Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2026:3304

Rechtbank

Utrecht

Datum

6 March 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/3754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder

(gemachtigde: R. Kluvers).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Verweerder heeft op 1 december 2025 gereageerd op dit verzoek.

Verzoekster is in bezwaar gegaan tegen het besluit van verweerder. Verweerder heeft op 16 september 2025 een beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde.

Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).

2. Verzoekster heeft een vergoeding van € 53,- gevraagd aan verschotten.

3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en aangegeven dat hij ervan uitgaat dat verzoekster met de verzochte proceskosten het griffierecht bedoelt.

4. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb onder verschotten worden verstaan uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken. De rechtbank is van oordeel dat de door verzoekster gestelde kosten van het griffierecht niet valt onder die categorie.

5. Alleen de kosten die zijn opgenomen in artikel 1 van het Bpb kunnen worden vergoed. Omdat niet is gebleken dat kosten zijn gemaakt zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) of van andere kosten die zijn opgenomen in artikel 1 van het Bpb, zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. Omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt, hoeft verweerder hier niet toe veroordeeld te worden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van

J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Meer Beslissingen