[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rblim-2026-591":3,"decision-more-ecli-nl-rblim-2026-591":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1804","ECLI:NL:RBLIM:2026:591","",74,"Maastricht","maastricht","2026-01-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.325384.23\n\nTegenspraak, na aanhouding niet verschenen (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1986,\n\nwonende te [adres 1]\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat kantoorhoudende te Brunssum.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 januari 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nHet minderjarig slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is niet in persoon op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mevrouw [naam 1] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), terwijl zij jonger was dan 16 jaar;\n\nFeit 2:kinderporno heeft verspreid, aangeboden, openlijk tentoongesteld, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verworven, in bezig heeft gehad en\u002Fof zich daartoe toegang heeft verschaft.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is van mening dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen zijn.\n\nTen aanzien van feit 1 wijst de officier van justitie op de consistente, gedetailleerde, authentieke – en daarmee betrouwbare – verklaringen van [slachtoffer] . Deze verklaringen vinden steun in de verklaring van de moeder van [slachtoffer] over het moment van ‘disclosure’ en de emoties van [slachtoffer] op dat moment, het whatsapp-verkeer tussen getuige [naam 2] en de verdachte, alsook de evident leugenachtige verklaring van de verdachte dat hij op 8 september 2023 niet in de woning van [naam 2] is geweest. Het feit dat er DNA-materiaal van getuige [naam 2] op de sportbroek van [slachtoffer] is aangetroffen, kan worden verklaard door het stoeien en kietelen van die avond. [slachtoffer] is daarbij stellig in haar verklaringen dat niet [naam 2] , maar de verdachte haar onzedelijk heeft betast. Van het verweten ‘brengen van de hand in de broek’ van [slachtoffer] moet de verdachte partieel worden vrijgesproken, nu hiervoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.\n\nTen aanzien van feit 2 wijst de officier van justitie op de processen-verbaal van bevindingen inzake het aantreffen van de gegevensdragers, de daarop aangetroffen afbeeldingen en de omschrijving daarvan. Een deel van deze afbeeldingen was voor de verdachte benaderbaar in de verweten periode. De officier van justitie wijst erop dat het gegevensdragers betrof die van de verdachte zelf waren, deze bij hem in gebruik waren en dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aangetroffen afbeeldingen. De officier van justitie acht derhalve bewezen dat de verdachte de kinderpornografische afbeeldingen en de gegevensdragers waarop deze zijn aangetroffen in zijn bezit heeft gehad. Van de overige verweten gedragingen dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken nu het bewijs daarvoor ontbreekt.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 heeft de raadsman de vrijspraak van de verdachte bepleit. Hoewel de verdachte – volgens de raadsman om verschoonbare redenen – aantoonbaar heeft gelogen over zijn aanwezigheid in de woning van getuige [naam 2] op 8 september 2023, heeft de verdachte consequent en stellig ontkend het tenlastegelegde te hebben gepleegd. Daarnaast is op het sportbroekje van [slachtoffer] geen DNA-materiaal aangetroffen van de verdachte, maar van getuige [naam 2] , wat de stellige ontkenning van de verdachte ondersteunt. Door de getuige [naam 2] wordt volgens de raadsman onvoldoende uitleg gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA-materiaal op het sportbroekje van [slachtoffer] . De raadsman concludeert dat gezegd kan worden dat er weliswaar wettig bewijs is, maar dat uit dit bewijs de overtuiging niet kan worden verkregen.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte op zijn gegevensdragers kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad. Van de overige verweten gedragingen ten aanzien van dit materiaal dient te verdachte partieel te worden vrijgesproken.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van feit 1\n\nBewijsmiddelenoverzicht\n\nOp 11 september 2023 heeft er een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [naam 3] , de vader van [slachtoffer] . De politie heeft over dit gesprek gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nDe vader van het minderjarig slachtoffer [slachtoffer] vertelde dat op vrijdag 8 september 2023 omstreeks 19:00 uur zijn echtgenote [naam 4] hun drie kinderen had gebracht naar [naam 2] , wonende te [naam club] , [adres 2] . [naam 3] vertelde dat hun kinderen in de woning van [naam 2] verstoppertje hadden gespeeld waarbij een vriend van [naam 2] was aangesloten en mee had gedaan. Die man, genaamd: [verdachte] , had [slachtoffer] tweemaal tussen haar benen betast. Eén keer toen [slachtoffer] en [verdachte] samen onder een deken lagen, vermoedelijk in de buurt van de verwarming. Een tweede keer was dat gebeurd in de buurt van een deur in die woning. [verdachte] zou aan [slachtoffer] op enig moment hebben gevraagd: \"Mag ik doorgaan met spelen, met voelen?\" [slachtoffer] was afgelopen vrijdagavond 8 september te samen met haar zusjes naar bed gebracht door haar moeder maar kwam even later huilend naar beneden en vertelde tegen haar moeder het vorenstaande relaas.\n\nDe eerste tegen wie [slachtoffer] het had gezegd was haar moeder [naam 4] . Daarna is [slachtoffer] weer naar haar kamer gegaan; echter toen haar vader [naam 3] thuis kwam van zijn middagdienst, is zij weer naar beneden gegaan en heeft het relaas ook tegen haar vader [naam 3] verteld. [naam 3] vertelde dat [slachtoffer] hem huilend in zijn armen viel en dit relaas vertelde. Zij vertelde tegen [naam 3] dat die jongen bij haar onderbroekje tussen haar benen had gezeten. [slachtoffer] vertelde dat zij met die jongen onder de deken had gelegen bij de verwarming. Zij vertelde dat [slachtoffer] tegen haar vader heeft gezegd dat hij op haar sportbroekje is geweest. [naam 3] heeft gevraagd wat die jongen deed. Daarop heeft [slachtoffer] geantwoord dat hij daarover wreef waarbij [slachtoffer] heeft voorgedaan aan haar vader [naam 3] dat zij met haar hand(en) wreef over haar op dat moment gedragen kleding ter hoogte van haar vagina. [slachtoffer] heeft verteld dat die jongen tweemaal één van zijn handen op dat sportbroekje ter plekke van haar vagina heeft gelegd. Vader [naam 3] vertelde dat het beide keren was gestopt doordat [slachtoffer] zich had omgedraaid en weg was gegaan van die jongen.