ECLI:NL:RBGEL:2026:5299
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Zutphen
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/242161-25 en 08/277661-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 3 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Tunesië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd in het Detentiecentrum [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. R. van Rhijn, advocaat in Amersfoort, als waarnemer van mr. A.H.T. de Haas.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 05/242161-25
hij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever 1] van het leven te beroven,
die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel/hals, althans het lichaam heeft vastgepakt en/of (vervolgens)
de keel/hals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen/ dichtgedrukt en/of
die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel/hals, althans het lichaam heeft vastgepakt en/of (vervolgens)
de keel/hals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen/ dichtgedrukt en/of
die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem [aangever 1] heeft mishandeld, door
die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel/hals, althans het lichaam vast te pakken en/of (vervolgens)
de keel/hals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) dicht te knijpen/ dicht te drukken en/of
die [aangever 1] (met kracht) op de grond te duwen, waardoor zij ten val kwam.
Parketnummer 08/277661-25
hij op of omstreeks 21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland, opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron), een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten
het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupe en/of
het naar beneden trekken van zijn onderkleding en/of het naar boven trekken van zijn bovenkleding en/of
het tonen en/of zichtbaar maken van zijn penis en/of
het vastpakken van zijn penis.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Parketnummer 05/242161-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Volgens de officier van justitie is sprake van voorwaardelijk opzet. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft verdachte door met beide handen hard de keel van aangeefster dicht te knijpen, waarbij letsel is ontstaan, het risico aanvaard dat het slachtoffer door de verwurging zou komen te overlijden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van het aangeefster. Alle omstandigheden van het geval, te weten het letsel en de aard en de duur van de tenlastegelegde gedraging maken dat naar algemene ervaringsregels geen sprake is geweest van een reële, aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster. Het letsel dat daadwerkelijk is opgetreden werd door de deskundigen omschreven als niet levensbedreigend. Het slachtoffer had dus niet aan dit daadwerkelijk ontstane letsel kunnen overlijden.
De raadsman heeft aangevoerd dat op geen enkele wijze de conclusie kan worden getrokken dat verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm enig overtuigend opzet op de dood had en heeft daarbij ook opgemerkt dat het juist aangeefster en haar dochter waren die geruime tijd (over een afstand van een paar honderd meter) achter verdachte aanliepen - niet andersom.
Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verklaring van aangeefster
Op zaterdagavond 13 september 2025 rond 19.00 uur arriveerde aangeefster samen met haar dochter en partner bij de woning van de dochter in Hattem. Zij zagen een voor hen onbekende man (verdachte) op het bouwterrein van de naastgelegen woning, waar ook een bouwkeet en een portable toilet stonden. Aangeefster vond dat hij er niet hoorde. De dochter sprak hem aan. Verdachte wees naar de bouwkeet en sprak in een voor aangeefster onverstaanbare taal. Daarna verliet hij het terrein en liep de straat op richting de bushalte. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter. De dochter had op dat moment telefonisch contact met de meldkamer van de politie. Verdachte zette zijn tas bij de bushalte neer en liep een aantal keren heen en weer. Vervolgens keerde hij zich in de richting van aangeefster en kwam ineens op haar af. Hij ging met beide handen richting de keel van aangeefster en kneep met kracht haar keel dicht. Zij voelde dat haar strot werd dichtgeknepen. Hierdoor kreeg zij geen lucht meer. Dat duurde ongeveer 10 seconden. Verdachte liet haar daarna los en aangeefster viel achterover.
Aangeefster gaf aan dat zij daarna hees was en dat haar keel een beetje rafelig aanvoelde. Zij had lichte rode plekken aan zowel de rechter- als de linkerzijde van haar hals op de plek waar de vingers van verdachte de hals hadden omvat.
Op 14 september 2024 verklaarde aangeefster dat het voor haar voelde alsof verdachte haar zeker een halve minuut vast had tijdens het wurgen, maar ze weet niet of het ook zo lang was. Ze had heel even het gevoel gehad dat ze geen adem kon halen, maar dat besefte ze zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Ze merkt dat ze dingen is vergeten van gisteren. Ze lag ineens op de grond en weet via haar dochter hoe het is gegaan. Ze is niet buiten westen geweest en heeft goede oren. Ze hoorde haar dochter wel op de achtergrond tijdens het wurgen.
