ECLI:NL:RBLIM:2026:5820
Samenvatting
Civiel recht; Arbeidsrecht
Uitspraak
Roermond
RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12191805 \ CV EXPL 26-1957
Vonnis in kort geding van 17 juni 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. E.G.W. Hendriks,
tegen
DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID [werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de conclusie van antwoord
het e-mailbericht van 1 juni 2026 van mr. Hendriks met nadere producties - de mondelinge behandeling van 2 juni 2026 - de pleitnota van de gemachtigde van [werknemer] .
2. De feiten
2.1..
[werknemer] is met ingang van 23 september 2024 bij [werkgever] in dienst getreden voor de duur van twaalf maanden. De laatste arbeidsovereenkomst is aangegaan met ingang van 23 september 2025 voor de duur van twaalf maanden. [werknemer] vervult de functie van beroepsmatige verkeersregelaar voor minimaal 24 uur per week, tegen een uurloon van € 15,00 bruto, vermeerderd met 8% vakantiegeld (productie 1 van [werknemer] ).
2.2..
[werknemer] heeft zich op 18 december 2025 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Op 19 december 2025 heeft er een fysiek gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en [werkgever] . Op 31 december 2025 en 2 januari 2026 heeft er een telefonisch gesprek tussen partijen plaatsgevonden.
2.3.. Op 2 januari 2026 heeft [werknemer] zich voor de tweede keer ziekgemeld.
2.4..
Op 6 januari 2026 is [werknemer] op het spreekuur bij [bedrijfsarts 1] geweest (productie 6 van [werknemer] ). De bedrijfsarts adviseert onder meer als volgt:
“Betrokkene is tijdelijk is uitgevallen voor haar eigen werkzaamheden.
Geadviseerd wordt over twee weken een koffiemoment in te plannen met de werkgever.
Hierna wordt geadviseerd om invulling en structuur te geven aan de week d.m.v. laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk. Start dan met 3 dagdelen van maximaal 4 uur
in werk zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.”
2.5.. Op 9 januari 2026 heeft [werknemer] een second opinion aangevraagd.
2.6..
Op 20 januari 2026 heeft er een koffiemoment tussen partijen plaatsgevonden.
Op 26 januari 2026 heeft er een aansluitend telefonisch overleg plaatsgevonden tussen partijen.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft [werkgever] op 26 januari 2026 een e-mailbericht gestuurd aan [werknemer] , waarin zij schrijft dat partijen gezamenlijk hebben besloten om het advies van de bedrijfsarts iets te wijzigen en hier een eigen invulling aan te geven; “Wij hebben gezamenlijk besloten om te starten met kortere diensten van maximaal 5 uur per week, waarbij jij omstreeks de 12 uur, gelijk aan het advies van de arboarts zal gaan werken in jouw eigen functie als beroepsmatig verkeersregelaar.” (productie 8 van [werknemer] ).
2.7..
[werknemer] heeft naar aanleiding van voornoemd e-mailbericht van [werkgever] per e-mailbericht van 26 januari 2026 als volgt gereageerd:
“Hallo, dit klopt. Hopelijk gaat het me lukken. En ga ik niet alsnog te snel. Maar ik ga me best doen.” (productie 8 van [werknemer] ).
2.8.. De heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst, heeft bij e-mailbericht van 26 januari 2026 onder meer geschreven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer aangeeft hiermee akkoord te gaan (productie 5 van [werkgever] ).
2.9..
Bij e-mailbericht van 28 januari 2026 heeft [werknemer] zich opnieuw ziekgemeld. [werknemer] geeft hierin onder meer het volgende aan:
“Ik ben vandaag weer bij de huisarts geweest. (..) Ik zit op moment thuis. Met burn-out en depressie. Hierdoor kan ik toch niet starten volgende week met werken. Dit omdat mijn gezondheid me voorgaat. Verder om de stress te verminderen wens ik ook dat het contact verder verloopt via de mail.
Dit omdat ik veel te makkelijk beinvloedbaar ben en me daardoor veel te makkelijk laat ompraten en toch weer de druk voel om ja te zeggen en daar wil ik vanaf. (..)”
(productie 9 van [werknemer] ).
2.10..
Bij e-mailbericht van 29 januari 2026 heeft [werkgever] aangegeven het salaris met ingang van die week tijdelijk stop te zetten (productie 9 van [werknemer] ).
