[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbmne-2026-4006":3,"decision-more-ecli-nl-rbmne-2026-4006":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"997","ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","",63,"Utrecht","utrecht","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F26\u002F1033 R\n\nuitspraakdatum: 2 juli 2026\n\nVonnis op grond van artikel 350 lid 3 Fw (tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling)\n\nIn de zaak van:\n\n [verzoeker] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mrs. A. Coppelmans en M.E.R. van Herpen, kantoorhoudend in Den Haag,\n\ntegen\n\n [verweerster] ,\n\nwonende op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,\n\nverweerster,\n\nhierna te noemen: [verweerster] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Biezen, kantoorhoudend in Den Haag.\n\n1. Het procesverloop\n\nBij vonnis van 12 februari 2026 is ten aanzien van [verweerster] de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) uitgesproken met benoeming van mr. G. Konings tot rechter-commissaris en dhr. B.L. Menting tot bewindvoerder.\n\nMet een verzoekschrift, gedateerd op 6 maart 2026, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht om de toepassing van de Wsnp tussentijds te beëindigen. Vervolgens is de mondelinge behandeling bepaald op 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft vóór de mondelinge behandeling kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nverzoekschrift ingediend door [verzoeker] met bijlage 1 t\u002Fm 44;\n\nverweerschrift van [verweerster] met bijlage N01 t\u002Fm N05 en de referentieset;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 1 juni 2026 met bijlage 45 t\u002Fm 49;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlage 50;\n\nde aanvullende reactie van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlages N01 t\u002Fm N08;\n\nde nagestuurde referentieset bij het verweer van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026.\n\nOp de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 zijn [verzoeker] en zijn beide advocaten verschenen. Mr. Coppelmans heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. [verweerster] is eveneens verschenen en bijgestaan door haar advocaat voornoemd. [verweerster] heeft aan het einde van de mondelinge behandeling een “nadere toelichting”voorgedragen en overgelegd. Verder heeft [verweerster] nog een aan haar gerichte“werkgeversverklaring mbt reintegratie werkzaamheden”, gedateerd 3 juni 2026, overgelegd. Op de mondelinge behandeling is tenslotte nog verschenen dhr. B.L. Menting, bewindvoerder van [verweerster] .\n\nVonnis is bepaald op heden.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.\n\n [verzoeker] verzoekt de rechtbank “de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van mevrouw [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1972, op grond van artikel 350 lid 3 sub e en\u002Fof sub f Fw tussentijds te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”\n\nIn zijn verzoekschrift voert [verzoeker] aan dat er sprake is van benadeling van schuldeisers en schulden te kwader trouw. Indien, aldus [verzoeker] , [verweerster] alle relevante informatie had gedeeld was de toepassing van de schuldsanering nimmer uitgesproken. De toepassing van de Wsnp dient dan ook tussentijds te worden beëindigd, zonder toekenning van de schone lei. [verzoeker] beroept zich op twee gronden:\n\ni) artikel 350, lid 3 sub e Fw: [verweerster] tracht haar schuldeisers te benadelen;\n\nii) artikel 350, lid 3 sub f Fw: er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoek tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen.\n\n2.2.\n\n [verweerster] verzoekt de rechtbank: “het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen en het vonnis van 13 februari 2026, waarbij verweerster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, in stand te laten.”\n\nIn haar verweerschrift concludeert [verweerster] dat de door [verzoeker] , in zijn verzoekschrift, aangevoerde “feiten en omstandigheden” ofwel feitelijk onjuist zijn, ofwel niet onderbouwd, ofwel bekend waren bij de toelatingsrechter en bij de toelating zijn meegewogen. Er is geen sprake van benadeling van schuldeisers in de zin van artikel 350, lid 3 sub e Fw. Er zijn geen naderhand bekend geworden feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw die tot afwijzing van het toelatingsverzoek hadden geleid. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging is, aldus [verweerster] , niet gegrond en dient te worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling van het verzoek\n\n3.1.\n\nBij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.\n\n- Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag d.d.