Verklaring van de dochter
De dochter van aangeefster verklaarde dat zij verdachte heeft aangesproken en dat hij zei dat hij op zoek was naar een toilet. Zij zei tegen hem dat hij niet op haar erf mocht komen. Zij heeft – met zijn instemming – een foto van hem gemaakt en 112 gebeld. Daarna liep verdachte rustig weg. Samen met haar moeder liep zij op een afstandje achter verdachte aan. Verdachte stopte bij de bushalte en ging daar zitten. Moeder en dochter bleven in de buurt van het bushokje wachten op de komst van de politie. Verdachte stond weer op en pakte zijn tas. Hij werd gevolgd door moeder en dochter. Uit het niets draaide verdachte zich ineens om en liep recht op haar moeder af. De dochter zag dat verdachte zijn beide handen om de hals van haar moeder bracht en de hals met veel kracht dichtkneep. Zij zag aan het gezicht van haar moeder dat ze heel erg angstig was en dat ze geen lucht meer kreeg door de kracht waarmee verdachte haar hals dichtkneep. Tijdens het wurgen kreeg haar moeder grote ogen en haar hoofd stond door de opwaartse kracht van verdachte op een onnatuurlijke wijze naar achteren. Dit duurde ongeveer 5 seconden. Daarna heeft hij aangeefster met een harde duw op de hals van zich afgeduwd, waardoor hij haar met een smak op de grond gooide. Ze zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen.
Verklaring van verdachte
Verdachte verklaarde dat hij met de bus uit Zwolle was gekomen en op weg was naar Arnhem. Hij stapte in Hattem uit omdat hij nodig moest plassen. Hij zag op een bouwterrein een Dixi-toilet. Hij wilde aangeefster vragen of hij het toilet mocht gebruiken, maar werd weggestuurd. Aangeefster en haar dochter hebben zijn tas doorzocht, een foto van hem gemaakt en aangegeven dat zij de politie gingen bellen. Ze zeiden tegen hem dat hij niet weg mocht gaan. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter en paar honderd meter tot aan de bushalte. Toen hij daar wilde gaan plassen werd hij door aangeefster tegengehouden. Zij pakte hem bij de mouw van zijn vest. Verdachte trok zijn arm weg en duwde aangeefster met zijn andere hand tegen de borst. Door de duw viel zij op het gras.
Letsel
Op 14 september werd bij het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) een forensisch-medisch onderzoek niet-fatale strangulatie uitgevoerd bij aangeefster. Aangeefster gaf bij het onderzoek aan dat zij tijdens het incident gedurende 5 tot 10 seconden geen adem kon halen. Direct na het incident had zij moeite en pijn met slikken, keelpijn, hoofdpijn en mogelijk ook oorsuizen. Zij had ook last van keelschrapen, echter daar had ze voor het incident al vaker klachten van. Zij was een fragment van haar geheugen kwijt. Het is onduidelijk of er bewustzijnsverlies is geweest. Na het incident heeft er geen medische behandeling plaatsgevonden.
Tijdens het onderzoek werd bij aangeefster het volgende letsel vastgesteld:
een krasletsel op de rechterflank;
een zwelling van de aryepiglottische plooi rechts, zichtbaar tijdens het keelonderzoek;
vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen.
Er waren geen bloedingen of rupturen op het netvlies te zien. Na aanleiding van het onderzoek werd geadviseerd om een deskundigenrapport met interpretatie aan te vragen.
In het deskundigenrapport van het LOEF van 21 januari 2026 is de ontstaanswijze van het letsel getoetst aan specifieke scenario’s. Volgens de deskundigen passen de letsels zoals beschreven en de klachten zoals vermeld door aangeefster tijdens het FMO bij de verklaringen van aangeefster en de getuige. Volgens de KNO-artsen past het letsel in de keelholte bij een traumatische stompe of samendrukkende krachtsinwerking op het strottenhoofd. Op de MRI-scan was een onderhuidse zwelling zichtbaar. Volgens de forensisch radioloog zijn de zwellingen rondom de onderkaak, de kin en in de dieper gelegen weke delen rondom de rechterhoorn van het schildkraakbeen ontstaan door een stompe krachtsinwerking, waarschijnlijk door een samendrukkende kracht op de hals.
Volgens de deskundigen is het daadwerkelijk opgetreden letsel niet levensbedreigend geweest. De genezingstijd werd geschat op enkele weken. Er was geen verwachting op restverschijnselen.
Conclusie
De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster op 13 september 2025 met beide handen met kracht bij de keel/hals heeft vastgepakt en
gedurende een korte periode krachtig met beide handen de keel/hals heeft dichtgeknepen en haar daarna met kracht op de grond heeft geduwd. De rechtbank overweegt ten aanzien van de kwalificatie van de gedragingen van verdachte het volgende.