\n\nOp 15 september 2023 heeft [naam 3] vervolgens aangifte gedaan van seksueel misbruik tegen de verdachte. Hij heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nV: Tegen wie doe je aangifte?\n\nA: [verdachte] .\n\nV: Welke handelingen heeft [verdachte] bij [slachtoffer] gedaan?\n\nA: Met de handen tussen de benen op de schaamstreek gewreven. Gevraagd of hij verder mocht spelen en verder mocht voelen.\n\nV: Dat wrijven over de schaamstreek was dit in of over de kleding?\n\nA: Op het broekje.\n\nV: Wat voor broekje?\n\nA: Voetbalbroekje.\n\nV: Hoe vaak heeft dat plaatsgevonden?\n\nA: Twee keer.\n\nV: Wanneer heeft dat plaats gevonden? A: Op vrijdag 8 september 2023 rond 19.00 uur werd [naam 4] met de kinderen opgehaald door [naam 2] . Dus het moet gebeurd zijn tussen 19.30 uur en 22.30 uur. V: Waar heeft het feit plaatsgevonden?\n\nA: Bij [naam 2] thuis. [adres 2] te [naam club] .\n\nOp 1 november 2023 werd [naam 4] , de moeder van [slachtoffer] , als getuige gehoord. Zij heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk was gaan trainen bij [naam club] en de kinderen, [slachtoffer] en [naam 5] , zijn met [naam 2]\n\nnaar zijn huis gegaan om aldaar de wedstrijd van Nederland te kijken. Blijkbaar is\n\ntoen bij [naam 2] [verdachte] op bezoek gekomen. Ik ben toen tussen 22 en 23 uur thuis aangekomen met mijn fiets. Ik trof toen [naam 6] , [slachtoffer] en [naam 5] en ook [naam 2] bij mij thuis aan. Ik zei toen tegen [slachtoffer] en [naam 5] dat zij met mij naar boven moesten gaan. Wij gingen dus met ons drieën naar boven. Daar hebben [slachtoffer] en [naam 5] hun tanden gepoetst waarna zij naar hun eigen kamer zijn gegaan om te gaan slapen. Na 5 minuten kwam [slachtoffer] weer naar beneden. [slachtoffer] zei toen tegen mij: \"Mamma, ik moet je wat vertellen.\"\n\nV: Wat zegt [slachtoffer] tegen jou op haar kamer?\n\nA: Ze zei: \"Daar was een vriend van [naam 2] op bezoek. Wij gingen verstoppertje spelen onder de deken. Die meneer wilde bij mij twee keer in mijn broekje gaan maar ik heb tweede keer neen gezegd\". [slachtoffer] vertelde verder dat zij daarna achter een deur bij [naam 2] thuis hadden gestaan en dat die vriend weer bij haar in haar broekje wilde gaan maar dat [slachtoffer] toen weer neen tegen die vriend had gezegd.\n\nIk herinner mij wel dat zij even daarna weer naar beneden kwam en dat zij toen\n\nhuilde. [naam 3] was toen thuis. Zij kwam toen de woonkamer binnen. Ik had het toen net tegen [naam 3] verteld.\n\nV: Wat heeft [slachtoffer] toen nog verteld in de woonkamer toen zij de tweede keer naar\n\nbeneden kwam?\n\nA: Zij heeft niks verteld. Ze was alleen maar aan het huilen. Ze was heel erg\n\nverdrietig.\n\nOp 22 september 2023 werd [slachtoffer] gehoord in de kindvriendelijke verhoor studio. De politie heeft hieromtrent gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\n Als getuige werd gehoord:\n\n [slachtoffer]\n\nGeboren op [geboortedatum]\n\nDesgevraagd verklaarde [slachtoffer] , onder andere, dat:\n\n-Dat de vriend van [naam 2] haar heeft aangeraakt\n\n- Dat ze met de vriend van [naam 2] , [verdachte] bedoelt\n\n- Dat het aanraken twee keer gebeurd is\n\n- Dat het aanraken gebeurde op de slaapkamer van [naam 2]\n\nDesgevraagd verklaarde [slachtoffer] , onder andere, dat:\n\n- Hij haar heeft aangeraakt onder de dekens\n\n- Ze met hij [verdachte] bedoelde\n\n- Hij vroeg of hij aan haar vagina mocht zitten\n\n- Hij zijn hand bij haar broekje had gedaan, bij haar vagina\n\n- Hij zijn hand alleen op haar broekje had gedaan en niet erin\n\n- Hij erbij kwam liggen onder de dekens\n\n- Hij met zijn vingers bij haar vagina zat en daar hard deed drukken\n\n- Dat dit pijn deed omdat hij heel hard deed drukken\n\n- Hij vroeg of hij in het broekje mocht voelen\n\n- Zij nee tegen hem zei\n\n- Hij twee keer vroeg of hij mocht blijven voelen\n\n- Zij nee zei\n\n- Hij twee keer bij haar broekje heeft gevoeld\n\n- Hij wel probeerde om van bovenaf in haar broekje te komen\n\n- Dat het op twee verschillende momenten is gebeurd\n\n- [verdachte] de eerste keer bij haar in het bed lag onder de dekens\n\n- [verdachte] de tweede keer naast het bed lag bij de verwarming\n\nDesgevraagd verklaarde [slachtoffer] tot slot dat:\n\n- Er een halve meter tussen het bed en de verwarming zit\n\n- [verdachte] op zijn zij met zijn gezicht richting [slachtoffer] lag\n\n- Hij toch aan haar ging zitten ondanks dat [slachtoffer] nee zei\n\n- Hij de tweede keer op de grond naast het bed lag\n\n- Hij met zijn hand toen op het bed kwam\n\n- Zij wel op het bed lag\n\nOp 16 september 2025 wordt [slachtoffer] nogmaals in een verhoorstudio gehoord. Zij heeft daarbij verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nG Eh omdat d'r een man gewoon aan mij zat zonder dat ja, gewoon zonder iets. Ja, gewoon, gewoon ineens.\n\nV Hm hm. Oké. Nou dat is inderdaad ook waarom we nu weer hier zijn hè? Hé want die man die aan jou zat, zomaar ineens, wie was dat?\n\nG Nou een vriend van ja, wat, want m'n moeder en m'n vader waren bevriend van iemand van een club,\n\nG van [naam club] en\n\nV En wie was dat dan?\n\nG Eh [naam 2] .\n\nG Ja, en eh [naam 2] z'n vriend die kwam eh gewoon op bezoek, maar [naam 2] wist zelf ook niet dat hij zo was, want hun waren ook bevriend. En toen eh. Ik ging naar [naam 2] huis om voetballen daar te kijken.\n\nG En mijn broertje was d'r ook bij.\n\nG [naam 5] .\n\nV Dus je was bij [naam 2] , zei je.\n\nV Daar was een vriend van [naam 2] .\n\nG Ja.\n\nV Weet je nog hoe die heette?\n\nG Volgens mij [verdachte] of zo.\n\nV En wat was er gebeurd?\n\nG Ja, we gingen toen verstoppertje spelen\n\nG Eh in zijn huis.