging het allemaal heel snel en sloeg de auto over de kop. Zij vonden [slachtoffer] bewusteloos en bebloed buiten de auto.

Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Of er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een op zijn minst aanmerkelijkemate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het moet gaan om méér dan een moment van onoplettendheid.

Verdachte was op 7 oktober 2024 rond 01:53 de bestuurder van de Volkswagen Polo toen deze betrokken raakte bij een eenzijdig ongeval op de A28 te Hattem. Verdachte reed, zonder dat aan hem een rijbewijs voor dit type motorvoertuig was afgegeven, ongeveer 30 kilometer per uur te hard. De navigatie stond ingeschakeld op de telefoon van [benadeelde] die op haar schoot lag. Verdachte moest steeds opzij kijken om de navigatie te kunnen zien en vroeg of hij de telefoon kon krijgen. [benadeelde] gaf hem de telefoon aan terwijl hij op datzelfde moment de telefoon van haar schoot wilde pakken en mis greep. Hierdoor was verdachte afgeleid en was zijn blik niet op de weg gericht.

Het was donker, het ongeval vond plaats op een recht stuk weg met straatverlichting en verdachte reed op de cruise control. Toch is de auto, zonder te remmen, van de rijbaan geraakt, via de vluchtstrook in de grasberm terecht gekomen, heeft een heuvel geraakt, is terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen, tegen de rijrichting in, tot stilstand gekomen op de vluchtstrook. [slachtoffer] , die geen gordel droeg, is door het ongeval de auto uit geslingerd en gewond geraakt. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte gewoonweg niet (voldoende) op de weg heeft gelet. Als gevolg hiervan heeft verdachte zijn voertuig niet voldoende onder controle gehouden en kon hij het voertuig niet op tijd tot stilstand brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit – gelet op het bovenstaande - méér dan een moment van onoplettendheid oplevert.

Van iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de daarvoor benodigde verkeershandelingen te verrichten. Verdachte heeft zich niet aan deze zorgplicht gehouden. Immers, hij heeft zijn voertuig niet onder controle gehouden door op een recht stuk weg van de weg af te raken, de berm in te rijden en over de kop te slaan. Dit terwijl hij geen rijbewijs had en 30 kilometer per uur te hard reed. Daar komt nog bij dat verdachte niet bekend was met de situatie ter plaatse, er twee inzittenden bij hem in het voertuig zaten en bij hem 3,0 microgram cannabis per liter bloed, de maximum toegestane grenswaarde, is gemeten.

Gelet op het geheel aan verdachtes gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het eenzijdige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval zoals bedoeld in artikel 6 WVW.

Letsel

Uit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] door het ongeluk het volgende letsel heeft opgelopen:

 een schedelbasisfractuur met bloeding rondom de stam;

 een sternum fractuur met mediastinaal hematoom;

 fractuur thoracale Th3 en Th4;

 pulmonale matglas afwijkingen dd contusie dd aspiratie;

 hematoom mediastinum;

 een sternum fractuur met verhoogde troponines geduid als corcontusie;

 een fractuur Lamina c2 bdz.;

 1e Ford type 2 fractuur en sinus maxillaris fractuur.

[slachtoffer] verklaarde dat hij twee weken in coma heeft gelegen. In eigen bewoordingen gaf hij aan dat hij een breuk bij zijn nek had, een schaafwond op zijn achterhoofd en op zijn voorhoofd. De kaak en vier ribben waren gebroken. De druk in de hersenen was heel hoog en hij had bloedingen in de hersenen. In totaal moest hij zes weken in het ziekenhuis in Zwolle blijven. Daarna is hij naar Revalidatiecentrum Overtoom-Reade in Amsterdam gegaan. Het herstel ging langzaam. Naar schatting zou hij wel kunnen genezen, maar kon niet worden voorspeld hoelang dat ging duren en of hij eventueel blijvend letsel of klachten zou houden.

