ECLI:NL:RBGEL:2026:5296
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Zutphen
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: : 05/204418-25 en 05/285057-24 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 3 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan [adres] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] ,
raadsman: mr. C.C.W. Plaat, advocaat in Ede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 05-204418-25
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te [woonplaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 1] een of meermalen dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga je vermoorden" en/of heeft verdachte (daarbij) een (vlees)mes op de keel/hals van die [aangever 1] gezet en/of met dat (vlees) mes (op korte afstand) een of meermalen stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [aangever 1] , in ieder geval die [aangever 1] (op korte afstand) een (vlees)mes getoond, althans (telkens) woorden en/of (een) handeling(en) van gelijke dreigende aard of strekking;
Parketnummer 05-285057-24
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Olburgen, gemeente Bronckhorst opzettelijk en wederrechtelijk de auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Parketnummer 05-204418-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte niet de bedoeling had om zijn moeder te bedreigen en/of haar met het mes te steken. Hij heeft ook niet gezegd dat hij haar wilde vermoorden.
Beoordeling door de rechtbank
Verklaring van aangeefster
Aangeefster is de moeder van verdachte. Zij verklaarde dat zij op 5 juli 2025 in haar woning aan [adres] in [woonplaats] was. Om 13:15 uur begon zij in de woonkamer te bidden. Na enkele minuten kwam verdachte naar binnen. Hij liep direct naar de keuken en pakte een groot mes uit de keuken. Terwijl hij het mes pakte schreeuwde hij 'Ik ga je vermoorden!'. Vanuit de keuken ging hij rechtstreeks naar de woonkamer. Hij liep direct naar aangeefster toe en zette het mes tegen haar keel aan. Terwijl hij dit deed schreeuwde hij meerdere keren ‘Ik ga je vermoorden!’. Aangeefster zei dat zij heel bang was. Zij schreeuwde terug ‘Maak me maar dood dan ben ik van je af!’. Verdachte zei daarop 'Ik wil jouw vieze bloed niet op mijn vingers hebben.'. Daarna liep hij terug naar de keuken, legde daar het mes neer en liep naar boven.
Aangeefster had echt het idee dat hij haar zou vermoorden; verdachte kwam heel geloofwaardig over. Zij is direct naar de buren gelopen en die hebben de politie gebeld. Aangeefster heeft duidelijk gemaakt dat zij niet wilde dat verdachte terugkwam omdat zij bang voor hem was en zich in haar eigen huis niet meer veilig voelde.
Aantreffen verdachte
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen de melding van de bedreiging aan [adres] in [woonplaats] . Zij troffen daar de (hen ambtshalve bekende) verdachte aan. Verdachte was moeilijk te verstaan. De verbalisanten hoorden hem zeggen dat hij zijn moeder met een mes had bedreigd. Zij zagen dat verdachte dit bij verbalisant [verbalisant 2] voordeed met een aansteker. Hij maakte stekende bewegingen in de richting van de buik en borststreek van [verbalisant 2] . Hieruit maakten zij op dat verdachte voordeed hoe hij de bedreiging bij zijn moeder had uitgevoerd. In de woning trof de politie een groot vleesmes aan.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft bekend dat hij zijn moeder met een mes heeft bedreigd. Hij was onder invloed van amfetamine. Die dag had hij beelden in zijn hoofd. Hij verklaarde: ‘Eerst kwam een slang en daarna kwamen twee kleine slangen op de rug van die ene jongen. Iemand kwam met een mes’. Verdachte was in de veronderstelling dat zijn moeder een mes in de hand had.Verdachte verklaarde verder dat het nooit zijn bedoeling was om haar steken. Hij voelde zich beperkt door zijn moeder en wilde dat ze naar hem luisterde. Als zij bang was deed zij immers wat hij wilde.
Conclusie
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op 5 juli 2025 zijn moeder, aangeefster [aangever 1] , in haar woning aan [adres] in [woonplaats] heeft bedreigd door meerdere keren tegen haar te zeggen dat hij haar zou vermoorden, waarbij hij een vleesmes op haar keel heeft gezet en met het mes stekende bewegingen naar haar heeft gemaakt. Hij beoogde met de bedreiging controle over zijn moeder uit te oefenen. Aangeefster voelde zich bedreigd. Zij was bang dat verdachte de daad bij het woord zou voegen. Zij voelde zich niet meer veilig in haar eigen woning. Gelet op de handelingen in combinatie met de verbale bedreigingen, kon in redelijkheid de vrees bij haar ontstaan dat verdachte zijn dreigementen ook daadwerkelijk zou uitvoeren.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen en gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de onder parketnummer 05-204418-25 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Parketnummer 05-285057-24
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde vernieling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de vernieling geen bewijsverweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verklaring van aangever
Aangever verklaarde dat hij op 5 september 2024 aan het werk was als schipper van het pontje over de IJssel tussen Dieren en Olburgen. Hij had zijn auto, een Volkswagen Passat, op de wal aan de Olburgse kant bovenaan de op- en afrit van de pont geparkeerd. Toen hij zijn auto daar om 6:15 uur neer zette was deze vrij van schade en deuken.