\n\nG En eh toen eh ging ik onder de deken verstoppen.\n\nG En eh toen kwam hij ineens ook gewoon onder de deken.\n\nG En toen eh zei die hallo of zo.\n\nG En toen eh eh ging die ineens met z'n hand ja, bij m'n vagina. En toen eh ging dier daar voelen. Maar ik dacht zo van: ja, hoezo doet die dat? En ik wou eigenlijk weg gaan. Maar toen zeit die: mag ik daar binnen voelen? En toen zei ik: nee, waarom? En toen zei die eh zo van: ja, gewoon. Ik zei: nee, waarom? En toen ja, had die ons gevonden en toen gingen we verder.\n\nG Eh nee, daarna zijn we. Toen heeft die ons naar huis gebracht. En daarna heb ik 't aan m'n vader en moeder verteld.\n\nV Ja. Oké. Ehm nou toen die eerste keer had je inderdaad verteld dat die avond bij [naam 2] iets was gebeurd wat je niet fijn vond.\n\nV Vertel eens, wat was dat?\n\nG Oh. Ja, ik vertelde gewoon ja, die man eh van [naam 2] , zijn vriend, die begon ineens aan mijn vagina te voelen. En eh ja, dat vind ik gewoon niet fijn dat die aan mij zit.\n\nV Dat bedoel. Dat die aan jouw vagina zat, dat had je eigenlijk net al verteld hè? Dat bedoelde jij met dat niet fijne?\n\nG Ja.\n\nV Duidelijk. Hé inderdaad wat eh. Aan jouw vagina zitten, want wie had dat bij jou gedaan?\n\nG Die vriend van [naam 2] .\n\nG Volgens mij, eh [verdachte] , ja. [verdachte] .\n\nGetuige [naam 2] heeft op 14 september 2023 een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk heb de kinderen opgehaald bij [naam 4] om iets voor 19:00 want om 19:00 heb ik de moeder bij [naam club] afgezet, zij moest met de dames trainen. Waarschijnlijk ben ik rond 19:30 thuis aangekomen met de kinderen. De kinderen zijn [naam 5] en [slachtoffer] . [verdachte] was mijn toenmalige vriend. Ik heb hem uitgenodigd om samen gezellig naar het voetbal te kijken. Rond de klok van 20:30 is hij gekomen zodat ik nog een uurtje rustig met de kinderen zelf bezig kon zijn en mijn huisje heb laten zien, omdat ze de eerste keer bij mij thuis waren. In dat uurtje hebben we nog tikkertje gespeeld, dat was voordat [verdachte] op bezoek kwam. De wedstrijd begon 20:45. De kinderen waren zich een beetje aan het vervelen, we hebben tikkertje gespeeld en toen wilde de kinderen verstoptikkertje doen. We doen alle 4 mee.\n\nRond 23:00 uur ben ik bij hun thuis gearriveerd. De kinderen werden naar bed gebracht en door moeder verzorgd, ik heb gewacht. Toen kwam de moeder terug van het naar bed brengen van de kinderen. Toen vertelde ze me dat [verdachte] met de hand in de broek van [slachtoffer] had gezeten, of in ieder geval op een plek waar hij de handen niet zou moeten hebben. Vader kwam thuis en die kreeg het ook te horen, die zat vol vragen wat er precies is gezegd en gevraagd, weet ik niet meer. Toen kwam [slachtoffer] met tranen in de ogen naar beneden omdat ze niet kon slapen.\n\nV: Heb jij gezien dat [slachtoffer] en [verdachte] op enig moment in jouw woning onder een\n\ndeken\u002Fdekbed hebben gezeten of gelegen?\n\nA: [verdachte] lag klem tussen het bed en verwarming op de slaapkamer, op dat moment lag [slachtoffer] wel onder het dekbed op het bed van mij.\n\nUit het proces-verbaal van bevindingen inzake de appgesprekken tussen de verdachte en getuige [naam 2] volgt, zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 september 2023 ontving ik, [naam 7] , drie mails van [naam 2] via zijn\n\nmailadres [e-mailadres] , inhoudende onder meer een app van [verdachte] waarin hij vertelt over het spelen van verstoppertje en tikkertje de avond ervoor.\n\nHet betreft appverkeer tussen kennelijk [naam 2] en [verdachte] ,\n\naanvangende op 7 mei 2023 te 08:51 uur en eindigend op 9 september 2023 op 09:31 uur.\n\nOp pagina 38, de laatste pagina van dit bestand, staat het volgende vermeld:\n\n\"09-09-2023 08:17 - [naam 2] : [verdachte] hierbij is onze vriendschap over nadat wat zich\n\nbij mij heeft voorgedaan gisteravond\n\n09-09-2023 09:04 - [verdachte] : Wat is dan voorgevallen gisteren avond waar heb jij het\n\nvoeg\n\n09-09-2023 09:04 - [verdachte] : Plus [naam 8] apte me net\n\n09-09-2023 09:05 - [verdachte] : Die van [naam 9] gaat wel door\n\n09-09-2023 09:06 - [verdachte] : Wat heeft zich gisteren bij jou voor gedaan dan dat mag jij me eens even gaan vertellen want dit snap ik even niet\n\n09-09-2023 09:17 - [verdachte] : We hebben gisteren alleen tikkertje en vertoooertje [de rechtbank verstaat: verstoppertje] gedaan ik heb niemand of wat dan ook aangeraakt alleen jij omdat jij de kinderen kent ik kan ze niet ja jij zei geef de kitteldood dat is het enige ik kan ook wat er van vinden dat jij die meid op de kont sloeg dat doe ik ook niet dus waar hebben we hebben jij het over\n\nBewijsoverwegingen\n\nGelet op het bewijsmiddelenoverzicht is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , betrouwbaar zijn. De verklaringen van [slachtoffer] , die zij heeft afgelegd ten overstaan van haar ouders en tijdens twee studioverhoren, zijn gedetailleerd, authentiek en consistent. Anders dan door de raadsman is betoogd, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] over de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Hoewel [slachtoffer] enigszins wisselend heeft verklaard over het al dan niet plaatsvinden van de ‘kieteldood’ in het huis van getuige [naam 2] staat voor de rechtbank op basis van het bewijsmiddelenoverzicht voldoende vast dat er een verstopspelletje en een tikspelletje heeft plaatsgevonden waarbij men elkaar moest aanraken om elkaar de beurt te geven.\n\nDe verklaringen van [slachtoffer] worden ondersteund door de verklaring over de ‘disclosure’ door getuige [naam 4] (moeder) en de emoties daarbij die [slachtoffer] vrijwel direct na thuiskomst toonde. Ook aangever [naam 3] (vader) heeft verklaard over de emoties van [slachtoffer] die avond.