\n\n [datum echtscheiding] 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nBij beschikking van 31 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding.\n\nNadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld tegen voormelde beschikking van 31 januari 2022 en [verweerster] incidenteel hoger beroep had ingesteld heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 7 december 2022 de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 vernietigd en -opnieuw rechtdoende- een andere wijze van verdeling gelast en [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag ad\n\n€ 278.372,50 aan [verzoeker] . Bij beschikking van 29 maart 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van 7 december 2022 verbeterd aldus dat het door [verweerster] aan [verzoeker] te betalen bedrag is bepaald op € 289.304,30.\n\nDirect ná de beschikking van 31 januari 2022 heeft [verweerster] diverse beslagen ten laste van [verzoeker] doen leggen. In de daarop volgende procedures zijn -voor zover einduitspraak is gedaan- de vorderingen van [verweerster] afgewezen.\n\nBij vonnis in kort geding d.d. 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag alle ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen opgeheven, [verweerster] verboden opnieuw executoriaal beslag te leggen ter zake partneralimentatie en - kort en zakelijk samengevat- [verweerster] veroordeeld mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van\n\n7 december 2022 (en aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023).\n\nEind 2024 heeft [verweerster] de rechtbank Midden-Nederland verzocht om toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nHet verzoek van [verweerster] om toegelaten te worden tot de Wsnp is door de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 6 juni 2025 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 25 februari 2025 bekrachtigd.\n\nEind 2025 heeft [verweerster] zich opnieuw tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met een verzoek toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nBij vonnis van 13 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland [verweerster] toegelaten tot de Wsnp. Voor zover thans van belang heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:\n\n“De rechtbank overweegt dat hetgeen het hof heeft overwogen over het gebrek aan goede trouw van [verweerster] ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp. [verweerster] heeft immers in augustus 2023 een recht van hypotheek aan [bedrijf 1] B.V. verstrekt. De in artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet opgenomen driejaarstermijn verstrijkt dus pas in augustus 2026.\n\nHoewel deze omstandigheid toelating tot de Wsnp in beginsel in de weg staat, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van de uitzichtloze situatie van [verweerster] en ter voorkoming van verdere neergang, een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank zal evenwel ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen van [verweerster] , de duur van de schuldsanering verlengen en licht dit als volgt toe.”\n\nen verder:\n\n“De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de uiteenzetting van [verweerster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 waarin [verweerster] aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijke procedures er thans lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden, dit aspect een toewijzing tot de Wsnp niet in de weg staat. De rechter-commissaris zal verder de voortzetting en aanvang van (nieuwe) procedures dienen te beoordelen.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2026 heeft het gerechtshof het hiervoor vermelde kort geding vonnis van 16 september 2024 bekrachtigd met veroordeling van [verweerster] in de geliquideerde proceskosten. Daarbij heeft het gerechtshof Den Haag het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot de procedures die zij tegen de man heeft gevoerd. Ook van haar kan worden verlangd dat zij op een correcte wijze uitvoering geeft aan rechterlijke beslissingen en van haar kan ook in redelijkheid worden verlangd dat zij niet nodeloos de man in rechte betrekt. Ook de advocaat van de vrouw heeft hier een rol in om nodeloze procedures te voorkomen. Gezien de proceshouding van de vrouw ziet het hof thans aanleiding haar in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal thans nog uitgaan van het liquidatietarief.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 2 juni 2026 -waarbij het gerechtshof de door [verweerster] bestreden vonnissen van de rechtbank Den Haag d.d. 