Aangever zag om 7:15 uur verdachte op de fiets aankomen. Hij parkeerde zijn fiets, dwaalde eerst een beetje rond en liep vervolgens naar de geparkeerde auto. Aangever zag, terwijl hij met zijn pont op de IJssel zat, dat verdachte bij de auto hurkte en daarna aan de achterkant van de auto bezig was. Het leek alsof hij met zijn mouw dauw van de achterklep afveegde. Verdachte bleef daarna rond de auto lopen.
Toen aangever terugkwam aan de Olburgse kant is hij meteen van de pont naar zijn auto gelopen. Hij zag dat verdachte nog steeds bij zijn auto stond. Verdachte zei ‘Sorry, ik dacht dat het de auto van mijn broer was man’. Aangever zag direct dat boven op de achterklep van zijn auto een groot kruis was gekrast. Hij hoorde verdachte nog zeggen dat de verzekering dit zou vergoeden. Aangever heeft de politie gebeld en die heeft verdachte meegenomen.
Aangever constateerde dat zijn auto beschadigd was. De volgende beschadigingen waren volgens aangever door verdachte aan zijn auto toegebracht:
boven op de achterklep was een kruis in de lak gekrast;
de achterruit was beschadigd;
schade bij de achterklep net op de knik waar de zijkant overgaat in de bovenkant;
de motorkap was rechts van het midden beschadigd;
schade op het rechter voorscherm aan de passagierskant.
Later heeft aangever op camerabeelden gezien dat verdachte na het krassen op zijn auto nog een blikje Monster Energy tegen de auto had gegooid.
Aanhouding en verklaring van verdachte
Na de aanhouding vroegen verbalisanten aan verdachte waarom hij de krassen op de auto heeft gemaakt. Verdachte antwoordde: ‘Ik dacht dat het de auto van mijn broer was.’ en ‘Beter de auto dan mensen.’. Bij de fouillering van verdachte kwamen twee schroevendraaiers tevoorschijn.
Verdachte verklaarde tijdens het politieverhoor: ‘Ik heb gewoon een kruisje gezet op de auto. Die jongen was gewoon te snel bij de auto, anders had ik nog meer gedaan.’ Hij verklaarde dat hij de schade met de schroevendraaier heeft toegebracht, die hij tijdens de fouillering in zijn binnenzak had.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich op
5 september 2024 in Olburgen schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van de auto van [aangever 2] . Verdachte had bij zijn aanhouding schroevendraaiers bij zich. Hij heeft bekend dat hij daarmee een kruis op de achterklep van de auto heeft gekrast. Aangever heeft later gezien dat verdachte ook een blikje naar de auto heeft gegooid. Verdachte had vol opzet op de beschadiging van de auto. Dat hij dacht dat het om de auto van zijn broer ging maakt dit niet anders.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/204418-25 en onder parketnummer 05-285057-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05-204418-25
hij op of omstreeks5 juli 2025 te [woonplaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gerichten/of met zware mishandeling, door die [aangever 1]een ofmeermalen dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga je vermoorden" en/ofheeft verdachte (daarbij) een (vlees)mes op de keel/halsvan die [aangever 1] gezet en/ofmet dat (vlees) mes (op korte afstand)een ofmeermalen stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [aangever 1] , in ieder geval die [aangever 1] (op korte afstand) een (vlees)mes getoond, althans (telkens) woorden en/of (een) handeling(en) van gelijke dreigende aard of strekking;
Parketnummer 05-285057-24
hij op of omstreeks5 september 2024 te Olburgen, gemeente Bronckhorst, opzettelijk en wederrechtelijk de auto,in elk geval enig goed, dat/die geheelof ten deleaan [aangever 2], in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeftvernield,beschadigden/of onbruikbaar gemaakt;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05-204418-25
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Parketnummer 05-285057-24
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Pro Justitia-rapportages
Naar aanleiding van de bedreiging van zijn moeder zijn over verdachte door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie rapportages opgemaakt, te weten een rapport van door GZ-psycholoog J. Kluin, gedateerd 7 november 2025, en een rapport van drs. K.N. Broek, psychiater, en drs. M.K. van der Vlis, arts-assistent psychiatrie.
