Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2026:3293

Rechtbank

Utrecht

Datum

26 March 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2220

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van 25 maart 2025 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van

16 oktober 2024.

Op 1 april 2025 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin hij het bezwaarschrift van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.

Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.

2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.

4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast. Toegekend wordt € 467,-.

5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Meer Beslissingen