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 heeft bekrachtigd, is [verweerster] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verzoeker] . Daarbij heeft het gerechtshof het volgende overwogen: “Uit de gewisselde stukken volgt dat [verweerster] een veelvoud aan procedures (waaronder naast bodemprocedures meerdere kortgedingen en beslagprocedures in twee instanties) tegen [verzoeker] heeft opgestart, waarop zij ook in eerdere procedures reeds onherroepelijk besliste geschilpunten veelal opnieuw -al dan niet in een andere vorm- naar voren brengt. Het hof concludeert dat [verweerster] , nadat zij daar al eerder op is gewezen, (ook) in deze procedure in hoger beroep weer een groot aantal stellingen naar voren brengt, zonder daarbij duidelijk aan te geven tegen welke oordelen zij zich richt en welke bezwaren (grieven) er precies tegen die oordelen worden aangevoerd, hetgeen de positie van de wederpartij onnodig verzwaart ook stelt het hof vast dat [verweerster] geen uitvoering heeft gegeven aan de in gezag van gewijsde gegane beschikkingen van dit hof van 7 december 2022 en 29 maart 2023, en ook niet aan een aantal andere onherroepelijke veroordelingen, al dan niet op straffe van een dwangsom opgelegd (bijvoorbeeld ten aanzien van het huisje in België). Daarmee bemoeilijkt ze de afronding van andere geschilpunten en procedures die tussen partijen lopen zonder dat daar een goede grond voor is gebleken. Ook zijn er beslagprocedures gevoerd, waarbij het door [verweerster] gelegde beslag moest worden opgeheven omdat daar geen of te weinig grondslag voor bleek te bestaan. Dit alles heeft geleid tot hoog opgelopen proceskosten voor [verzoeker] en nu ook de BV, die mede de oorzaak zijn voor het feit dat in de onderhavige procedure niet tot afstorting van pensioen kan worden overgegaan. Bij arrest van 26 maart 2026 van dit hof heeft het hof al overwogen dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot het voeren van procedures tegen de man en heeft het hof de vrouw in de proceskosten veroordeeld, het hof verwijst naar productie 72 van de akte van geïntimeerden. Uit productie 73 van voormelde akte volgt dat [verweerster] op 7 april 2026 wederom in hoger beroep heeft gedagvaard met betrekking tot appel van een vonnis van 11 maart 2026. Er komt geen eind aan alle procedures die [verweerster] voert en blijft voeren. Gezien de proceshouding van [verweerster] is het hof van oordeel dat zij hiermee al met al misbruik van procesrecht maakt ten opzichte van [verzoeker] . Het hof zal [verweerster] veroordelen in de werkelijke proceskosten conform de opgave van de advocaat van geïntimeerden (….), nu deze opgave in hoger beroep onbestreden is gebleven. Het gaat dan om een bedrag van € 15.888,--, inclusief griffierecht ad € 6.803,--”.\n\nAlvorens de door [verzoeker] aangevoerde twee gronden voor tussentijdse beëindiging te\n\nbespreken overweegt de rechtbank het volgende.\n\nIn haar aan de toelating tot de Wsnp ten grondslag liggend verzoekschrift is het volgende verwoord:\n\n“Mevrouw [verweerster] is bij arrest van het gerechtshof van 29 maart 2023 veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan haar ex-partner.\n\nNaar aanleiding van deze uitspraak is de heer [verzoeker] vanaf 1 oktober 2023 overgegaan tot het inhouden van een substantieel deel van de door hem verschuldigde partneralimentatie. Hierdoor is het inkomen van mevrouw [verweerster] drastisch gedaald.\n\nOm zich te verweren tegen de voortdurende juridische conflicten met haar ex-partner heeft mevrouw [verweerster] noodgedwongen verschillende deskundigen moeten inschakelen, waaronder advocaten, deurwaarders en pensioenadviseurs. De aanzienlijke kosten die hieruit zijn voortgevloeid hangen allemaal rechtstreeks samen met de te hoge verrekening van de partneralimentatie door de heer [verzoeker] en daarnaast ook door de onrechtmatige onttrekking van dividend, de weigering van [verzoeker] van de waardeoverdracht pensioenreserve naar een andere toegelaten pensioenaanbieder en zijn weigering tot medewerking aan de overname van het eigendomsaandeel van mevrouw [verweerster] van het chalet in de [plaats 1] als ook de medewerking van de verkoop aan derden.\n\nDeze schulden zijn dan ook niet het gevolg van verwijtbaar financieel gedrag, maar vinden hun oorsprong in omstandigheden die buiten de invloedssfeer van mevrouw [verweerster] liggen. In oktober 2024 heeft mevrouw [verweerster] , gelet op de uitzichtloze situatie waarin zij verkeert, een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Dit verzoek is in zowel eerste aanleg als hoger beroep afgewezen.\n\nSinds die tijd is haar financiële positie verder verslechterd. De heer [verzoeker] is nog minder alimentatie gaan betalen, waardoor het inkomen van mevrouw [verweerster] verder is gedaald. Daarnaast is zij inmiddels arbeidsongeschikt geraakt door de langdurige financiële stress en onzekerheid. Ondanks deze omstandigheid blijft mevrouw [verweerster] zich volledig inspannen om haar lopende verplichtingen te voldoen.”