Vrijspraak poging doodslagDe rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt de beantwoording van die vraag af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Niet elk dichtknijpen van de keel levert daarom zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood op.
De rechtbank stelt vast dat verdachte aangeefster met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij naar eigen zeggen moeilijk adem kon halen. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster inwendig letsel in de hals en keel is ontstaan dat past bij een samendrukkende kracht op de hals en bij de verklaringen van aangeefster en haar dochter. Daarmee staat vast dat sprake is geweest van krachtig en gevaarzettend geweld tegen een kwetsbaar deel van het lichaam.
De officier van justitie heeft betoogd dat in geval van verwurging sprake is van een “allesofniets”-situatie nu bij aangeefster letsel is vastgesteld op plaatsen in de hals waar strangulatie fataal kán zijn en aangeefster en haar dochter verklaren dat krachtig is geknepen, en reeds daaruit volgt dat in dit geval een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. De rechtbank volgt die redenering niet. Daarmee zou immers het bewijs voor verwurging in belangrijke mate samenvallen met het bewijs voor poging doodslag, terwijl voor poging doodslag méér nodig is dan het vaststellen van verwurging als zodanig.
De rechtbank onderkent dat verwurging in abstracto een zeer gevaarlijke geweldsvorm is en dat het hals en keelgebied anatomisch kwetsbaar is. Ook volgt uit de deskundigenrapportage in algemene zin dat strangulatie fataal kan zijn, doordat bij voldoende en voldoende lang aangehouden druk op halsvaten en/of de ademweg bewusteloosheid en uiteindelijk de dood kunnen intreden. In dat verband kan worden gesproken van een medisch “allesofniets”-karakter, zoals door de officier van justitie is betoogd: de grens tussen een nietfatale en een fatale afloop kan, afhankelijk van plaats, duur en mate van druk, betrekkelijk smal zijn.
De enkele omstandigheid dat strangulatie in algemene zin een potentieel dodelijke geweldsvorm is, dat zich letsel ter hoogte van structuren bevindt die in andere gevallen bij fatale strangulatie betrokken kunnen zijn en de subjectieve beleving van aangeefster (en haar dochter) is dat “krachtig” is geknepen, betekent nog niet dat sprake is van de voor poging doodslag vereiste aanmerkelijkekans op de dood. Voor een bewezenverklaring van poging doodslag is méér vereist. Beslissend is of deze concrete verwurging, gelet op duur, verloop, objectieve verschijnselen en deskundigenduiding, naar algemene ervaringsregels de dood reëel deed duchten. Dat kan in deze zaak niet worden vastgesteld.
Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend heeft gekwalificeerd en heeft geconcludeerd dat aangeefster aan dit letsel niet had kunnen overlijden. Ook is gerapporteerd dat de letsels binnen enkele weken zullen genezen en dat geen restverschijnselen worden verwacht. Het inwendige letsel in de hals was daarmee medisch gezien beperkt: het betrof wekedelenzwellingen zonder fracturen of blijvende schade. Verder zijn geen netvliesbloedingen, geen petechiën of andere asfyxiespecifieke tekenen en geen uitwendige halsletsels vastgesteld.
In de anamnese van LOEFF is vermeld dat aangeefster een fragment van haar geheugen kwijt zou zijn, maar daarbij is expliciet opgetekend dat onduidelijk is of sprake is geweest van bewustzijnsverlies. Objectieve aanwijzingen voor bewustzijnsverlies, neurologische uitval of een ander bijnafataal klinisch beloop ontbreken.
De rechtbank betrekt verder in haar beoordeling dat de duur van het dichtknijpen door aangeefster in haar aangifte is geschat op ongeveer tien seconden en door haar dochter op ongeveer vijf seconden. Later heeft aangeefster vervolgens weer verklaard dat zij heel evenhet gevoel had gehad dat zij geen adem kon halen, maar dat besefte zij zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Mede omdat aangeefster daarbij heeft aangegeven niet te weten of het daadwerkelijk zo lang heeft geduurd, acht de rechtbank de uitlating vooral een uitdrukking van haar subjectieve beleving onder stress.