Dit is nogmaals bevestigd bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026. In de brief staat onder meer het volgende opgenomen:
“ (..) U heeft zelf aangegeven graag naar buiten te willen. Uw werkgever heeft hier in mee gedacht en met akkoord van de bedrijfsarts zou u kunnen starten met buitenwerk.
Evenwel heeft u nu aangegeven pas vanaf media maart te willen starten met deze vervangende werkzaamheden, omdat u eerst uw (nieuwe) honden zou willen trainen. U weigert daarmee überhaupt werkzaamheden uit te voeren. (..).
Door zonder deugdelijke grond na te laten de u aangeboden passende werkzaamheden te verrichten, belemmert en vertraagt u uw re-integratie.
De werkgever ziet zich dan ook genoodzaakt (..) met onmiddellijke ingang de doorbetaling van het loon te stoppen tot het moment waarop u aan al uw re-integratieverplichtingen voldoet. Alvorens uw werkgever daartoe overgaat, ontvangt u een waarschuwing.
(..). Ik verzoek en voor zover nodig sommeer ik u om u op 2 februari 2026 om 07.30 uur te melden conform de planning voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. (..).(productie 10 van [werknemer] ).
2.11.. Bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 2 februari 2026 is aan [werknemer] de loonbetalingen per direct stopgezet (productie 6 van [werkgever] ).
2.12..
[werknemer] heeft op 12 februari 2026 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of zij aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan (productie 8 van [werkgever] ).
2.13.. Bij brief van 14 februari 2026 heeft de gemachtigde van [werknemer] gereageerd op de brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026 (productie 11 van [werknemer] ).
2.14..
Op 6 maart 2026 is [werknemer] door [bedrijfsarts 2] beoordeeld in het kader van de door [werknemer] aangevraagde second opinion. De second opinion arts schrijft onder meer het volgende:
“Ik ben het eens met het advies d.d. 6-1-2026 van de POB’er/Bedrijfsarts (..).
Op grond van hetgeen mevrouw mij vertelt bood de werkgever haar vervolgens haar eigen (niet passende) werk aan. Logischerwijs is zij daarin niet hervat.” (productie 12 van [werknemer] ).
2.15.. Het UWV heeft op 25 maart 2026 een deskundigenrapport uitgebracht. De conclusie van de deskundige luidt: “De client is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid. Zie de beschouwing” (productie 13 van [werknemer] ).
2.16..
Op 13 mei 2026 is [werknemer] op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] geweest.
De bedrijfsarts schrijft onder meer het volgende:
“Beperkingen: Er is geen verandering opgetreden in de reeds eerder beschreven beperkingen.
Mogelijkheden in eigen werkzaamheden/Mogelijkheden in vervangende werkzaamheden: ik vraag medische informatie op bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen. Verder re-integratieadvies zal hierna vorm gegeven worden.”
2.17..
[werkgever] heeft een onderzoeksbureau (bedrijfsrecherche) ingeschakeld, omdat zij vermoedens had dat [werknemer] elders werkzaamheden verrichte.
[werknemer] is op 20 mei, 21 mei en 26 mei 2026 door het onderzoeksbureau geobserveerd. Het verslag van het onderzoeksbureau van 27 mei 2026 is als productie 10 door [werkgever] overgelegd.
3. Het geschil
3.1..
[werknemer] vordert - samengevat - de veroordeling van [werkgever] tot betaling van:
1. het achterstallige salaris over de maanden februari en maart 2026 (de kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [werknemer] dat waar in het petitum onder 1 is opgenomen
‘de maanden en februari 2026’ hiermee de maanden februari en maart 2026 wordt bedoeld) ad € 4.844,66 bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, te voldoen binnen twee dagen na 17 juni 2026, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,
2. het maandelijkse loon ad € 2.422,33 bruto vanaf april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,
3. het loon over de maand september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot een bruto maandloon van € 2.422,33 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,
4. de kosten van het deskundigenoordeel van het UWV ad € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,
5. de kosten van de procedure.
3.2..
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisende belang ten aanzien van de vorderingen in de aard van die vorderingen ligt besloten. De gestelde spoedeisendheid van deze vordering is door [werknemer] bovendien voldoende aannemelijk gemaakt en door [werkgever] niet weersproken. [werknemer] is daarom ontvankelijk in haar vordering.