\n\nDe rechtbank vindt dat [verweerster] met deze inleiding in haar verzoekschrift toelating Wsnp een vertekend beeld heeft gegeven van de werkelijkheid. Er zijn diverse procedures tussen partijen gevoerd (en er lopen nog procedures) die zijn begonnen nadat [verweerster] beslag en executiemaatregelen is gaan nemen op basis van de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 wetende dat tegen deze beschikking hoger beroep was ingesteld. Hier komt bij dat, nadat de beschikking van de rechtbank Den Haag door het gerechtshof Den Haag was vernietigd en het gerechtshof een andere wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden had gelast, [verweerster] is doorgegaan met beslagen en executiemaatregelen, daarbij de inhoud van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 niet in acht nemend. Het beeld dat uit de vele procedures opkomt is dat [verweerster] geen uitvoering wenst te geven aan de onherroepelijke beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 (aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023), daarbij talloze procedures heeft geïnitieerd met als meest recente uitkomst twee proceskostenveroordelingen door het gerechtshof Den Haag .\n\nArtikel 350, lid 3 sub e Fw\n\n3.3.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub e Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\n- vermogen heeft verschoven naar derden via een web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen. In haar Wsnp-verzoek heeft [verweerster] als onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven en KvK-uittreksels van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] overgelegd. Uit deze uittreksels volgt enkel dat [naam 1] bestuurder is. Hiermee poogt [verweerster] , aldus [verzoeker] , haar betrokkenheid bij deze vennootschappen te verbergen. Eerst na haar toelating tot de Wsnp is [verzoeker] gebleken Dat [bedrijf 1] B.V. onder [bedrijf 2] hangt welke stichting voorheen gevestigd was op het woonadres van de ouders van [verweerster] . Op 23 maart 2024 heeft [verweerster] [bedrijf 5] B.V. opgericht van welke B.V. de dochter van partijen, [naam 2] , sedert 17 mei 2024 enig aandeelhouder is. [naam 2] was op dat moment 18 jaar en was bezig met het afronden van de middelbare school in Italië. Op 18 april 2025 is [bedrijf 5] B.V. enig aandeelhouder geworden van [bedrijf 5] B.V., eveneens gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . Eveneens op naam van dochter [naam 2] is op\n\n26 april 2024 [bedrijf 6] B.V. opgericht, ook gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . [bedrijf 6] B.V. is enig aandeelhouder van [bedrijf 7] B.V. en [bedrijf 8] B.V. Deze laatste B.V. heeft als omschrijving: handel in onroerend goed en bemiddeling in en beheer van onroerend goed voor een vast bedrag dan wel bedrag op contractbasis. Dit past bij [verweerster] die makelaar is, niet bij [naam 2] die -voor zover [verzoeker] bekend- nog student is aan de [onderwijsinstelling] . Op 15 februari 2022 heeft [verweerster] [bedrijf 3] B.V. opgericht en één dag later [bedrijf 9] B.V. waarvan [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder is. Sinds 2023 is mevrouw [naam 1] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) bestuurder van de B.V. en is de [bedrijf 4] enig aandeelhouder van de B.V. en de deelnemingen. Het is onbekend of [verweerster] haar aandelen heeft verkocht en, zo ja, voor welk bedrag. Ook is onbekend of [verweerster] nog inkomen ontvangt uit deze ondernemingen. En tenslotte: [verweerster] was haar opheffing op 15 oktober 2024 gevolmachtigde van [bedrijf 10] B.V., gevestigd op het adres van haar ouders. Het is onbekend wat de rol van [verweerster] is geweest;\n\ndrie percelen grond in Italië heeft verkocht aan een offshore entiteit in een niet transparante jurisdictie. In mei 2022, slechts enkele dagen nadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld, heeft [verweerster] drie percelen grond in Italië verkocht aan [bedrijf 11] , gevestigd te [plaats 2] en [plaats 3] . Niet duidelijk is onder welke voorwaarden deze verkoop heeft plaatsgevonden. In haar verzoekschrift toelating Wsnp vermeldt [verweerster] dat zij een bedrag ad € 120.000,-- heeft ontvangen maar dat is niet geloofwaardig nu in de procedure bij het gerechtshof Den Haag de onroerende zaken zijn gewaardeerd op € 384.000,--. De verkoop aan een offshore entiteit in een niet-transparante jurisdictie, kort ná aanvang van het hoger beroep, was kennelijk gericht op het onttrekken van vermogen aan het verhaal van schuldeisers;\n\nonrechtmatig hypotheek heeft gevestigd op een woning die reeds aan [verzoeker] was toegedeeld. In haar Wsnp-verzoek stelt [verweerster] dat [verzoeker] weigert zijn medewerking te verlenen aan de overname van het eigendomsdeel