Ook de uitlatingen van aangeefster over de ernst van de situatie zijn niet eenduidig. In de anamnese bij LOEFF is vastgelegd dat zij niet voor haar leven vreesde, terwijl zij later heeft verklaard dat zij het gevoel had dat het “zo met haar gebeurd kon zijn”. De rechtbank neemt beide uitlatingen in aanmerking, maar verbindt daaraan niet de conclusie dat daaruit een objectieve aanmerkelijke kans op overlijden kan worden afgeleid. Daar komt bij dat de rechtbank het verloop van de situatie direct ná de vermeende verwurging en het op de grond vallen van aangeefster in haar beoordeling heeft betrokken. Daarbij is de verklaring van de dochter van aangeefster, die het incident van het begin tot het eind van zeer dichtbij heeft meegemaakt van bijzonder belang. Met name voor wat betreft de beantwoording van de vraag of bij aangeefster sprake is geweest van bewustzijnsverlies. De dochter van aangeefster zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de dochter van aangeefster haar moeder zo kort na een dergelijk incident achter zou laten om achter verdachte aan te lopen, als haar moeder gedurende dat incident op enig moment het bewustzijn had verloren en/of als zij de situatie van haar moeder direct na het incident als dusdanig had ingeschat dat zij haar op dat moment niet kon achterlaten.
Samengevat ziet de rechtbank drie gewichtige aanwijzingen tégen het aannemen van een aanmerkelijke kans op de dood in deze zaak:
De verwurging is kortdurend geweest en direct geëindigd, terwijl de duur door aangeefster en haar dochter in de orde van enkele seconden wordt geplaatst;
Objectieve tekenen van een bijnafatale strangulatie ontbreken, zoals vastgesteld bewustzijnsverlies, neurologische uitval, petechiën of andere asfyxiespecifieke bevindingen;
De deskundige heeft het concrete letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend gekwalificeerd en geconcludeerd dat aangeefster daaraan niet had kunnen overlijden, terwijl de passages in het rapport over de in algemene zin levensbedreigende aard van strangulatie niet op deze concrete casus zijn toegespitst.
Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijkekans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen. Nu die aanmerkelijke kans niet kan worden aangenomen, kan evenmin worden bewezen dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 05/242161-25 primair ten laste gelegde poging doodslag.
Bewezenverklaring poging zware mishandelingDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvan is sprake indien de gedraging van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept en verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
Vast staat dat verdachte aangeefster onverwachts met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij mogelijk korte tijd geen adem kon halen. Uit de verklaringen van aangeefster en haar dochter volgt dat verdachte daarbij kracht heeft gebruikt. De dochter heeft gezien dat het hoofd van aangeefster door de opwaartse kracht naar achteren werd gedrukt en dat aangeefster grote ogen kreeg en geen lucht meer leek te krijgen.
De hals is een bijzonder kwetsbaar deel van het lichaam. In de hals bevinden zich vitale en kwetsbare structuren, waaronder de luchtweg, bloedvaten en kraakbeenstructuren. Het met beide handen krachtig dichtknijpen van iemands keel roept naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans in het leven dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat, zoals ernstig letsel aan de luchtweg, kraakbeenstructuren of andere halsweefsels. Anders dan voor poging doodslag is voor een bewezenverklaring van poging zware mishandeling niet vereist dat de kans op overlijden aanmerkelijk was; voldoende is dat de gedraging een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebracht. Juist die drempel is hier wél bereikt.
Dat oordeel vindt steun in het daadwerkelijk ontstane letsel. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster sprake was van een zwelling van de rechter aryepiglottische plooi en vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen. De deskundige heeft geconcludeerd dat deze bevindingen passen bij een samendrukkende kracht op de hals en waarschijnlijker zijn te verklaren door externe krachtsinwerking dan door een medische oorzaak of een val. Ook had aangeefster direct na het incident pijn in de hals, slikklachten en heesheid.
