Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2026:3265

Rechtbank

Utrecht

Datum

9 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2445
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal

(gemachtigde: mr. G. Bozkurt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden (Hbh) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker ontving hulp bij zijn huishouding op grond van een indicatie die is verleend tot 5 oktober 2025. Het bezwaar van verzoeker gericht tegen de feitelijke stopzetting van deze huishoudelijke ondersteuning heeft het college bij besluit van 11 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft hierbij het standpunt ingenomen dat het bezwaar niet is gericht tegen een appellabel besluit. Tegen een feitelijke handeling, het eindigen van de indicatie, staat namelijk geen bezwaar open. Verder kan de email van verzoeker van 22 september 2025 waarin hij aangaf verlenging te willen van zijn hulp bij zijn huishouding niet gezien worden als een aanvraagmaar als een melding, zo stelt het college. Er is dan ook geen dwangsom verschuldigd naar aanleiding van de ingediende ingebrekestelling vindt het college. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Ook heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van de zaak.

Spoedeisend belang

4. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als er bijvoorbeeld een onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld faillissement) of sprake is van acute financiële nood. Omdat beroep is ingediend tegen de beslissing op bezwaar, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening noodzakelijk maakt in afwachting van de uitspraak op dat beroep.

5. Verzoeker heeft in het kader van het spoedeisend belang aangegeven dat de situatie in zijn huishouding bij gebrek aan hulp onhoudbaar is. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat verzoeker zelf zijn huishouden door zijn lichamelijke beperkingen niet kan bijhouden. Dat op zichzelf geeft echter geen spoedeisend belang, omdat het geen onomkeerbare situatie betreft. De huishoudelijke taken kunnen namelijk later alsnog worden gedaan, en niet gesteld of gebleken is dat het huis van verzoeker zodanig vervuild is, dat het onleefbaar dreigt te worden of is geworden. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat aan verzoeker inmiddels weer hulp bij zijn huishouding is toegekend, van 22 september 2025 tot en met 10 november 2026. Het college heeft daarbij aangegeven dat navraag bij de zorgaanbieder heeft uitgewezen dat verzoeker vanaf de week van 11 mei 2026 weer feitelijk hulp bij de huishouding kan krijgen. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat geen sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Evident onrechtmatig besluit

6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat zonder nader onderzoek naar de relevante feiten niet nu al ernstig kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. Er kan dus niet van de evidente onrechtmatigheid van dit besluit uitgegaan worden.Belangenafweging

8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

griffier

Voorzieningenrechter

de voorzieningenrechter is buiten staat te tekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

In de zin van artikel 2.3.5, eerste lid, van de Wmo 2015.

In de zin van artikel 2.3.2. eerste lid, van de Wmo 2015.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit met verzenddatum 21 april 2026 is hulp bij huishouding toegekend voor de periode van 17 april 2026 tot en met 18 oktober 2026, wat bij besluit van 12 mei 2026 is gecorrigeerd naar de periode van 22 september 2025 tot en met 10 november 2026.

Meer Beslissingen