Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:6631

Rechtbank

Roermond

Datum

7 July 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Strafrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Roermond

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.109661.25

Tegenspraak, na aanhouding verschenen

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De benadeelde partij [slachtoffer] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. S.L.T.A. Scheepers, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

Namens de benadeelde partij [naam cafetaria] is niemand op zitting verschenen.

De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1:op 8 april 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.

Feit 2:op 12 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.

Feit 3:op 8 april 2025 een deur van [naam cafetaria] heeft vernield.

3. De beoordeling van het bewijs3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde als poging tot moord bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaard door meermalen met kracht met een ijzeren staaf op het hoofd te slaan. Daarnaast is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte zich gedurende ongeveer een kwartier heeft kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit, in die tijd rugdekking heeft geregeld en vervolgens bewapend op zoek is gegaan naar [slachtoffer] .

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat op basis van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met een ijzeren staaf met kracht op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en het hoofdletsel van [slachtoffer] daarvan afkomstig moet zijn. Enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] op zijn arm en schouder heeft geraakt met de ijzeren staaf. Daarmee was geen sprake van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel, maar wel op zwaar lichamelijk letsel. Deze heeft de verdachte ook bewust aanvaard, reden waarom het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit volgens de officier van justitie wel bewezen kan worden verklaard. Ook hier is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit en vervolgens bewapend op pad is gegaan.

Tot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit.3.2.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of het handelen van de verdachte een poging tot doodslag oplevert. Van voorbedachte raad is echter geen sprake. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken omdat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij heeft de raadsvrouw ook gewezen op de deskundigenrapportages waaruit onder meer volgt dat de bij de verdachte geconstateerde problematiek maakt dat hij impulsief handelt.

Met betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] met de ijzeren staaf een klap op het hoofd heeft gegeven, nu dit niet is te zien op de camerabeelden en de arm waarin de verdachte de staaf vast heeft wel in beeld blijft. De verdachte herinnert zich dat [slachtoffer] tegen een kast of een deur is gevallen. Dat zou een mogelijke oorzaak kunnen zijn van de wond op het achterhoofd van [slachtoffer] . Er kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte één klap heeft gegeven op de linkerarm of het linker schouderblad van [slachtoffer] . Een enkele klap op die plaats van het lichaam kan niet leiden tot een poging tot zware mishandeling of een poging tot doodslag. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ook van voorbedachte raad geen sprake kan zijn.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraakoverweging feit 2

De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat de verdachte op 12 maart 2025 achter [slachtoffer] is aangerend met een ijzeren staaf en hem vervolgens met die staaf eenmaal heeft geslagen op zijn rug/schouder, waarna [slachtoffer] een winkel binnenrent.

Vervolgens is de verdachte met de ijzeren staaf in de rechterhand in de deuropening van de winkel blijven staan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank ter zitting op grond van de camerabeelden waargenomen dat de verdachte gedurende de tijd dat hij in de deuropening heeft gestaan geen slaande beweging heeft gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat als de verdachte op dat moment [slachtoffer] geslagen zou hebben die slaande beweging deels zichtbaar zou moeten zijn geweest op de camerabeelden, omdat de verdachte de staaf in zijn rechterhand had en de rechterschouder en/of arm nagenoeg steeds in beeld is geweest. De zeer korte tijd waarin dit niet het geval is, is zo kort dat de slaande beweging op het hoofd, waarover [slachtoffer] heeft verklaard, niet in die tijd heeft kunnen plaatsvinden, mede gelet op de houding van het bovenlichaam van de verdachte dat steeds in beeld blijft.

Op een gegeven moment is te zien dat de verdachte wegloopt uit de deuropening. Even later komt [slachtoffer] naar buiten. Op dat moment is een bloedende hoofdwond aan de achterzijde van zijn hoofd zichtbaar.

[slachtoffer] heeft tot driemaal toe verklaard dat hij vlak na de slag tegen de rug/schouder ook op het hoofd is geslagen met de ijzeren staaf door de verdachte, dat dat pijn deed en bloedde en dat hij daar de hoofdwond aan heeft overgehouden. Op grond van voorgaande vaststellingen omtrent de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat het tijdstip waarop de verdachte volgens [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geslagen niet kan kloppen. Daar komt bij dat [slachtoffer] tijdens zijn verklaringen niet heeft verklaard dat hij op enig ander moment op het hoofd zou zijn geraakt.

