ECLI:NL:RBMNE:2026:3290
Samenvatting
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1771
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , woonplaats onbekend, eiser,
en
Centraal Bureau voor de Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van 30 januari 2025 dat eiser heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder.
Verweerder heeft op 3 april 2025 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 194,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft eiser op 17 april 2025 een aangetekende brief gestuurd naar het door eiser in zijn beroepschrift genoemde adres in [plaats] , waarin staat dat eiser het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiser het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Deze brief is onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. De rechtbank heeft opgemerkt dat de beslissing op bezwaar naar een adres in [plaats] is verzonden. Verweerder heeft aangegeven bekend te zijn met dit adres als zijnde het adres van eiser. Daarom heeft de rechtbank op 23 oktober 2025 een aangetekende brief gestuurd naar het adres in [plaats] , waarin staat dat eiser het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiser het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Deze brief is eveneens onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd.
5. Nu de rechtbank tweemaal op verschillende adressen heeft geprobeerd eiser te bereiken en dit niet gelukt is en er verder geen andere adresgegevens van eiser bekend zijn (eiser staat niet ingeschreven in de BRP), concludeert de rechtbank dat eiser het griffierecht niet tijdig heeft betaald. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb).
6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
De griffier is buiten staat te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.