De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang zijn. De rechtbank is van oordeel dat het letsel zoals hiervoor omschreven gelet op de aard en de gevolgen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),

komende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,

zeer, althansaanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en/ofonachtzaam heeft gereden, hierin

bestaande dat verdachte,

zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,

heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven lettenop de (verkeers)situatie ter plaatse en/ofopde weg (de A28) en/ofzijn aandacht gedurende enige tijdniet, althansin onvoldoende mate,op de (verkeers)situatie ter plaatse en/ofde weg (de A28) heeft gericht en/of

in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van,de vluchtstrook en/of

het verloop van de rijbaan en/of de weg(de A28) niet/onvoldoendeheeft gevolgd en/ofin strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en/ofover de kop isgegaan/geslagen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2. hij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en feit 2:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

en

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

 een taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;

 een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard, maar dat aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de zaak. Verdachte is jong. Hij is first offender. Hij handelde met goede bedoelingen om juist een gevaarlijke situatie te voorkomen. Voor de raadsman zijn dit redenen om ten gunste van verdachte van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van het feit

De verdachte is met te hoge snelheid met de auto van de weg geraakt en in de berm terechtgekomen. De auto is daardoor over de kop geslagen. Door met hoge snelheid te rijden heeft de verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om adequaat op de verkeerssituatie te kunnen anticiperen en de controle over het voertuig te behouden. Verdachte had geen rijbewijs en was onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof (THC). De hoeveelheid in zijn bloed betrof weliswaar de grenswaarde, maar in samenhang met de andere verwijten heeft verdachte hiermee onverantwoorde risico’s genomen voor zichzelf en anderen. [slachtoffer] heeft ernstig letsel opgelopen. Het is nog niet te voorzien of het letsel blijvende klachten ten gevolge heeft en welke invloed dat zal hebben op zijn toekomst.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 mei 2026 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij is daarom aan te merken als ‘first offender’.

Uit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 17 november 2025 komt naar voren dat verdachte zijn leven goed op orde heeft en in staat is zijn zaken goed te regelen. Volgens de reclassering is sprake van een incident. Verdachte heeft niet aan de mogelijke gevolgen gedacht. Met name de gevolgen van zijn handelen (het ernstige letsel van het slachtoffer) hebben een recidivebeperkende werking. Verdere bemoeienis door de reclassering lijkt niet geïndiceerd.

Proceshouding

Verdachte heeft bij de politie uitgebreid verklaard over zijn handelen. Echter heeft hij ervoor gekozen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Daardoor heeft hij de mogelijkheid verstek laten gaan om de rechtbank te overtuigen dat hij spijt heeft van zijn handelen en om het slachtoffer zijn excuses aan te bieden.

Straftoemeting

Ten aanzien van feit 1 primair

Bij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het veroorzaken van een verkeersgeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van ‘aanmerkelijke schuld’, die een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden indiceren. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan ziet de rechtbank geen redenen om van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken en zal een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, met inachtneming van eendaadse samenloop, aan verdachte opleggen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank zal ten aanzien van feit 2 volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 13.588,25 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering ziet op de kosten van het eigen risico voor het ambulancevervoer ter hoogte van € 241,04 en het restantbedrag in verband met de leaseovereenkomst voor de auto ter hoogte van € 13.347,21. Verder is om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wellicht sprake is van een (gedeelte) eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek en dat de vordering niet binnen de strafprocedure kan worden afgewikkeld, zonder afbreuk te doen aan fundamentele waarborgen die het civiele recht biedt. Derhalve dient de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, zodat de vordering in een civiele procedure kan worden behandeld.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op, nu de vordering te ingewikkeld is. Niet duidelijk is of de benadeelde partij ervan op de hoogte was dat verdachte niet over een rijbewijs beschikte toen zij hem de auto liet besturen. Daarnaast zijn de schadeposten onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

  • 9, 22 c, 22d, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;

  • 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

Ten aanzien van feit 1 primair

 legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

 ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

6 maanden;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

Ten aanzien van feit 2

 bepaalt dat ten aanzien van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. A.P Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.

Mr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024470076, gesloten op 8 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 21 oktober 2024, p. 89, 90, 93, 99.

Proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer d.d. 27 november 2024, p. 103, 111.

Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t/m 80.

Medische verklaring d.d. 12 oktober 2024, p. 192.

Proces-verbaal verhoor van slachtoffer [slachtoffer] d.d. 20 november 2024, p. 16 t/m 17.

Meer Beslissingen