Bevindingen van de psycholoog
Op 7 november 2025 heeft de psycholoog een rapport over verdachte uitgebracht. De psycholoog heeft geconstateerd dat verdachte lijdt aan psychotische klachten in de vorm van waandenken, hallucinaties en betrekkingsideeën, die geclassificeerd kunnen worden als schizofrenie. Daarnaast misbruikte verdachte amfetaminen. Verdachte had tijdens de bedreiging van zijn moeder een psychotisch toestandsbeeld, waarbij het gebruik van amfetaminen leek te hebben bijgedragen aan de psychotische ontregeling.
De psycholoog adviseerde om verdachte in het kader van een zorgmachtiging te behandelen voor zijn psychoses en zijn verslaving, met actieve begeleiding op het gebied van wonen, relaties, dagbesteding en financiën. Indien de zorgmachtiging niet gerealiseerd kan worden, kan volgens de psycholoog worden gedacht aan tbs met dwangverpleging.
Bevindingen van de psychiaters
Ook drs. K.N. Broek, psychiater, en drs. M.K. van der Vlis, arts-assistent psychiatrie, hebben onderzoek ingesteld omtrent de persoon van verdachte en op 25 maart 2026 hierover gerapporteerd. De deskundigen hebben vastgesteld dat dat verdachte lijdt van schizofrenie. Hij heeft een psychotisch en gedesorganiseerd toestandsbeeld. Daarnaast is er sprake van een matig-ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine, waarvan aannemelijk is dat deze een ontregelende en onderhoudende rol speelt in het psychiatrisch toestandsbeeld.
Volgens het psychiatrisch rapport was ten tijde van het onder parketnummer 05-204418-25 tenlastegelegde sprake van een actief psychotisch toestandsbeeld, gekenmerkt door paranoïde wanen, achterdocht jegens zijn moeder, broer en omgeving en preoccupatie met een persoon genaamd [naam] . Tevens waren er aanwijzingen voor hallucinatoire belevingen en duidelijke desorganisatie in het denken en handelen. Verdachte was niet onder behandeling en er was vermoedelijk sprake van middelengebruik, wat het toestandsbeeld verder kan hebben ontregeld.
Uit observaties tijdens detentie bleek dat ook zonder middelengebruik sprake bleef van achterdocht en desorganisatie, passend bij een primair psychotische stoornis. Het psychotische denken en gedesorganiseerde gedrag werd mogelijk wel verergerd door zijn middelengebruik, maar is daar niet de oorzaak van geweest. Het risico op gewelddadig recidivegedrag, zoals het dreigen met een mes, wordt door deskundigen als hoog ingeschat.
Advies van de deskundigen
De deskundigen hebben geadviseerd het onder parketnummer 05-204418-25 tenlastegelegde niet aan verdachte toe te rekenen, gezien de doorwerking van zijn psychotische toestandsbeeld op zijn al zijn denken en zijn handelen, en geadviseerd om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen en een zorgmachtiging te overwegen, alleen gericht op het blijven innemen van antipsychotica, mocht hij dit gaan weigeren.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en zal verdachte ten aanzien van de bedreiging, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05-204418-25, volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren.
Gelet op hetgeen de psycholoog en de psychiater hebben vastgesteld en op de ernst van de stoornissen verwacht de rechtbank niet dat de deskundigen tot een ander oordeel waren
gekomen als de vernieling, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05-285057-24, was mee genomen in de beoordeling. De rechtbank ziet namelijk concrete aanknopingspunten dat ook bij dit feit sprake was van een situatie waarin verdachte heeft gehandeld vanuit een psychose waarbij hij de ernst en strafrechtelijke van zijn handelen niet inzag en hij ook de gevolgen daarvan niet overzag. De rechtbank zal verdachte dus ook volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren voor dat feit.
De rechtbank zal verdachte niet strafbaar verklaren en hem ontslaan van alle rechtsvervolging en zodoende aan hem geen straf opleggen.
7. De overwegingen ten aanzien van terbeschikkingstelling
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals de reclassering ze heeft geformuleerd in het maatregelrapport van 2 juni 2026. De officier van justitie heeft verzocht deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd.