Alhoewel duidelijk is dat [slachtoffer] een bloedende hoofdwond heeft opgelopen, valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat dit het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte. Op de camerabeelden is immers ook te zien hoe [slachtoffer] tegen een deur aanloopt als hij de winkel invlucht. De winkelmedewerker die daar destijds aan het werk was heeft ook niet verklaard dat [slachtoffer] bij het binnengaan of gedurende de tijd die hij heeft doorgebracht in de winkel met de ijzeren staaf op het hoofd is geslagen. Dit terwijl wel is verklaard over het lopen tegen de deur. Gezien al het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] zwaar te mishandelen en dat evenmin kan worden geoordeeld dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van vol opzet. Een enkele slag met een ijzeren staaf op de rug/schouder levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waardoor er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Nu het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken te worden.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken van feit 2.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere malen met een ijzeren staaf op/tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, op grond van:

de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;

de aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025;

  • de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025;

  • de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tijdens de aanhouding van de verdachte op 8 april 2025.

Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.

Opzet op de dood

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verdachte met zijn gedragingen het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Er is sprake van ‘vol opzet’ indien willens en wetens wordt gehandeld, dat wil zeggen indien een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – wordt beoogd. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte, met in zijn rechterhand een langwerpig, grijs voorwerp, naar de toegangsdeur van de cafetaria rent waar [slachtoffer] zich bevindt en naar binnen rent naar die [slachtoffer] toe, hem vastpakt en meerdere keren met kracht met een ijzeren voorwerp richting [slachtoffer] slaat, waaronder meermalen met kracht op zijn hoofd. Bij een van die slagen heeft de verdachte het ijzeren voorwerp met beide handen vast, terwijl hij dit tot boven zijn schouders heeft geheven om vervolgens met kracht te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer] . Als [slachtoffer] daarna op de grond belandt, gaat de verdachte boven hem staan en blijft op eenzelfde wijze doorgaan met het slaan van [slachtoffer] . De uiterlijke verschijningsvorm van dit handelen kan niet anders worden uitgelegd als zijnde gericht op de dood van [slachtoffer] . Daar komt bij dat uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat de verdachte tijdens het slaan tegen hem heeft gezegd dat hij hem dood gaat maken. Tijdens zijn aanhouding heeft de verdachte bovendien tegenover de politieambtenaren verklaard dat het de eigen schuld van [slachtoffer] was, dat hij het niet erg vond om hiervoor te gaan zitten en dat hij hem liever dood had geslagen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Partiële vrijspraak voorbedachte raad

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het slaan met de ijzeren staaf voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad voor beraad en bezinning. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De enkele vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van voorbedachte raad en hoeft de rechtbank er bovendien niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het besluit om [slachtoffer] met de ijzeren staaf te slaan heeft genomen op het moment dat hij bij de cafetaria arriveerde en uit de auto stapte. De ijzeren staaf zou volgens de verdachte al op de achterbank van de auto hebben gelegen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte eerder dan dat moment het plan zou moeten hebben opgevat om [slachtoffer] op zijn hoofd te slaan met het ijzeren voorwerp. Dat de rest van het gereedschap door de politie is aangetroffen in de kofferbak van het voertuig van de verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank immers niet dat het ijzeren voorwerp daarom niet op de achterbank had kunnen liggen zoals door de verdachte is verklaard. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat het besluit van de verdachte om [slachtoffer] met een ijzeren staaf op zijn hoofd te slaan zo ver voor het feit is genomen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het dossier meer aanknopingspunten bevat dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Zijn handelen is kennelijk getriggerd door het telefoontje dat hij van [verbalisant 1] ontving, waarna hij geëmotioneerd in de auto is gestapt en een al bij hem aanwezig familielid met hem mee is gegaan.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming en de uitvoering in een zodanig korte tijdspanne hebben plaatsgevonden dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich op 8 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het tenlastegelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een (tussen)deur van [naam cafetaria] , op grond van:

de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;

de aangifte van [aangever] van 8 april 2025;

  • de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025.3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

T.a.v. feit 1 primair:

op 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (ijzeren) staaf, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 3:

op 8 april 2025 te Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur die aan [naam cafetaria] toebehoorde, heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1 primair:

poging tot doodslag

T.a.v. feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

[naam psycholoog] , GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 2 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.