De rechtbank onderkent dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel als niet levensbedreigend en medisch gezien beperkt heeft gekwalificeerd. Dat staat echter niet aan een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling in de weg. Juist het onderscheid met de vrijspraak van poging doodslag ligt daarin besloten: het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan, maar wél voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte door het krachtig dichtknijpen van de hals willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster ernstig letsel aan dit kwetsbare lichaamsdeel zou oplopen. Dat het letsel uiteindelijk relatief beperkt is gebleven en zonder restschade zal genezen, maakt niet dat die kans op zwaar lichamelijk letsel ontbrak.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Parketnummer 08/277661-25
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 21 juli 2025, p. 5 t/m 7;
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het parketnummer 05/242161-25 subsidiair en onder parketnummer 08/277661-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05/242161-25 subsidiair
hij op of omstreeks13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel/hals, althans het lichaamheeft vastgepakt en/of(vervolgens)
de keel/hals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen/ dichtgedrukt en/of
die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 08/277661-25
hij op of omstreeks21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland,opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron),een of meerhandelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten
het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupé en/of
het naar beneden trekken van zijn onderkleding en/ofhet naar boven trekken van zijn bovenkleding en/of
het tonen en/of zichtbaar makenvan zijn penis en/of
het vastpakken van zijn penis.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05/242161-25 subsidiair
poging tot zware mishandeling;
Parketnummer 08/277661-25
opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid
verrichten.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van de strafbare feiten aan verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte te maken heeft met psychopathologie en dat rekening dient te worden gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen van maximaal de duur van het voorarrest.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een kwetsbare vrouw van 70 jaar. Hij heeft haar, nadat zij en haar volwassen dochter enige tijd achter hem aanliepen, op een openbare locatie bij de keel gegrepen en haar keel dichtgeknepen. Vervolgens heeft hij haar ten val gebracht. Het slachtoffer heeft hierdoor meerdere verwondingen opgelopen en is zeer geschrokken. In haar slachtofferverklaring heeft het slachtoffer duidelijk gemaakt dat het incident ernstige gevolgen voor haar heeft gehad. Naast de lichamelijke pijn ervaart zij nog steeds gevoelens van boosheid, woede en verdriet. Haar gevoel van veiligheid heeft een ernstige deuk opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit en de persoonlijke veiligheid van een oudere, kwetsbare vrouw op grove wijze aangetast. Bovendien had het voor het slachtoffer ernstiger kunnen aflopen.
De rechtbank betrekt bij de straftoemeting ook de omstandigheden waaronder het tot deze confrontatie is gekomen. Uit de verklaringen volgt dat aangeefster en haar dochter verdachte opmerkten nabij de woning van de dochter, hem aanspraken en hem verzochten daar weg te gaan, omdat hij daar volgens hen niet hoorde. Er werd een foto van hem gemaakt. Verdachte is daarop weggelopen. Het slachtoffer en haar dochter hebben verdachte vervolgens over een afstand van een paar honderd meter en op korte afstand gevolgd terwijl hij naar een bushalte liep en zij de politie belden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat verdachte deze situatie als belastend heeft ervaren, bestond op geen enkel moment een rechtvaardiging om een 70jarige vrouw bij de keel te grijpen, haar keel dicht te knijpen en haar ten val te brengen. Verdachte had zich aan de situatie moeten blijven onttrekken door dóór te lopen. Door desondanks voor fysiek geweld te kiezen, heeft hij de grenzen van het toelaatbare overschreden. Tegelijkertijd beschouwt de rechtbank de gang van zaken niet als een volstrekt onverwachte, eenzijdige aanval op een nietsvermoedende voorbijgangster, maar als een geleidelijk geëscaleerde confrontatie, waaraan ook het geruime tijd en op korte afstand achter verdachte aanlopen door het slachtoffer en haar dochter, heeft bijgedragen.
Verdachte heeft zich naast voornoemde poging tot zware mishandeling op een andere dag schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door een tiener en haar vrienden in het openbaar te confronteren met zijn ontblote geslachtsdeel. Het hoeft geen nader betoog dat het slachtoffer daarvan is geschrokken, met name omdat zij de ontbloting van verdachte niet aan zag komen. Het gedrag van verdachte wordt als hinderlijk, onfatsoenlijk, aanstootgevend en angstaanjagend beschouwd en is in strijd met de publieke moraal. Verdachte ziet zelf echter de ernst hiervan niet in.
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 30 maart 2026 blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt. Verdachte is in de periode van augustus 2025 tot en met februari 2026 meerdere keren veroordeeld voor vermogensdelicten en zwartrijden, echter niet voor soortgelijke delicten.
Pro Justitia rapport
Op 10 april 2026 heeft de psychiater een rapport over verdachte opgemaakt. De psychiater
schetst een beeld van een man die zijn gedrag kan berekenen, met sterke aanwijzingen voor een psychotisch toestandsbeeld ten tijde van het onder parketnummer 05/242161-25 tenlastegelegde, maar dat kon niet worden vastgesteld.
Bij verdachte is wel sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en verdovende middelen (cannabis, alcohol, pregabaline en cocaïne).