Uitgangspunt inhoudelijke beoordeling in kort geding
4.2..
Bij de beoordeling van de vordering van [werknemer] neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat deze vorderingen alleen toewijsbaar zijn in het geval zij voldoende aannemelijk maakt dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.
Als uitgangspunt geldt hiernaast dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Loonstop
4.3..
Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW is een werkgever gehouden om bij ziekte van een werknemer het loon door te betalen, tenzij zich een van de in lid 3 genoemde uitzonde-ringsgronden voordoet. Volgens [werkgever] is hier sprake van. Op het moment van de loonstop was er sprake van weigering van passende arbeid c.q. onvoldoende medewerking aan re-integratie in de zin van artikel 7:629 lid 3 BW (sub c), aldus [werkgever] .
De kern van het geschil tussen partijen is dan ook de vraag of door [werkgever] terecht een loonstop is opgelegd vanaf februari 2026. De kantonrechter zal, gezien de stellingen van partijen over en weer, de loonstop hierna over een aantal periodes verdelen en beoordelen.
Periode 2 februari 2026 (aanvang loonstop) tot 6 maart 2026
4.4..
[werkgever] erkent dat [werknemer] zich op 28 januari 2026 (weer) ziek heeft gemeld. [werkgever] voert aan dat deze ziekmelding op gespannen voet staat met de kort daarvoor tussen partijen gemaakte afspraken over gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden. Omdat [werknemer] zich niet aan de afspraak hield heeft ze op 2 februari 2026 de doorbetaling van het loon gestopt.
4.5..
Uit het verslag van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 volgt dat aan [werknemer] laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk wordt geadviseerd van drie dagdelen van maximaal 4 uur per dag zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.
Volgens [werkgever] hebben partijen hiervan afgeweken en hebben zij op 26 januari 2026 gezamenlijk besloten dat [werknemer] weer zal gaan werken in haar eigen functie als verkeersregelaar. Dat dit was toegestaan blijkt volgens [werkgever] uit de bevestiging in het e-mailbericht van 26 januari 2026 van de heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst.
[werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zelf had aangegeven dat zij weer buitenwerkzaamheden (lees; haar eigen werkzaamheden) wilde gaan doen, maar volgens [werknemer] is dat niet juist. Volgens [werknemer] had [werkgever] op haar vraag of er aangepast werk aanwezig was, ontkennend geantwoord. Ze was vervolgens niet in staat om goed voor haarzelf op te komen en is daarom akkoord gegaan met werken in haar eigen functie.
4.6..
De kantonrechter is van oordeel dat, nu [werknemer] zich op 28 januari 2026 opnieuw ziek had gemeld, het op de weg van [werkgever] had gelegen om ook opnieuw de bedrijfsarts in te schakelen.
Hierbij kan in het midden blijven wat partijen wel of niet met elkaar hadden afgesproken op 20 januari 2026 en 26 januari 2026 naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026.
Uit de ziekmelding van 28 januari 2026 had [werkgever] kunnen afleiden dat [werknemer] zich op het standpunt stelde dat zij zich ( [werknemer] spreekt over een burn-out en depressie) niet aan de gemaakte afspraken kon houden. Het is niet aan de werkgever om te beoordelen of dit juist is. Bovendien ziet het e-mailbericht van de heer [casemanager] van 26 januari 2026 niet op een medische beoordeling over de mogelijkheid tot het verrichten van de eigen werkzaamheden door [werknemer] , maar wordt uitsluitend aangegeven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer hiermee akkoord gaat.
4.7..
[werkgever] stelt verder dat zij aan [werknemer] (al dan niet op een later moment) ook vervangende arbeidstherapeutische werkzaamheden heeft aangeboden, doch dat [werknemer] daar geen gebruik van heeft gemaakt, waardoor [werknemer] zich heeft onttrokken van haar re-integratieverplichtingen. Dit standpunt kan eveneens niet slagen.
Uit de overgelegde correspondentie (productie 11 van [werknemer] ) volgt slechts een algemeen aanbod om deze werkzaamheden te komen verrichten, zonder nadere toelichting wat deze werkzaamheden concreet inhouden en hoe het opbouwschema er in dat geval uit zou zien, een en ander conform het advies van de bedrijfsarts. Een algemeen aanbod van [werkgever] is in ieder geval onvoldoende. Het is aan de werkgever om deze werkzaamheden aan de werknemer concreet aan te bieden.