\n\nDoor de verdachte wordt stellig ontkend dat hij op 8 september 2023 in de woning van getuige [naam 2] aanwezig was en dat hij ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd. De ontkenning van de verdachte wordt evenwel weerlegd door het bewijsmiddelenoverzicht. Zowel door [slachtoffer] als getuige [naam 2] wordt immers verklaard dat de verdachte wel degelijk op genoemde avond in de woning aanwezig was. Daarbij kent de rechtbank ook gewicht toe aan het appgesprek tussen de verdachte en getuige [naam 2] op 9 september 2023, waarin getuige [naam 2] zijn vriendschap met de verdachte opzegt vanwege ‘wat zich bij mij heeft voorgedaan gisteravond’. In zijn reactie van 9 september 2023 om 09:17 uur reageert verdachte zodanig dat daaruit niet anders kan worden begrepen dat de verdachte wel degelijk ter plaatse was. De verdachte heeft aldus kennelijk leugenachtig verklaard over zijn aanwezigheid.\n\nZonder dat aan de verdachte enige context wordt gegeven in diens appgesprek voornoemd met getuige [naam 2] schrijft de verdachte daarin spontaan om 09:17 uur ‘ik heb niemand of wat dan ook aangeraakt’. Dat de verdachte uit zichzelf een dergelijk bericht als reactie aan getuige [naam 2] stuurt ziet de rechtbank als steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer] .\n\nVolgens de raadsman leidt de omstandigheid dat op (de band en een gebied van 7 x 7 cm ter hoogte van het kruis van) het sportbroekje van [slachtoffer] DNA-materiaal is aangetroffen van getuige [naam 2] en níet het DNA van de verdachte, tot de conclusie dat de verdachte [slachtoffer] dus niet ontuchtig heeft aangeraakt. De rechtbank deelt deze conclusie niet. Dat er geen DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen op het sportbroekje van [slachtoffer] betekent niet dat er geen ontuchtige aanraking heeft plaatsgevonden door de verdachte. Niet ieder fysiek contact leidt tot DNA-overdracht, nu deze overdracht afhankelijk is van de mate van contact, de wijze waarop dit heeft plaatsgevonden en het materiaal van het betrokken goed. In de omstandigheid dat er geen DNA-materiaal van de verdachte op het sportbroekje is aangetroffen kan de rechtbank de redenering van de raadsman, inhoudende dat er dús geen ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden, niet volgen. Andersom geldt dat het aangetroffen DNA-materiaal van getuige [naam 2] op het sportbroekje van [slachtoffer] , past binnen de verklaring van getuige [naam 2] dat hij, in zijn woning, met [slachtoffer] heeft gestoeid en hij [slachtoffer] daarbij een tik op de billen heeft gegeven. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dan ook.\n\nNu de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar acht en daarvoor voldoende steunbewijs is, oordeelt zij dat er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte met [slachtoffer] op twee momenten in de avond van 9 september 2023 ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die erin bestonden dat hij zijn hand en\u002Fof vingers tussen haar benen en op haar broek heeft gebracht, en vervolgens haar vagina haar aangeraakt of daarop heeft gedrukt. Er is geen bewijs voor het in de broek en\u002Fof onderbroek brengen van zijn handen en\u002Fof vingers. Van deze gedraging wordt de verdachte partieel vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nBewijsmiddelenoverzicht\n\nDe politie heeft onder de verdachte een Apple iPhone 14 inbeslaggenomen. Hierover heeft de politie gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nOp woensdag 16 augustus 2023 werd de verdachte [verdachte] buiten heterdaad aangehouden in verband met overtreding van artikel 248B van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hierbij werd zijn smartphone, Apple iPhone 14, wit van kleur inbeslaggenomen. Hierop ben ik, verbalisant, op woensdag 16 augustus 2023 omstreeks 13.00 uur gestart met het onderzoek in de smartphone.\n\nHet betreft een Apple iPhone 14, wit van kleur voorzien van de IOS versie 16.6.\n\nIn de app Foto's van de iPhone staan 845 foto's en 105 video's in diverse albums. In deze app zijn standaard twee mappen, te weten de map \"Recent verwijderd\" en de map \"Verborgen\" aangemaakt. In de map \"Verborgen\" kun je afbeeldingen of video's zetten die niet direct zichtbaar zijn. Hiervoor moet je een aantal handelingen uitvoeren. Allereerst moet je de betreffende afbeelding of video selecteren, vervolgens moet je in het menu kiezen voor \"verberg\". Door gebruik te maken van de door de verdachte vertelde toegangscode heb ik toegang gekregen tot deze mappen. In de map \"Verborgen\" trof ik, verbalisant meerdere afbeeldingen en video's aan.\n\nGoednummer: PL2300-2023095573-1630845\n\nCategorie omschrijving: Geluid en beeldapp\u002Fdrager\n\nObject: Communicatieap (Telefoon)\n\nKleur: Wit\n\nIn bijlage I bij het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal heeft de politie het navolgende overzicht gevoegd, zakelijk weergegeven:\n\n Kinderporno\n\nGegevensdrager Foto’s Video’s\n\n1630845_iPhone Wit 77 6\n\n1631226_Desktop Zwart 6 0\n\n1631228_Samsung HDD 55 0\n\nTotaal 138 6\n\nOver de aangetroffen aantallen op de iPhone (goednummer 1630845) heeft de politie in een aanvullend proces-verbaal gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nVanuit het onderzoeksteam zijn afbeeldingen her-beoordeeld waardoor de aantallen in proces­verbaal LBRBC23089-1 niet meer overeenkwamen met het beschrijving-PV. Ik deed daarom onderzoek in Griffeye naar de onderstaande gegevensdrager.\n\nGEGEVENSDRAGER: goed, Smartphone\n\nInbeslagname nummer: 1630845\n\nMerk en type: iPhone Wit\n\nOp deze gegevensdrager werden, binnen Griffeye, 83 afbeeldingen geclassificeerd als zijnde kinderpornografische afbeeldingen. Van 7 afbeeldingen, geclassificeerd als kinderpornografisch kon niet worden vastgesteld wanneer ze op de gegevensdragers waren opgeslagen. Van de bestanden waarvan kon worden achterhaald wanneer zij op de onderzochte gegevensdrager waren opgeslagen, bleek het onderstaande:\n\n76 afbeeldingen, geclassificeerd als kinderpornografisch waren tussen 1 april 2023 en 24 juli 2023 op de onderzochte gegevensdrager opgeslagen.\n\nDe politie heeft over het aangetroffen kinderpornografisch materiaal als volgt gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nVastgesteld dat in de aan mij overgedragen bestanden in totaal 144 afbeeldingen voorkwamen die volgens bovengenoemde criteria kinderpornografisch zijn.\n\nHet betreffen 138 foto’s en 6 video’s.\n\nBijlage II (de rechtbank verstaat: bijlage I) geeft een overzicht van de aantallen aangetroffen kinderpornografische foto’s en video’s per in beslag genomen onderzochte gegevensdrager.