Er is bij betrokkene sprake van ADHD en een antisociale en borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Betrokkene ging impulsief op het slachtoffer af. Hoewel dit op het eerste gezicht vooral berekenend en antisociaal aandoet, is hierin juist ook de (emotionele) impulsiviteit passend bij de borderline problematiek herkenbaar waarin hij zich niet liet remmen, gedreven werd door woede vanuit angst om iemand voor wie hij zich verantwoordelijk voelt en de walging (devaluatie) jegens iemand die niet voldoet aan zijn standaarden. Dit werd ook gezien in de klappen. Betrokkene sloeg agressief en dacht niet meer na. Hij sloeg tegen het hoofd, ook toen de man al lag en voelde zich vooral woedend. Hij verklaart in dezen overigens ook duidelijk dat “het” niet allemaal bewust is geweest en dat hij niet geloofd had dat het zo ernstig was als gesteld werd, als hij de beelden ervan niet had gezien. Er zijn naast antisociale, ook narcistische elementen herkenbaar in het feit dat hij het zelf ging regelen en niet de politie inschakelde. Betrokkene voelde in zijn recht te staan, begreep eigenlijk niet dat hij als dader en niet als held ontvangen werd bij justitie hoewel hij realiteitszin genoeg had deze afwijzing voor te zijn. De onderliggende ADHD die voortdurende onrust in hem teweegbrengt, dreef hem tot snelle actie. Gezien de relatie tussen de gediagnosticeerde problematiek en het hem ten laste gelegde en het feit dat met name de borderline dynamiek er debet aan geweest is dat hij zijn eigen handelen volstrekt onvoldoende onder controle kon houden, wordt geadviseerd het hem slechts in verminderde mate toe te rekenen.

[naam psychiater] , psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 24 november 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.

Bij betrokkene is sprake van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, stoornis in het gebruik van cocaïne en partner-relatieproblemen. ADHD en de gestelde persoonlijkheidspathologie zijn altijd aanwezig. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren er op de voorgrond staande stoornissen in de emotie- en agressieregulatie en impulsiviteit en schoten de copingsvaardigheden van betrokkene tekort. De partnerrelatie was de belangrijkste trigger in deze. Het advies is om betrokkene de beide tenlastegelegde feiten, mits deze bewezen worden

geacht, verminderd toe te rekenen. Allereerst speelt daar zijn ADHD een belangrijke rol in, gezien dit zijn handelen duidelijk impulsiever heeft gemaakt en betrokkene zijn gedrag hierdoor minder kan controleren. Deze impulsiviteit vanuit zijn ADHD heeft ook zijn disfunctionele gedrag voortkomende uit zijn persoonlijkheidspathologie duidelijk aangejaagd. Betrokkene is fors getriggerd geraakt, doordat zijn belangrijkste naasten, namelijk Nathalie en zijn zoontje, in zijn ervaring belaagd en vernederd werden door het slachtoffer. De borderlinepathologie van betrokkene zorgt ervoor dat grenzen tussen zelf en de ander vervagen en daardoor worden zeker de belangrijkste naasten als partners, ouders en kinderen beleefd als ware het betrokkene zelf. De beledigingen en bedreigingen van het slachtoffer aan zijn vriendin en zoontje zullen door betrokkene dan ook als gericht op hemzelf zijn ervaren. Dit zal voor betrokkene ten diepste beangstigend zijn geweest en deze ernstige emotionele ontregeling heeft een trigger voor impulsiviteit

en verlies van zelfcontrole gevormd. Desalniettemin heeft betrokkene in een aantal stappen weldegelijk gerichte keuzes gemaakt vanuit een instrumenteel motief. Dat motief was over een langere termijn afgewogen en betrof dat het slachtoffer moest worden afgestopt en vergelding moest plaatsvinden. Als er niet werd ingegrepen door politie/justitie, dan betekende dat voor betrokkene dat hij voor eigen rechter moest spelen. In die keuzes heeft betrokkene weldegelijk handelings- en wilsvrijheid genoten: hij had immers ook die dag weg kunnen blijven en naar het bos kunnen gaan, zoals hij eerder had gedaan. Of hij had het aanbod van zijn vriend kunnen volgen om afleiding te zoeken, maar “die dag was de emmer vol”. Betrokkene was in staat het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien, maar keurde dit desondanks goed.

De rechtbank verenigt zich met de adviezen en de conclusies van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid, neemt deze over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten acht de rechtbank de verdachte strafbaar.