Bovendien heeft [werknemer] in haar e-mailbericht van 28 januari 2026 aangegeven dat zij niet kon starten met werken, waaruit [werkgever] had kunnen afleiden dat zij ook geen vervangende werkzaamheden kon verrichten.
4.8.. Nu [werknemer] eerst op 6 maart 2026 (in het kader van een second opinion) door een bedrijfsarts is gezien, is de loonstop onterecht opgelegd en dient het salaris over deze periode door [werkgever] te worden doorbetaald.
4.9.. Daarnaast geldt voor deze periode eveneens de beoordeling in overwegingen 4.10 en verder, met betrekking tot het deskundigenoordeel.
Periode 6 maart 2026 tot 25 maart 2026
4.10.. De bedrijfsarts heeft op 6 maart 2026 in het kader van de second opinion geoordeeld dat hij zich aansluit bij het eerdere advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 en dat het logisch is dat [werknemer] niet haar eigen werkzaamheden heeft hervat. Vervolgens heeft het UWV een deskundigenrapport opgemaakt op 25 maart 2026. Het UWV komt tot de conclusie dat [werknemer] per geschildatum, dat wil zeggen met ingang van de in de vraagstelling opgenomen periode vanaf 18 december 2025 tot aan de datum van het deskundigenrapport op 25 maart 2026, niet geschikt te achten is voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.
4.11..
[werkgever] stelt zich op het standpunt dat het rapport van het UWV is gebaseerd op een door [werknemer] onjuist geschetste feitencomplex met betrekking tot de gemaakte re-integratieafspraken, haar instemming met een gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden en de uitkomsten over de second opinion.
De kantonrechter volgt [werkgever] hierin niet. In de sociaal-medische beoordeling van [werknemer] heeft de deskundige onder meer het volgende verklaard:
“Op het moment is de situatie als volgt.
Op basis van de gegevens uit de anamnese, dagverhaal, onderzoek psyche, observatie tijdens spreekuur en de beschikbare dossiergegevens is het consistent en plausibel dat cliënt momenteel lijdt aan een ernstige psychische stoornis (..).
In het kader van de aanvraag deskundigenoordeel het volgende: cliënt kan, in deze toestand, echt niet werken. De vraagstelling van werknemer was dat of zij genoeg heeft gedaan om weer aan het werk te gaan. Wat mij betreft is het antwoord ‘ja’. Bovenstaande zal worden overlegd met de bedrijfsarts waarna het definitieve oordeel volgt. Wat betreft de concrete vraagstelling van de arbeidsdeskundige kan ik kort zijn. Er is sprake van geen benutbare mogelijkheden (..)
Conclusie
De cliënt is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.”.
4.12..
Voor zover [werkgever] zich op het standpunt stelt dat de deskundige bij zijn onderzoek geen informatie bij haar heeft opgehaald, geldt dat de focus op de medische situatie van de werknemer ligt en de werkgever geen medische partij is.
De deskundige heeft in dit geval de belastbaarheid beoordeeld op basis van eigen onderzoek en daarnaast op basis van de verkregen gegevens van de second opinion arts. De deskundige heeft getracht informatie op te halen van de primaire [bedrijfsarts 2] , maar uit het rapport blijkt dat dit niet is gelukt.
De kantonrechter ziet, in het kader van dit kort geding, geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van het deskundigenoordeel van het UWV.
4.13.. Het voorgaande betekent dat [werknemer] een geldige reden had om niet mee te werken aan haar re-integratie, haar geen concrete passende arbeid is aangeboden en in het geval hier wel sprake van is geweest, er sprake is geweest van een deugdelijke grond om deze te weigeren. Dat betekent dat de loonstop over deze periode onterecht is opgelegd en het salaris door [werkgever] alsnog dient te worden betaald.
Periode vanaf 25 maart 2026
4.14..
[werknemer] is op 13 mei 2026 gezien op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] . De bedrijfsarts heeft aangegeven dat er geen verandering is opgetreden in de al eerder beschreven beperkingen. Ten aanzien van de mogelijkheden in eigen werkzaamheden danwel vervangende werkzaamheden heeft de bedrijfsarts aangegeven medische informatie op te vragen bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen en dat verdere re-integratie-advies hierna vorm zal worden gegeven.