Deze stoornis was ook aanwezig tijdens het plegen van het onder 08/277661-25 tenlastegelegde , waardoor verdachte mogelijk verminderd in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen, het wederrechtelijke van zijn handelen in te zien of minder invloed had op zijn impulsen en handelen. De psychiater adviseert het onder parketnummer 08/277661-25 ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Reclasseringsadvies
Reclassering Nederland heeft op 1 juni 2026 een advies uitgebracht. Verdachte komt uit Tunesië en heeft in Nederland asiel aangevraagd. Voordat hij naar Nederland kwam, heeft hij in meerdere Europese landen gewoond en gewerkt. De autoriteiten hebben aangegeven dat verdachte’s asielaanvraag weinig kansrijk is. Aansluitend op een eventueel strafrechtelijk traject zal verdachte middels vreemdelingenbewaring worden aangemerkt voor gedwongen terugkeer naar Tunesië.
De reclassering adviseert daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een taakstraf of een financiële sanctie wordt als niet haalbaar gezien.
Strafoplegging
De rechtbank neemt de conclusies van de rapporterende psychiater over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal de voor de eerbaarheid aanstotelijke handelingen dan ook in verminderde mate aan verdachte toerekenen en daarmee bij de oplegging van de straf rekening houden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter - in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving - niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de rechtbank tot een andere grondslag ten aanzien van de bewezenverklaring komt, ziet de rechtbank reden om van de strafeis van de officier van justitie af te wijken en een kortere gevangenisstraf op te leggen.
Alle omstandigheden afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van
6 maanden met aftrek van de tijd, die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
Parketnummer 05/242161-25
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de poging tot zware mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 91,17 aan materiële schade en € 1.100,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Ter onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het lichamelijke letsel bestaat kort gezegd uit pijn en letsel aan de hals, keel en rechterzijde van de ribbenkast. Voor het letselonderzoek en het bezoek aan Slachtofferhulp Nederland heeft de benadeeld partij reis- en parkeerkosten gemaakt, die zij wenst te verhalen op verdachte.
De benadeelde partij heeft ten aanzien van de vaststelling van de immateriële schade verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:855, waarbij de benadeelde partij een smartengeldvergoeding ter hoogte van € 950,00 (geïndexeerd naar 2025: € 981,35) is toegewezen.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de gevorderde vergoeding van de materiële schade en het smartengeld niet betwist.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter vergoeding van de materiële schade ter hoogte van € 91,17 kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. De benadeelde heeft immers lichamelijk letsel opgelopen. Daarmee is een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie ziet op een andere context waarbij het ging om een willekeurige voorbijganger die uit het niets bij de keel werd gepakt. In de onderhavige zaak werd verdachte nadat hij werd opgemerkt nabij de woning van de dochter van aangeefster, gevraagd weg te gaan, heeft de dochter een foto van verdachte gemaakt, is tegen verdachte gezegd dat de politie zou worden gebeld en hebben aangeefster en haar dochter verdachte op korte afstand gevolgd toen hij weg liep van de woning. Gelet hierop zijn de zaken niet geheel vergelijkbaar. De rechtbank ziet hierin reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 550,00 vaststellen en de vordering voor het overige af te wijzen.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 13 september 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Parketnummer 08/277661-25
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het onder Parketnummer 08/277661-25 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 300,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Ter onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte sprake is van een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht, in dit geval de eerbiediging van de persoonlijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangemerkt. Dit vormt de grondslag voor de gevorderde schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3832, waarbij het hof ter zake van openbare schennis van de eerbaarheid smartengeld ter hoogte van € 300,00 heeft toegekend.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering niet betwist.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. Benadeelde is in haar persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. In de zaak van de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden toonde de verdachte niet alleen zijn penis, maar verrichte ook seksuele handelingen. De zaken zijn derhalve niet vergelijkbaar. Dat is voor de rechtbank reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 200,00 vaststellen en wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 21 juli 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 45, 36f, 57, 63, 254b en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair onder parketnummer 05/242161-25 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
t.a.v. de vordering van benadeelde partij [aangever 1] (parketnummer 05/242161-25):
veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 91,17 aan materiële schadeen€ 550,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 91,17 aan materiële schade en € 550,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 6 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (parketnummer 08/277661-25):
veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 200,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 200,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 2 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno, voorzitter, mr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.
Mr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025443729, gesloten op 15 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 13 september 2025, p. 8 en 9.
Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangever 1] d.d. 14 september 2025, p. 14.
Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige] d.d. 13 september 2025, p. 17 en 18.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 juni 2026 en
Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 14 september 2025, p. 48.
Forensisch-medische letselbeschrijving LOEF d.d. 13 oktober 2025.
Forensisch-medische letselrapportage LOEF d.d. 21 januari 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025347885, gesloten op
13 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.