Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:5843

Rechtbank

Maastricht

Datum

18 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Maastricht

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKLIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12245721 \ CV EXPL 26-2921

Vonnis in kort geding van 18 juni 2026

in de zaak van

[verhuurder] h.o.d.n. [bedrijf],

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [verhuurder] ,

gemachtigde: mr. D.L. Hendrikx,

tegen

[huurder],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [huurder] ,

gemachtigde: mr. M. Raaijmakers.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 7

  • de aanvullende producties 8 en 9 van [verhuurder]

  • het verplaatsingsverzoek van [huurder]

  • de reactie van [verhuurder]

  • het bericht namens de kantonrechter aan partijen

  • de conclusie van antwoord

  • de pleitnota van [verhuurder] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[verhuurder] verhuurt aan [huurder] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning) met ingang van 19 januari 2026. De kale huurprijs bedraagt € 725,00 per maand en het maandelijkse voorschot energie bedraagt € 150,00. Het totale maandelijkse bedrag van € 875,00 dient bij vooruitbetaling aan [verhuurder] voldaan te worden.

2.2.. Partijen zijn een borgsom overeengekomen van € 820,00.

2.3..
[huurder] is twee jaar geleden vanuit Georgië naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging met haar vrouwelijke partner. [huurder] woont in de woning met haar minderjarig kind. Haar partner woont in een studio in [plaats 3].

2.4.. Ondanks meerdere aanmaningen heeft [huurder] de huurpenningen vanaf aanvang van de huurovereenkomst en de borgsom niet betaald aan [verhuurder] .

3. Het geschil

3.1..

[verhuurder] vordert – samengevat - om [huurder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot:

I. ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,

II. betaling van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de huurpenningen vanaf juni 2026 tot aan de dag van ontruiming,

III. betaling van € 820,00 aan overeengekomen borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente,

IV. betaling van de proceskosten, alsmede de nakosten.

3.2..
[verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft sinds aanvang van de huurovereenkomst geen enkele huurtermijn betaald. Ten aanzien van de borgsom zijn partijen overeengekomen dat [huurder] het verschuldigde bedrag in drie gelijke delen van € 273,33 per maand zou voldoen vanaf januari 2026. Enige betaling is uitgebleven. [huurder] is dan ook structureel tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Op grond van artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 7:231 BW is ontbinding van de huurovereenkomst, indien het geschil zou worden voorgelegd aan de bodemrechter, gerechtvaardigd.

3.3..
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot ongegrondverklaring van de verzoeken van [verhuurder] , althans deze aan hem te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure.

3.4..

[huurder] voert het volgende aan. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. [huurder] had onvoldoende inkomen – slechts € 250,00 per maand uit verhuur van een appartement in Georgië – om de huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] had geen verblijfsstatus en kon daarom niet werken. De verblijfsstatus is sinds

1 juni 2026 toegewezen en [huurder] zal fulltime gaan werken. Met het te ontvangen loon kan zij de lopende huur betalen. [huurder] stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming de ontruiming met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij een ontruiming zullen [huurder] en haar minderjarig kind dakloos worden en zeer waarschijnlijk uitgezet worden naar het land van herkomst. Er is dan ook sprake van een noodtoestand. [huurder] doet een beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Ten slotte verzoekt [huurder] om een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat [verhuurder] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

Betalingsachterstand en ontruiming

4.2.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.

4.3..
[huurder] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Daarmee staat de bij dagvaarding gestelde huurachterstand van vijf maanden vast. Het gevorderde bedrag van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026 wordt toegewezen.

4.4.. De vraag is of deze huurachterstand kan leiden tot ontruiming van de woning. De maatstaf is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst wegens deze tekortkoming op grond van artikel 6:265 BW zal ontbinden. Op grond van voornoemd artikel geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.5.. Op het moment van de mondelinge behandeling was sprake van zes maanden huurachterstand. Een bestaande betalingsonmacht komt voor rekening en risico van [huurder] . [huurder] wist bij het sluiten van de huurovereenkomst dat zij over onvoldoende inkomsten beschikte om de maandelijkse huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] voert aan dat zij dacht dat zij de huurpenningen in termijnen kon betalen en dat zij daarmee meende juist te handelen. Zoals de gemachtigde van [huurder] ook zelf ter mondelinge behandeling heeft erkend, ligt het logischerwijs niet voor de hand om maandelijkse huurpenningen in termijnen te betalen. Op die manier zou de huurachterstand alsmaar blijven oplopen.