6. De straf en de maatregel6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de justitiële documentatie van de verdachte en de rapporten van de psycholoog en de psychiater waaruit blijkt dat de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat het van belang is dat de verdachte wordt behandeld. De algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dit is ook de meest passende maatregel. De officier van justitie ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel op grond van artikel 38z Sr. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk strafdeel.6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de aanleiding van het conflict en de meewerkende houding van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte er zelf voor gekozen om hulp te zoeken binnen de p.i. en kunnen de feiten in verminderde mate worden toegerekend aan de verdachte. De raadsvrouw heeft twee strafvoorstellen gedaan. Het eerste voorstel houdt in dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf van 2 jaren wordt opgelegd. De verdachte is gemotiveerd om snel met behandeling te beginnen. Het tweede voorstel is om aan de verdachte een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk op te leggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden dan bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. De raadsvrouw benadrukt tot slot dat er rekening mee moet worden gehouden dat het opleggen van een tbs-maatregel een ultimum remedium is.6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door meerdere malen hard met een ijzeren staaf op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur. Door zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het gaat om potentieel levensbedreigend geweld. Dit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar de verdachte heeft door zijn handelen, in een friettent waar ook andere mensen aanwezig waren, bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Wat [slachtoffer] ook gedaan of gezegd zou hebben tegen de ex-partner van de verdachte, dat rechtvaardigt niet deze afranseling waarbij [slachtoffer] zoals gezegd zomaar het leven had kunnen laten. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij voor eigen rechter heeft gespeeld. Daarbij geldt dat het enkel aan toeval en niet aan terughoudendheid van de verdachte is te danken dat het slachtoffer niet is overleden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juni 2026, waaruit onder meer blijkt dat hij op 29 februari 2024 is veroordeeld voor een vernieling.

De straf

Bij de strafoplegging ligt het accent niet verwonderlijk op de bewezenverklaarde poging tot doodslag van [slachtoffer] . De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat, gelet op de ernst van dit feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals eerder gezegd zal de rechtbank de feiten aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.

Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een lagere gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit indien deze gevangenisstraf gepaard zou gaan met de oplegging van een tbs-maatregel, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De verdachte zal tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting verblijven, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

De maatregel

Uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere psychische stoornissen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Beide deskundigen schatten het recidiverisico als hoog in. Zij wijzen daarbij onder meer op de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, waarbij sprake is van uiteenlopende typen slachtoffers, de invloed van een pro-crimineel netwerk, een beperkt arbeidsverleden, verslavingsproblematiek, een hoge mate van impulsiviteit en gebrekkige copingvaardigheden ten aanzien van emotieregulatie.

De psycholoog adviseert behandeling binnen een voorwaardelijk strafkader, waarbij de verdachte een behandeltraject volgt bij een forensische polikliniek. De psychiater acht een behandeling binnen een voorwaardelijk kader ook mogelijk, maar adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hij vindt van belang dat wordt voorkomen dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij indien hij op enig moment besluit niet langer mee te werken aan de behandeling of de gestelde voorwaarden. In dat geval kan een tbs met voorwaarden worden omgezet in een tbs met dwangverpleging, zodat de noodzakelijke behandeling ter vermindering van het recidiverisico kan worden voortgezet. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte bereid is mee te werken aan een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert hierover voorzichtig positief en heeft ter zitting vermeld dat reeds een indicatiestelling voor een langdurige klinische behandeling is geregeld.

De rechtbank neemt het advies van de psychiater en de reclassering over en is van oordeel dat, naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten, de bij de verdachte aanwezige stoornissen en het hoge recidiverisico acht de rechtbank het onverantwoord om het risico te lopen dat de verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. Hoewel de rechtbank het positief acht dat de verdachte zich thans bereid toont aan behandeling mee te werken, dient ermee rekening te worden gehouden dat hij zich op dit moment bevindt in de gestructureerde omgeving van de penitentiaire inrichting. Niet kan worden uitgesloten dat zijn motivatie onder minder beschermde omstandigheden en met toename van prikkels van buitenaf onder druk kan komen te staan.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel. De bewezenverklaarde poging tot doodslag betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, eist het opleggen van de maatregel. Aan de maatregel zullen de hierna te noemen, door de reclassering geadviseerde, voorwaarden worden verbonden.

De rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van poging tot doodslag. Dat is een misdrijf dat is gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e Sr. Dit brengt mee dat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd tot vier jaren indien deze op enig moment wordt omgezet naar een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.

Gelet op het psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde feit onder 1 en het hoge recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding de tbs met voorwaarden op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gezien de duur van de daarnaast opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om, anders dan door de officier van justitie verzocht, de voorlopige hechtenis te schorsen vanaf het moment dat de straf gelijk wordt aan de duur van het voorarrest en onder gelijkluidende voorwaarden als de tbs-maatregel. Dit moment ligt immers dusdanig ver in de toekomst dat het te ver gaat om daarover reeds nu een beslissing te nemen.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

De reclassering heeft geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat ook na afloop van de terbeschikkingstelling gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast. De rechtbank begrijpt dat het adviseren van een GVM onderdeel uitmaakt van de standaardwerkwijze van de reclassering. Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting niet nader kunnen concretiseren welke toegevoegde waarde deze maatregel in dit geval heeft, buiten de aanwezigheid van een mogelijk forensisch kader na afloop van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat door oplegging van deze maatregel de verdachte uiteindelijk gedurende lange tijd fors in zijn vrijheden kan worden beperkt. De enkele notie dat er zodoende altijd een vangnet mogelijk is vindt de rechtbank onder deze omstandigheden, waarin er verder geen concrete toegevoegde waarde van de maatregel zelf benoemd kon worden, onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1.