Dat betekent dat, nu de bedrijfsarts op 13 mei 2026 geen uitspraak heeft kunnen doen over het hervatten van de eigen danwel vervangende werkzaamheden, de bevindingen uit het deskundigenrapport het uitgangspunt blijft totdat [werknemer] opnieuw bij het spreekuur van de bedrijfsarts is geweest.
4.15..
[werkgever] stelt zich op het standpunt dat uit het rechercheonderzoek van Recherche Bureau Zuid volgt dat [werknemer] tijdens haar ziekteverzuim in mei 2026 feitelijk werkzaamheden heeft verricht bij een autopoetsbedrijf. Volgens [werkgever] komt dit niet overeen met het standpunt van [werknemer] dat zij volledig arbeidsonge-geschikt is en geen enkele re-integratie kan verrichten.
[werknemer] heeft tijdens de zitting op vraag van de kantonrechter waarom zij deze werkzaamheden heeft verricht en waarom zij dit niet vooraf bij [werkgever] had gemeld, geantwoord dat zij niet wist dat het een verplichting was om dit aan haar werkgever te melden en dat haar door de bedrijfsarts was geadviseerd om zich niet in huis op te sluiten.
Volgen [werknemer] had een kennis van haar moeder haar aangeboden om als afleiding te komen helpen bij de autowasserette. Dat heeft zij drie keer gedurende een aantal uren gedaan. [werknemer] heeft hier geen salaris voor ontvangen. Dit alles is niet door [werkgever] betwist.
De kantonrechter is van oordeel dat het verstandiger was geweest als [werknemer] eerst toestemming aan [werkgever] had gevraagd, maar dat onder de geschetste omstandigheden niet blijkt dat [werknemer] nevenwerkzaamheden tijdens ziekte heeft verricht, die zodanig zijn geweest dat deze een loonstop rechtvaardigen.
Conclusie
4.16.. Op grond van de voorgaande overwegingen is de conclusie gerechtvaardigd dat de loonstop onterecht is opgelegd en het salaris vanaf de loonstop moet worden betaald.
Hoogte van het brutosalaris
4.17.. Partijen verschillen verder van mening over de hoogte van het bruto maandsalaris van [werknemer] . [werknemer] beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Volgens [werknemer] is er sprake van een hogere arbeidsomvang per maand dan het in de arbeidsovereenkomst vastgestelde minimum van 24 uur (104 uur per maand), uitgaande van de gewerkte uren in de drie maanden (september, oktober en november 2025) voorafgaande aan haar ziekmelding op 18 december 2025. Daarom heeft zij vanaf september 2025 recht op een brutosalaris van € 2.422,33 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en emolumenten, aldus [werknemer] .
4.18.. Volgens [werkgever] vormen de maanden september tot en met november 2025 geen representatieve afspiegeling van de gemiddelde arbeidsomvang, omdat dit de piekperiodes betreft binnen haar bedrijfsvoering. [werkgever] heeft een urenoverzicht van de door [werknemer] gewerkte uren in 2024 en 2025 en een uitdraai van het maandelijks planningsysteem overgelegd, waaruit dit volgens haar blijkt (productie 15 en 16).
4.19..
De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] het vermoeden, dat de gemiddelde arbeidsomvang die na berekening, uitgaande van een salaris van € 2.422,33 bruto per maand, 161,49 uren per maand zou bedragen, heeft weerlegd. Uit de met stukken onderbouwde stellingen van [werkgever] volgt voldoende dat de arbeid zich in pieken en dalen aandient en dat de periode van drie maanden voorafgaande aan de ziekmelding daarom geen representatieve arbeidsperiode is voor de berekening van de gemiddelde arbeidsomvang per maand.
In het overzicht van [werkgever] is te zien dat de maanden oktober en november in 2024 en in 2025 (maar ook maart en april 2025) veel meer uren is gewerkt dan in de overige maanden van het jaar. Dit is niet weersproken door [werknemer] .
4.20..
[werkgever] stelt verder dat, als de piekmaanden november en december buiten beschouwing worden gelaten, berekend over het jaar 2025 er sprake is van een gemiddelde arbeidsomvang van 104 uren per maand.
De kantonrechter is van oordeel dat dit standpunt niet kan slagen.