4.6.. De kantonrechter stelt voorop dat een huurachterstand van drie maanden of meer in de regel van voldoende gewicht wordt gevonden om tot ontbinding van de huurovereenkomst, en vooruitlopend daarop in kort geding, de ontruiming van het gehuurde uit te spreken. Het beroep van [huurder] op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW slaagt niet. [huurder] heeft naar het oordeel van de kantonrechter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de ontbinding (en dus de ontruiming in kort geding) niet gerechtvaardigd is. De gevolgen van een ontruiming zijn altijd ingrijpend voor een huurder, maar zijn ook inherent eraan. Dat [huurder] bij een ontruiming zeer waarschijnlijk zal worden uitgezet naar het land van herkomst is geheel niet onderbouwd en ligt in de risicosfeer van [huurder] . De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [huurder] om in de woning te blijven wonen – gezien de substantiële huurachterstand – niet prevaleert boven het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.

4.7.. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering wordt ook het belang van het minderjarig kind van [huurder] in overweging genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het IVRK vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor het minderjarige kind van [huurder] nadelige gevolgen meebrengt. Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde vordering tot ontruiming zullen de belangen van de daarbij betrokken kinderen onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van kinderen automatisch leidt tot een blokkade voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming. Het is voor alles de taak van [huurder] om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de kinderen ligt bij haar. Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van minderjarige kinderen aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zou leiden. Volgens [huurder] is haar inmiddels een verblijfsstatus toegewezen. Dit betekent dat [huurder] zich kan wenden tot hulpinstanties. Dat sprake is van een acute noodtoestand is dan ook niet aannemelijk geworden zodat de enkele aanwezigheid van het minderjarig kind in dit concrete geval niet tot afwijzing van de ontruimingsvordering zal leiden. Wel ziet de kantonrechter hierin aanleiding om de gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen te verlengen naar drie weken. De kantonrechter vindt deze termijn redelijk nu ter mondelinge behandeling al aan partijen is medegedeeld dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen en [huurder] dus vanaf dat moment kon beginnen met het treffen van maatregelen.

Borgsom

4.8..
[huurder] dient de borgsom op grond van de huurovereenkomst te betalen aan [verhuurder] . Vast staat dat [huurder] dat niet gedaan heeft. [huurder] heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van deze borgsom. Het gevorderde bedrag van € 820,00 aan borgsom wordt daarom toegewezen.

Wettelijke rente

4.9.. De wettelijke rente over de achterstallige huurpenningen en de waarborgsom wordt toegewezen zoals gevorderd nu [huurder] daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en [huurder] in verzuim verkeert.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.10.. Hoewel [huurder] hier bezwaar tegen heeft gemaakt, zal de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De kantonrechter is van oordeel dat – zoals hiervoor is vastgesteld – de substantiële mate waarin [huurder] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichtingen als huurder, maken dat [verhuurder] er belang bij heeft om op zo kort mogelijke termijn de woning aan een huurder te verhuren die wel zijn verplichtingen nakomt. Hoewel [huurder] een evident belang heeft bij het kunnen blijven wonen in de woning totdat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist, weegt dat belang in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.

Proceskosten

4.11..
[huurder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

153,02

  • griffierecht

265,00

  • salaris gemachtigde

865,00

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.427,02

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. veroordeelt [huurder] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] met al het hare en de haren te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van alle sleutels aan [verhuurder] ,

5.2.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] :

a. a) € 4.375,00 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,

b) € 875,00 per maand vanaf juni 2026 tot aan de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,

5.3.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] € 820,00 aan borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum waarop deze opeisbaar is geworden, tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.427,02, te vermeerderen met de kosten van betekening,

5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Meer Beslissingen