De vordering van de benadeelde partijen

Vordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en 2)

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 14.000,00 euro ter zake van de feiten 1 en 2. Deze vordering bestaat uit immateriële schade. Er is bij de benadeelde partij onder meer sprake van hersenletsel, een breuk aan de middelvinger, een breuk in de neus, littekens in het aangezicht en een breuk in het sleutelbeen. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.830,00 euro ter zake van feit 3. Deze vordering ziet op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor een nieuwe deur. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te moeilijk is om te beoordelen. De vordering is op meerdere punten onvoldoende onderbouwd en bij de beoordeling moet worden betrokken of er sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hoewel er geen offerte is bijgevoegd, heeft de verdachte zich bereid verklaard om de schade te betalen. De gijzeling kan in dit geval worden vastgesteld op één dag.7.3.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te onduidelijk is en daardoor een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om alleen een bedrag toe te wijzen voor de breuk in de neus, de vordering sterk te matigen en rekening te houden met een mate van eigen schuld.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, ondanks dat de vordering niet is onderbouwd en niet voldoet aan de formele eisen omdat de handtekening ontbreekt. De verdachte is immers bereid om de schade te betalen.7.4.

Het oordeel van de rechtbank

Vordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten breuken van de neus en middelvinger en licht traumatisch hersenletsel. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de pijn die daarvan het gevolg is geweest en de onderbouwing daarvan aan de hand van foto’s en medische informatie, acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van € 5.000,00 billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toe. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, met het bijbehorende aantal dagen gijzeling.

Vordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)

De rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt en de verdachte zich bereid heeft verklaard de schade te vergoeden, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Er zal maar één dag gijzeling worden toegepast, gelet op de gebreken die aan de vordering kleven en de overeenstemming ter zitting over de duur van de toe te passen gijzeling.

8. Het beslag

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 dient het inbeslaggenomen goed – te weten een ijzeren pijp/staaf – teruggegeven te worden aan de verdachte.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

  • spreektde verdachtevrijvan feit 2;

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezenzoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feitenoplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Maatregel

gelast dat de verdachte ter beschikkingwordtgesteld met voorwaardenten aanzien van feit 1 primair;

stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:

1. Geen strafbaar feit plegen

Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2. Meewerken aan reclasseringstoezicht

Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

  • Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

  • Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;

  • Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

  • Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

  • Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;

  • Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

  • Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

  • Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.

3. Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling (FPK / FPA). Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

4. Niet naar het buitenland

Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

5. Opneming in een zorginstelling

Veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (NIFP-IFZ / DIZ). De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de agressieproblematiek, de ADHD, de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

6. Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich na afronding van de klinische behandeling behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische en verslavingsproblematiek, en de agressiebeheersing, schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in een begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering nodig acht. Het verblijf start na de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

8. Verbod verdovende middelen

Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

9. Alcoholverbod

Veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

10. Contactverbod

Veroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .

11. Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

12. Aflossing schulden

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Toezicht

  • geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dadelijke uitvoerbaarheid

  • beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;

Benadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 1

wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijkis en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van5.000,00 euro;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

Benadeelde partij [naam cafetaria] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 3

wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam cafetaria] , van een bedrag van1.830,50 euro, bestaande uit materiële schade;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [naam cafetaria] van een bedrag van1.830,50 euro;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;Beslag

  • gelast de teruggave vanhet volgende inbeslaggenomen goed aan de rechthebbende:

1. STK pijp (G1786919).

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. K. Mestrom en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.H.G. Staals, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.

Mr. Y.R.S. Piekhaar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1 primair:

hij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf en/of moersleutel, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2 primair:

hij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

hij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 3:

hij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo

opzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam cafetaria] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer OL2300-2025056739, gesloten d.d. 27 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 215.

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025, pg. 13-15.

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.

Proces-verbaal van aanhouding verdachte van 8 april 2025, pg. 184-186.

Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 april 2025, pg. 55-57.

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.

Meer Beslissingen