\n\nUit de afbeeldingen (foto's en video’s) verwerkt in bijgevoegde collectiescan (bijlage I) (de rechtbank verstaat: bijlage II), zijnde een inhoudelijke beoordeling van het aangetroffen kinderpornografische materiaal, heb ik een representatieve doorsnede samengesteld.\n\n11 afbeeldingen zijn benaderbaar (iPhone).\n\nFoto 1\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren. Op de foto is een close-up van een vagina van een jong meisje, pre puberaal, te zien welke in het water ligt. Door het camerastandpunt, van boven, is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nFoto 2\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren door een pre-puberaal minderjarig meisje met nadruk op haar blote borsten en vagina, haar hoofd is net niet te zien. Een meisje in de leeftijd tussen de 8-12 jaar met lichte borstvorming ligt naakt en maakt ogenschijnlijk zelf de foto. Door het camerastandpunt is nadrukkelijk de blote vagina en borsten van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nFoto 3\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren door een pre-puberaal minderjarig meisje tussen 6-10 jaar oud met nadruk op haar blote borsten en vagina. Het meisje is geheel naakt en heeft een versiering op haar hoofd en stickers\u002Fverfschildering net boven haar borsten.\n\nFoto 4\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren. Close-up foto van de vagina van een minderjarig meisje. De broek van het meisje is tot op haar knieën naar beneden en is nog deels te zien op de foto. Door het camerastandpunt is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nFoto 5\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren door een prepuberaal meisje in de leeftijd tussen de 7-11 jaar met de nadruk van haar borsten en haar vagina. Het meisje staat geheel naakt voor een bankje. Ze kijkt in de camera. Ze heeft duivelsoortjes op haar hoofd en een duivelsdrietand stafje vast.\n\nFoto 6\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren Close- up foto van de vagina een jong meisje. Op de foto zijn alleen een klein deel van de bovenbenen te zien en haar vagina. Door het camerastandpunt, bovenzijde, is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\nFoto 7\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren Een meisje in de leeftijd tussen de 7 en 11 jaar ligt met haar rug op het gras. Ze heeft haar rechter been opgetrokken en haar benen licht gespreid waardoor haar vagina te zien is. De foto is genomen vanaf de voorzijde, haar onderbenen zijn niet te zien. Op haar borsten \u002Ftepels zijn rode hartjes geverfd en op haar buik is een rode pijl omhoog geverfd. Naast haar, zowel aan haar linker- en haar rechterzijde is een deel van een meisje zichtbaar. Het meisje aan de linkerzijde heeft een verfkwastje vast. Door het camerastandpunt is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht\n\nFoto 8\n\nGegevensdrager: 1630845Jphone Wit\n\nPoseren. Op deze afbeelding zijn 2 naakte meisjes te zien, alleen hun onderbenen zijn niet te zien. Deze meisjes zijn geknipt uit de voorpagina met meerdere foto’s van een nudisten promotie De meisjes staan naast elkaar, met hun armen naast hun lichaam. De nadruk van deze foto is gelegd op de naakte lijven van de meisjes.\n\nVideo 9\n\nGegevensdrager: 1630845Jphone Wit\n\nOntuchtige handeling. Een minderjarig meisje, leeftijd tussen de 12 en de 14 haar oud kleed zich geheel uit en gaat met haar benen wijd voor de camera op de grond zitten\u002F liggen. Een deel van haar bovenbenen, haar vagina, haar buik, haar borsten en haar gezicht zijn te zien. Zij trekt met beide handen haar vagina iets uit elkaar waarna zij met haar rechter wijsvinger haar vagina penetreert. Deze video heeft audio, er zijn alleen achtergrond geluiden te horen (waarschijnlijk een wasmachine). Deze videduurt 57 seconden.\n\nFoto 10\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nOntuchtige handelingen. Een minderjarig meisje, leeftijd tussen de 6 en 9 jaar, ze zit met haar benen wijd voor de camera op de grond. Een deel van haar bovenbenen, haar vagina, haar buik, haar borsten en haar gezicht zijn te zien. Zij trekt met beide handen haar vagina uit elkaar. Ze betast haar eigen vagina . Deze video heeft audio. Het meisje fluistert: “please pis alsjeblieft’’, “ (onverstaanbaar) “ik liet een scheetje”. Deze video duurt 30 seconden\n\nFoto 11\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren. Op de afbeelding is een meisje te zien in de leeftijd tussen de 8 en 12 jaar welke geheel naakt gehurkt op de grond zit met haar benen iets gespreid. Het meisje kijkt naar een vuurwerksterretje welke zij vast heeft in haar hand. De foto is van de voorzijde genomen waardoor haar vagina duidelijk zichtbaar is.\n\nDe verdachte heeft bij de politie op 7 december 2023 een verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nO: In een eerder onderzoek, voorzien van het BVH-nummer: 2023095573, waarin jij reeds tweemaal als verdachte bent gehoord, zijn ook drie gegevensdragers onder jou inbeslaggenomen, zijnde: een witte i-Phone, een zwarte desktop en een Samsung HDD. V: Wie heeft deze gegevensdragers in gebruik gehad? A: De i-Phone, ik zelf omdat die van mij is.\n\nBewijsoverwegingen inzake feit 2\n\nDe rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat op 17 augustus 2023 op de iPhone van de verdachte in totaal 83 kinderpornografische afbeeldingen (te weten: 77 foto’s en 6 video’s) zijn aangetroffen. Deze afbeeldingen zijn daar in de periode van 1 april 2023 tot en met 24 juli 2023 op geplaatst. Op twee andere gegevensdragers van de verdachte zijn eveneens kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen, maar deze waren niet langer benaderbaar op het moment van inbeslagname. Evenmin is gebleken dat deze afbeeldingen gedurende de tenlastegelegde periode voor de verdachte benaderbaar waren. Ten aanzien van deze gegevensdragers zal de verdachte partieel worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van de iPhone heeft de verdachte verklaard dat deze van hem is en bij hem in gebruik was. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen op zijn telefoon.\n\nGelet op het bewijsoverzicht acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tussen 1 april 2023 en 17 augustus 2023 op zijn iPhone de in de bewezenverklaring omschreven foto’s en video’s in zijn bezit heeft gehad. Voor de overige verweten gedragingen (verspreiden, aanbieden, openlijk tentoonstellen, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren, verwerven, en\u002Fof zich daartoe door middel de toegang verschaffen) tis geen wettig en overtuigend bewijs, om welke reden de rechtbank de verdachte van deze gedragingen partieel zal vrijspreken.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\n feit 1:\n\nop 8 september 2023 in de gemeente Landgraaf, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen\n\n- brengen van zijn, verdachtes, hand en\u002Fof vingers tussen de benen en op de broek van die [slachtoffer] en\u002F\n\n- aanraken van en\u002Fof drukken op de vagina van die [slachtoffer] .\n\n feit 2:\n\nop één of meer tijdstippen in de periode van 1 april 2023 tot en met 17 augustus 2023 in de gemeente Landgraaf, meermalen, afbeeldingen, te weten foto’s en\u002Fof video's – en een gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon (Apple iPhone wit) -\n\nvan seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit heeft gehad\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met een vinger vaginaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 9, p. 407 en 417 pv)\n\nen\n\nhet met (een) vinger(s)\u002Fhand betasten van het eigen geslachtsdeel door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 10, p. 407, 417 en 418 pv)\n\nen\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt laten poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past\n\nen\u002Fof door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilms nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel en\u002Fof de borsten van deze persoon in beeld gebracht worden, waarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\n(foto 1, pagina406 en 414 van het proces verbaal en\n\n foto 2, pagina 406 en 414 van het proces verbaal en\n\n foto 3, pagina406 en 415 van het proces verbaal en\n\n foto 4, pagina 406, 407 en 415 van het proces verbaal en\n\n foto 5, pagina407, 415 en 416 van het proces verbaal en\n\n foto 6, pagina 407 en 416 van het proces verbaal en\n\n foto 7, pagina 407en 416 van het proces verbaal en\n\n foto 8, pagina 407en 417 van het proces verbaal en\n\n foto 11, pagina. 407 en 418 van het proces verbaal).\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\n feit 1:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.\n\n feit 2:\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is\n\nbetrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nen\n\neen gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straffen6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze proeftijd dienen de door de reclassering in haar advies van 24 december 2025 geformuleerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, inhoudende: een meldplicht, een ambulante behandeling, het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van digitale omgevingen inzake seksueel kindermisbruik. De officier van justitie heeft gevorderd om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren op grond van artikel 14e Sr. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte op te leggen een beroepsverbod op grond van artikel 28 Sr, inhoudende dat de verdachte gedurende 3 jaren geen werk, betaald of onbetaald, met kwetsbare doelgroepen – waaronder ook verstaan wordt: minderjarigen – mag verrichten. De officier van justitie heeft bij de formulering van deze strafeis acht geslagen op de ernst van de feiten en op de zorgen omtrent de persoon van de verdachte, mede gelet op het procesdossier en de daaruit voortvloeiende zorgen voor de veiligheid van minderjarigen, nu de verdachte werkzaam is als taxichauffeur voor onder andere kwetsbare minderjarigen en als scheidsrechter optreedt bij voetbalwedstrijden voor jeugdigen.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich, uitgaande van bewezenverklaring van uitsluitend feit 2, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ter zake van de straftoemeting. Wel heeft de raadsman verzocht om bij de straftoemeting acht te slaan op het feit dat de verdachte een ‘first offender’ is, hij relatief weinig kinderpornografische afbeeldingen voor relatief korte duur in zijn bezit had en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ten slotte heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn op grond van artikel 6 EVRM is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft bij de destijds 11-jarige [slachtoffer] ontuchtige handelingen verricht. [slachtoffer] was op dat ogenblik, samen met haar broertje bij haar vaste oppas om voetbal te kijken, terwijl de verdachte daar ook te gast aanwezig was. Tijdens een verstopspelletje heeft de verdachte [slachtoffer] onzedelijk betast. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij met zijn handelen de lichamelijk integriteit van [slachtoffer] heeft geschonden. Naar algemene ervaringsregels kan dergelijk misbruik grote en langdurige (psychische) gevolgen veroorzaken, voor zowel slachtoffers, als ook voor hun omgeving, zoals de rechtbank ook is gebleken uit de onderbouwing van de vordering van [slachtoffer] en de ter zitting namens de ouders van [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring.\n\nDaarnaast heeft de verdachte kinderporno in zijn bezit gehad. In totaal zijn op de telefoon van de verdachte 144 kinderpornografische afbeeldingen (138 foto’s en 6 video’s) aangetroffen. De verdachte heeft deze afbeeldingen verzameld gedurende een periode van ongeveer 4,5 maand. De rechtbank slaat er ook acht op dat er kinderpornografisch materiaal is aangetroffen op beide computers van de verdachte, hoewel dit tijdens de bewezenverklaarde periode niet langer benaderbaar was voor de verdachte. Bij de vervaardiging van kinderporno worden kinderen seksueel misbruikt en geëxploiteerd. Door het verwerven en het bezit van kinderporno houdt de verdachte deze markt in stand. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Voor een effectieve bestrijding van de vervaardiging van dit soort porno is het noodzakelijk niet alleen degenen aan te pakken die het vervaardigen, maar ook degenen die het verzamelen, zoals in onderhavige zaak van de verdachte. De door verdachte gepleegde strafbare feiten zijn dan ook zeer ernstig.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en op de straftoemeting in vergelijkbare zaken. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, de oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden geboden is.\n\nDe verdachte is niet eerder veroordeeld, ook niet voor zedenfeiten, en heeft daarom te gelden als een zogeheten ‘first offender’. Desondanks deelt de rechtbank de zorgen die de reclassering in haar advies van 24 december 2025 heeft geformuleerd over de persoon van de verdachte, gelet op de signalen uit het procesdossier van grensoverschrijdend gedrag en diens sociaal wenselijke houding aangaande mededelingen over zijn seksualiteit. Uit het reclasseringsadvies volgt ook dat de leefgebieden van de verdachte na zijn aanhouding instabieler zijn geworden: zijn partner heeft hem verlaten, wegens het ontbreken van een VOG kan hij niet meer werken als taxichauffeur voor een kwetsbare doelgroep of als scheids- c.q. grensrechter optreden bij voetbalwedstrijden en hij heeft schulden gemaakt. Daarnaast heeft de reclassering gesignaleerd dat de verdachte zich graag in een omgeving lijkt te begeven waarin zich kwetsbaren bevinden. De reclassering acht het van belang dat de verdachte onder meer een behandeling zal ondergaan waarin hij meewerkt aan verder onderzoek naar risicofactoren en de behandeling daarvan.\n\nGelet op het reclasseringsadvies ziet de rechtbank aanleiding een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen, met daaraan verbonden de door de reclassering in haar advies geformuleerde bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijk strafdeel dient daarbij als forse stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de daaraan te verbinden proeftijd daarbij stellen op drie jaren. De rechtbank acht deze termijn geboden vanwege de aard van de onderhavige delicten en de mogelijke duur van de ambulante behandeling van de verdachte.\n\nTen slotte overweegt de rechtbank dat, nu de verdachte op 7 december 2023 is aangehouden en dit vonnis 25 maanden later wordt gewezen, de redelijke termijn van twee jaren met 1,5 maand is overschreden. Vanwege deze geringe overschrijding zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn zoals bepaald in artikel 6, van het EVRM.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze proeftijd zal de rechtbank de door de reclassering in haar advies voornoemd geformuleerde bijzondere voorwaarden opleggen, inhoudende: een meldplicht, een ambulante behandeling, het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van digitale omgevingen inzake seksueel misbruik.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om genoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren conform het bepaalde in artikel 14e Sr. Gelet op de aard van de door de verdachte gepleegde feiten, beiden minderjarigen betreffend en gedurende een periode van maanden gepleegd, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nBeroepsverbod\n\nNaast de gevangenisstraf acht de rechtbank ook een beroepsverbod passend. Het is van groot maatschappelijk belang dat wordt uitgedragen dat de verdachte, gelet op de door hem gepleegde feiten, zijn bezigheden als scheids- c.q. grensrechter dan wel zijn beroep als taxichauffeur voor kwetsbare groepen niet langer mag uitoefenen, dan wel uit hoofde van enige andere functie werkzaam is met minderjarigen. De rechtbank legt daarom conform artikel 28 lid 1 sub 5 Sr aan de verdachte een verbod op om gedurende een periode van 3 jaar werk te verrichten, betaald of onbetaald, met kwetsbare doelgroepen (waaronder ook verstaan wordt: minderjarigen).7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 2.521,82 euro ter zake van feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:\n\nverlofdagen: 108,96 euro\n\nreiskosten: 77,86 euro\n\nimmateriële schade: 2.335,00 euro\n\nDe benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering aangevoerd, gelet op de bepleite vrijspraak ter zake van feit 1.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.\n\nDe vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering volledig toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van 2.521,81 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f, Sr op te leggen.\n\n8. Het beslag\n\nUit het procesdossier volgt dat onder de verdachte een drietal gegevensdragers zijn inbeslaggenomen (met goednummers G130845, G130845 en G1631226). De verdachte heeft geen afstand gedaan van deze gegevensdragers. Nu op deze gegevensdragers kinderpornografisch materiaal is aangetroffen, zijn dit voorwerpen met betrekking tot welke feit 2 is begaan. De rechtbank zal deze voorwerpen om die reden onttrekken aan het verkeer.\n\nDe inbeslaggenomen kledingstukken (met goednummers G1639227 en G1639230) dienen te worden teruggeven aan de als rechthebbende aan te merken persoon, zijnde [slachtoffer] .\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 36b, 36c, 36f, 57, 240b en 247,Sr, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nveroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstrafvan12 maanden, waarvan6 maanden voorwaardelijk, met eenproeftijd van 3 jaren;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\nstelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:\n\ndat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Heerderweg 25, 6224 LA Maastricht;\n\ndat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Rooyse Wissel Ambulant Behandelen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\ndat de veroordeelde op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt betrokkene dat CAB&B of jeugdbeschermingsinstanties hierbij aanwezig zijn;\n\nat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n1. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\n2. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\ngames met chatfunctie, die specifiek ontwikkeld zijn voor minderjarigen vermijdt;\n\n3. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\n4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in gebruik heeft.\n\nDe veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die betrokkene in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.\n\nDe controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) drie keer per aantal jaren proeftijd.\n\ngeeft aan de reclassering de opdrachtals bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\n- beveelt dat de gestelde voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n- ontzetde verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2uit het recht tot uitoefening van enig beroep, betaald of onbezoldigd, met kwetsbare doelgroepen (waaronder ook wordt verstaan: minderjarigen)gedurende een periode van3 jaar.\n\nBenadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van feit 1 toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer], van een bedrag van2.521,82 euro, bestaande uit 186,82 euro materiële schade en 2.335,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met dewettelijke rentevanaf 8 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\n- legt ten aanzien van fieit 1 aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.521,82 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 186,82 euro materiële schade en 2.335,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met dewettelijke rentevanaf 8 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\n- De verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nBeslag\n\n- onttrekt aan het verkeerde volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1 STK Telefoontoestel (G130845);\n\n1 STK Computer (G1631226);\n\n1 STK Computer (G1631228);\n\n- gelast de teruggavevan de volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1 STK Broek (G1639227);\n\n1 STK Ondergoed (G1639230);\n\naan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [slachtoffer].\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. dr. W. Kieboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 januari 2026.\n\nBuiten staat\n\nmr. dr. W. Kieboom en mr. I.K. Bakker zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1:\n\nhij\n\nop of omstreeks 8 september 2023 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, (telkens)\n\nmet [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,\n\nbuiten echt,\n\neen of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)\n\n- brengen en\u002Fof plaatsen van zijn, verdachtes, hand en\u002Fof vinger(s) tussen de benen en\u002Fof op en\u002Fof in de broek en\u002Fof op de onderbroek van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- aanraken en\u002Fof betasten van en\u002Fof wrijven over en\u002Fof drukken op de vagina en\u002Fof het kruis en\u002Fof de schaamstreek van die [slachtoffer] ;\n\nT.a.v. feit 2:\n\nhij\n\nop één of meer tijdstip(pen)\n\nin of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 17 augustus 2023 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, (telkens)\n\nafbeeldingen, te weten foto’s en\u002Fof video's en\u002Fof films - en\u002Fof gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon (Apple iPhone wit) en\u002Fof een computer (zwarte desktop) en\u002Fof een HDD (Samsung) -\n\nvan seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,\n\nheeft verspreid, aangeboden, openlijk tentoongesteld, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verworven, in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 9, p. 407 en 417 pv)\n\nen\u002Fof\n\nhet met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de eigen anus, de eigen billen en\u002Fof borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 10, p. 407, 417 en 418 pv)\n\nen\u002Fof\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met (een) voorwerp(en) en\u002Fof in een erotisch getinte houding\n\n(op een wijze) die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past\u002Fpassen\n\nen\u002Fof waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding ontdoet\n\nen\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van deze persoon in beeld gebracht worden,\n\n(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\n(foto 1, p. 406 en 414 pv en\u002Fof\n\n foto 2, p. 406 en 414 pv en\u002Fof\n\n foto 3, p. 406 en 415 pv en.of\n\n foto 4, p. 406, 407 en 415 pv en\u002Fof\n\n foto 5, p. 407, 415 en 416 pv en\u002Fof\n\n foto 6, p. 407 en 416 pv en\u002Fof\n\n foto 7, p. 407en 416 pv en\u002Fof\n\n foto 8, p. 407en 417 pv en\u002Fof\n\n foto 11, p. 407 en 418 pv);\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Team Zeden, BHV-nummers 2023095573 (zaak 1), 2023143690 (zaak 2) en 2023197652 (zaak 3), gesloten d.d. 6 juni 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 443.\n\n Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 12 september 2023, pg. 137 t\u002Fm 139.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [naam 3] d.d. 15 september 2023, pg. 141 t\u002Fm 147.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 10] d.d. 1 november 2023, pg. 158 t\u002Fm 161.\n\n Procs-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2023, pg. 165 t\u002Fm 167.\n\n Losbladig verslag verbatim studioverhoor [slachtoffer] d.d. 16 september 202, zonder doornummering, pg 1 t\u002Fm 21.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] d.d. 14 september 2023, pg. 149 t\u002Fm 156.\n\n Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2024, pg. 205 en 244.\n\n Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2023, pg. 95 t\u002Fm 98.\n\n Bijlage I bij proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 1 augustus 2024, ‘Overzicht aantallen kinderpornografische afbeeldingen en foto’s’, pg. 410.\n\n Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 1 augustus 2024, pg. 403 t\u002Fm 409.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 december 2023, pg. 354 t\u002Fm 362.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:591","ecli-nl-rblim-2026-591",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]