Uitgaande van een representatieve arbeidsperiode die ziet op het gehele jaar 2025 dienen alle gewerkte maanden in de berekening te worden meegenomen, met uitzondering van de maand december 2025, omdat [werknemer] vanaf 18 december 2025 wegens ziekte niet heeft kunnen werken. Dat betekent dat, uitgaande van het totaal aantal feitelijk gewerkte uren over de periode januari tot en met november 2025, zijnde 1.333,25, de gemiddelde arbeidsomvang 121,20 uren per maand bedraagt. Het daarbij behorende salaris per maand bedraagt € 1.818,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Van dit bedrag zal dan ook worden uitgegaan.
Salaris vanaf februari 2026
4.21.. Nu [werkgever] vanaf februari 2026 geen salaris meer aan [werknemer] heeft betaald, wordt zij veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [werknemer] het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot aan de datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.
4.22..
Het salaris vanaf 17 juni 2026 wordt afgewezen, omdat dit niet door [werknemer] is onderbouwd. Het spoedeisend belang hiervan is eveneens niet gebleken.
Bovendien is onduidelijk of het loon vanaf heden ook daadwerkelijk verschuldigd wordt.
4.23.. De kantonrechter ziet redenen om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen naar 25%. [werkgever] is er vanwege de geschetste omstandigheden vanuit gegaan dat zij niet gehouden was om het loon te betalen en dat zij op terechte gronden een loonstop had opgelegd. Er is geen sprake van een situatie waarbij de werkgever over de gehele periode het loon tegen beter weten in niet aan de werknemer heeft betaald. Dit is een omstandigheid die matiging rechtvaardigt.
Aanvulling salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026
4.24..
[werknemer] stelt zich op het standpunt dat [werkgever] gehouden is het loon over september 2025, december 2025 en januari 2026 te corrigeren tot een bedrag van € 2.422,33. Nu eerder is vastgesteld dat uitgegaan moet worden van een salaris van
€ 1.818,00 bruto per maand, zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maanden september 2025 en januari 2026 worden toegewezen tot een bedrag van € 1.818,00 bruto per maand.
4.25..
Ten aanzien van de maand december 2025 heeft [werkgever] zich onweersproken op het standpunt gesteld dat op grond van de arbeidsovereenkomst bij ziekte twee wachtdagen wordt aangehouden.
De kantonrechter zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maand december 2025 dan ook toewijzen, zoals in de beslissing vermeld.
4.26..
De wettelijke rente wordt toegewezen over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.
De wettelijke verhoging wordt in dit geval eveneens gematigd tot 25%.
Afgifte salarisspecificaties en dwangsom
4.27.. De gevorderde afgifte van de salarisspecificaties is toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. [werknemer] heeft niet onderbouwd op grond waarvan zij deze vordert. Bovendien heeft zij de stelling van [werkgever] , dat zij vrijwillig aan een veroordeling tot het verstrekken van salarisspecificaties zal voldoen, niet weersproken.
Kosten deskundigenoordeel
4.28..
[werknemer] stelt dat zij € 100,00 aan kosten heeft moeten maken voor het aanvragen van een deskundigenoordeel. [werkgever] betwist de gevorderde kosten verschuldigd te zijn. Het feit dat een deskundigenoordeel in kort geding niet verplicht is betekent niet dat een deskundigenoordeel niet van belang kan zijn voor de beoordeling in kort geding, zoals ook nu is gebleken. [werknemer] heeft het deskundigenoordeel aangevraagd omdat [werkgever] over was gegaan tot een salarisstop. Nu de kantonrechter, in het kader van dit kort geding heeft geoordeeld dat de loonstop onterecht is geweest, dient [werkgever] de kosten van het deskundigenoordeel te vergoeden.
De vordering is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.
Proceskosten
4.29..
[werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.4.30.. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.102,00
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] binnen twee dagen na betekening van het vonnis het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot 17 juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,
5.2.. veroordeelt [werkgever] om het salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot € 1.818,00 bruto per maand, waarbij over de maand december 2025 over de eerste twee ziektedagen geen loon verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,
5.3.. veroordeelt [werkgever] tot afgifte van de op overweging 5.1. en 5.2. van toepassing zijnde salarisspecificaties,
5.4.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 100,00 aan kosten deskundigenoordeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op
17 juni 2026.