ECLI:NL:RBGEL:2026:5307
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/467845 / KG RK 26/477
Beslissing
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
De Gereformeerde Gemeente Tricht-Geldermalsen, gevestigd te Tricht-Geldermalsen;
De Classis Utrecht der Gereformeerde Gemeenten;
De Particuliere Synode Noord West der Gereformeerde Gemeenten;
Het Kerkgenootschap Gereformeerde Gemeenten
verzoekers
(gemachtigde: mr. M.J.W. Hoek)
en
mr. D. Vergunst,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit de brief van de gemachtigde van verzoekers van 29 mei 2026, waarin het wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 25 juni 2026.
1.2..
Bij de mondelinge behandeling op 25 juni 2026 zijn verschenen: [A],
[B], de gemachtigde van verzoekers en de rechter.
2. Het wrakingsverzoek
2.1..
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met zaaknummer ARN 26/166 betreffende het civielrechtelijk kort geding tussen verzoekers en [C],
[D], [E], [F], [G], [H], [I] en [J] (hierna: eisers in kort geding). De gronden die verzoekers aan hun verzoek tot wraking ten grondslag hebben gelegd zullen hierna (onder 3.2 tot en met 3.2.3) afzonderlijk besproken worden.
2.2.. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft tijdens de mondelinge behandeling op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna (onder 3.3) voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
3.1.. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.. Verzoekers voeren – samengevat – het volgende aan.
3.2.1.. De rechter is belijdend en actief lid van de Gereformeerde Gemeenten. Dit is relevant, omdat dit kerkgenootschap als gedaagde zelf partij is in de hoofdzaak, althans omdat het gedaagde kerkelijk orgaan binnen diezelfde kerkelijke organisatie functioneert. De hoofdzaak raakt inhoudelijk direct aan de interne rechtsorde van die kerk. Daardoor bestaat de objectieve indruk dat de rechter niet in voldoende afstand staat van de institutionele context waarover hij moet oordelen.
3.2.2.. De rechter heeft zich eerder buitengewoon kritisch in diverse publicaties, in een interview en in e-mails uitgelaten over de interne kerkelijke rechtspraak in het algemeen en die van verzoekers in het bijzonder. Op zich mag een rechter algemene juridische of maatschappelijke opvattingen hebben. Maar het wordt anders wanneer de rechter zich eerder concreet heeft uitgelaten over dezelfde interne kerkelijke rechtspraak, hetzelfde type geschil, het functioneren van hetzelfde kerkelijke orgaan, namelijk in dit geval de Particuliere Synode Noord West en de Generale Synode. Hierdoor kan de rechter, naar het oordeel van verzoekers, niet meer als onbevooroordeeld buitenstaander zich een oordeel vormen als rechter. Er is niet zozeer gebleken van daadwerkelijke partijdigheid, maar wel van de objectieve schijn van vooringenomenheid.
3.2.3.. Deze afzonderlijke omstandigheden moeten in onderlinge samenhang worden bezien, aldus de verzoekers. De vrees voor partijdigheid vloeit niet enkel voort uit het kerkelijk lidmaatschap en evenmin uitsluitend uit de eerder genoemde uitlatingen. Juist de combinatie maakt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade kan lijden: de rechter is verbonden aan de kerkelijke organisatie die partij is in de procedure; de rechter heeft zich eerder negatief uitgelaten over het functioneren van de interne kerkelijke rechtspraak van die organisatie; het kort geding gaat over de aantasting van een uitspraak van een kerkelijk orgaan binnen diezelfde interne rechtsorde; de rechter moet dus oordelen over een onderwerp waarover hij eerder buiten rechte een duidelijke positie heeft ingenomen.
3.3.. De rechter geeft – samengevat – aan dat er geen sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Hij is geen lid van de gereformeerde gemeente van verzoekers en weet niets van het conflict binnen deze gereformeerde gemeente. Hij heeft geen bezwaar tegen de kerkelijke rechtspraak. Hij heeft wel zorgen over hoe deze af en toe vorm wordt gegeven. Daar heeft hij zich over uitgelaten.3.4.. Eisers in kort geding hebben op 22 juni 2026 een verzoek tot het toelaten van hun schriftelijk standpunt per e-mail naar de wrakingskamer gestuurd. Omdat eisers in kort geding geen partij zijn in het wrakingsverzoek van verzoekers, kunnen zij ook niet reageren op de standpunten van verzoekers en de rechter. De wrakingskamer laat daarom het schriftelijk standpunt van eisers in kort geding buiten beschouwing.
3.5.. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er sprake van een situatie waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectieve schijn van) partijdigheid. Hierna zal de wrakingskamer uitleggen waarom zij dat vindt.
3.5.1.. Uit de gronden die verzoekers aan het wrakingsverzoek ten grondslag hebben gelegd blijkt dat er allerlei lijnen door elkaar lopen in deze zaak. De wrakingskamer wijst op het lidmaatschap van de rechter van een Gereformeerde Gemeente, de overgelegde publicaties van onder meer het interview met de rechter in het Nederlands Dagblad, de brieven die de rechter samen met [K] naar verzoekers heeft gestuurd en de mailwisselingen van [K] met de gemachtigde van verzoekers, waarin de rechter ook met zijn privémailadres is betrokken en vanuit zijn privémailadres op 1 juni 2026 daarop reageert met ‘Oef’, het feit dat er telefonisch contact met de rechter is geweest naar aanleiding van de zaakstoedeling, de reactie van de rechter tijdens de mondelinge behandeling en het verloop van deze mondelinge behandeling. Uit de samenhang van al deze lijnen blijkt, naar het oordeel van de wrakingskamer, van een uitgebreide verwevenheid van het civielrechtelijk kort geding tussen verzoekers en eisers in kort geding enerzijds en de positie van de rechter die over dit kort geding moet oordelen anderzijds. De rechter heeft in genoemde publicaties, brieven en e-mails zijn persoonlijke opvattingen gegeven over (het functioneren van) de interne kerkelijke rechtspraak; een onderwerp dat hem duidelijk nauw aan het hart ligt. Uit het geheel blijkt, naar het oordeel van de wrakingskamer, van een te grote persoonlijke betrokkenheid van de rechter bij het civielrechtelijk kort geding waarover hij zich als rechter een oordeel moet vormen.
3.5.2.. Gelet op het voorgaande begrijpt de wrakingskamer dat bij verzoekers de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid van de rechter is gewekt.
3.5.. Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden toegewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking toe.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.M. Verhoeven (voorzitter),
mr. I.D. Jacobs en mr. L.M. Vogel (leden) in tegenwoordigheid van de griffier
mr. H. Peters en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
de griffier
de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Dat is bepaald in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.