De officier van justitie heeft voorts verzocht de voorlopige hechtenis niet op te heffen, maar te bepalen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) zal worden opgenomen, in elk geval tot er een overbruggingsplek is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis moeten dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de terbeschikkingstelling zullen worden verbonden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd en aangegeven dat hij zich kan vinden in het standpunt van de officier van justitie. Verdachte is gemotiveerd om aan de voorwaarden mee te werken. De raadsman heeft wel verzocht om af te zien van de gedragsbeïnvloedende maatregel.
De beoordeling door de rechtbank
Tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank stelt verder vast dat het onder parketnummer 05-204418-25 bewezenverklaarde een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.
Reclassering Nederland heeft op 2 juni 2026 in haar maatregelrapport positief geadviseerd ten aanzien van een tbs-maatregel en aanbevolen de volgende voorwaarden daaraan te verbinden:
geen strafbaar feit plegen;
meewerken aan reclasseringstoezicht;
meewerken aan time-out;
niet naar het buitenland;
meldplicht bij reclassering;
opneming in een zorginstelling;
ambulante behandeling;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
verbod verdovende middelen;
dagbesteding;
aflossing schulden.
De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen.
Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij zich realiseert dat hij ziek is en dat hij behandeling nodig heeft. Hij heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de voorwaarden.
De verwachting is dat het hoge recidiverisico middels deze maatregel voldoende naar een meer aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. Gelet op de inhoud van de rapporten van de deskundigen, het maatregelenrapport en de houding van verdachte ten aanzien van een dergelijke maatregel is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met voorwaarden passend is. De rechtbank zal dit dan ook opleggen.
Het bewezenverklaarde feit onder 05-204418-25 is een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank overweegt daartoe dat het gaat om een bedreiging in woord, die is vergezeld door niet-verbaal agressief geweld dat bestond uit het tonen van een mes, het op de keel zetten van het mes en meerdere stekende bewegingen in de richting van de bedreigde. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur ongemaximeerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank ziet aanleiding de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, nu verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, het gevaar op herhaling van gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat en niet ter discussie staat dat klinische behandeling noodzakelijk is.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank schat in dat een tbs-maatregel voldoende tijd en mogelijkheden biedt om verdachte te behandelen, in te grijpen indien nodig en verdachte gedurende een langere tijd te monitoren.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte voor zijn klinische behandeling in een FPK kan worden opgenomen, of indien deze niet tijdig beschikbaar is, er een overbruggingsplek voor verdachte is. Voor de schorsing van de voorlopige hechtenis gelden dezelfde voorwaarden, die aan de terbeschikkingstelling zijn verbonden.
8. De beoordeling van de civiele vordering
Parketnummer 05-285057-24
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met de beschadiging van zijn auto een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.125,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag te matigen naar € 2.000,00 en de vordering voor het overige af te wijzen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter hoogte van € 3.125,00 kan worden toegewezen.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 5 september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de maatregelen is gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
gelast dat verdachte ter beschikking wordt gestelden stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte:
- Geen strafbaar feit plegen
Verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
- Meewerken aan reclasseringstoezicht
Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.
• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
- Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
- Niet naar het buitenland
Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
- Opneming in een zorginstelling
Verdachte laat zich - zolang de reclassering het nodig vindt - opnemen in en behandelen door FPK Inforsa Amsterdam of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo snel als mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
- Ambulante behandeling
Verdachte laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft - zolang de reclassering dat nodig vindt - in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
- Verbod verdovende middelen
Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
- Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Aflossing schulden
Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
geeft Reclassering Nederland (Tactus) opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstellingmet voorwaardendadelijk uitvoerbaaris;
schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden met ingang van het moment waarop verdachte bij een FPK zal worden opgenomen, althans tot er een passende overbruggingsplek is;
ten aanzien van de schadevordering van [aangever 2] (parketnummer 05-285057-24)
veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 3.125,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
5 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 3.125,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 31 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost, voorzitter, mr. A.P. Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.
Mr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025317639, gesloten op 6 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] op 5 juli 2025, p. 6 en 7.
Proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2025, p. 9.
Proces-verbaal van verhoor verdachte door de rechter-commissaris op 8 juli 2025.
Proces-verbaal van verhoor van verdachte op 5 juli 2025, p. 48 en 49.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024415579, gesloten op 11 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] op 5 september 2024, p. 6 t/m 9.
Proces-verbaal van aanhouding verdachte op 5 september 2024, p. 31.
Proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 september 2024, p. 39.