van [verweerster] dan wel het verkopen aan derden. Het tegendeel is echter het geval, aldus [verzoeker] . [verweerster] is, eerst vanwege de beschikking van 7 december 2022 en later het vonnis van 16 september 2024, gehouden tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van het chalet in België aan [verzoeker] . [verweerster] heeft echter (i) geen enkele actie ondernomen om tot doorhaling van de hypotheek op de woning te komen en (ii) heeft door het weigeren van medewerking een bedrag ad € 60.000,-- aan dwangsommen verbeurd;\n\nde beslagvrije voet kunstmatig hoog gehouden door structureel onjuiste en onvolledige inkomensgegevens te verstrekken, waardoor het voor verrekening beschikbare gedrag werd geminimaliseerd en [verzoeker] als schuldeiser direct werd benadeeld;\n\nde aard van haar schulden onjuist voorgesteld door haar eigen agressieve processtrategie en onrechtmatig handelen te presenteren als noodzakelijk verweer.\n\nDit alles, aldus [verzoeker] , levert in samenhang en los bezien een grond op voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350, lid 3 sub e Fw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub e Fw opgaat. Bij de toepassing van artikel 350, lid 3 sub e Fw gaat het in wezen om gedrag dat in de gegeven omstandigheden niet als te goeder trouw kan worden geschetst. Daarvan is in ieder geval sprake bij de hiervoor in 3.3. eerste, derde en vijfde gedachtestreepje genoemde handelingen en nalatigheden. Voor wat betreft het hiervoor genoemde “web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” blijkt uit het verzoekschrift toelating Wsnp in ieder geval dat [verweerster] onvolledig is geweest. Dat had wel gemoeten met een deugdelijke toelichting waarom meerdere vennootschappen waarbij [verweerster] betrokken was over zijn gegaan naar een medewerker van haar vennootschap en de net meerderjarige dochter van [verzoeker] en [verweerster] . Door aldus te handelen heeft [verweerster] objectief de schijn gewekt vermogen achter te houden en daarmee haar schuldeisers, waaronder [verzoeker] , te benadelen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is in ieder geval ook sprake voor zover het betreft de vakantiewoning in België. Nu uit de beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 7 december 2022 volgt dat partijen het eens zijn dat de vakantiewoning wordt toegedeeld aan [verzoeker] heeft [verweerster] deze toedeling gefrustreerd door een recht van hypotheek te vestigen op het door haar aan [verzoeker] over te dragen aandeel in de woning. Onbegrijpelijk is dat [verweerster] nog steeds niets heeft gedaan om tot doorhaling van de hypotheek te komen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is verder sprake voor zover het betreft de recente proceskostenveroordelingen. Dit betreffen nieuwe schulden aan [verzoeker] . De in de door [verweerster] overgelegde “werkgeversverklaring mbt reïntegratie werkzaamheden” genoemde schenking maakt dit niet anders. De schenking is immers gedaan onder de voorwaarde dat [verweerster] in de Wsnp blijft en dat is niet het geval zoals hierna zal worden beslist.\n\nArtikel 350, lid 3 sub f Fw\n\n3.5.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub f Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\nondernemingen heeft verzwegen. [verweerster] heeft in het Wsnp-verzoek als (ex-)onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven. Ten tijde van de toelating was [verweerster] echter (in)direct betrokken bij meerdere vennootschappen. Van [bedrijf 3] B.V. is weliswaar een KvK-uittreksel bijgevoegd, maar uitsluitend in de huidige staat (met [bedrijf 4] als bestuurder), zonder enige toelichting op de eerdere betrokkenheid van [verweerster] . Hiermee poogt [verweerster] haar eerdere betrokkenheid bij deze vennootschap te verhullen;\n\ncruciale gerechtelijke uitspraken niet in het Wsnp-verzoek heeft opgenomen. Het betreft:\n\n(i) het vonnis in kort geding van 16 september 2024, waarin alle beslagen ten laste van [verzoeker] zijn opgeheven, [verweerster] diverse ge- en verboden zijn opgelegd (waaronder een verbod tot het leggen van executoriaal beslag voor partneralimentatie, versterkt met dwangsommen tot € 75.000 respectievelijk € 60.000 en een gebod tot medewerking aan levering van aandelen en de woning in België);\n\n(ii) het vonnis van 21 augustus 2024, waarin de pensioenvordering van [verweerster] is afgewezen en de reconventionele vorderingen van [verzoeker] (onverschuldigde betaling ad € 123.336,44 en proceskosten ad € 4.437,00 zijn toegewezen);\n\n(iii) de beslissing van het Tribunal de Premiere Instance du Luxembourg, Division Neufchateau, van 23 april 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de woning in België is afgewezen en [verweerster] is veroordeeld in de proceskosten;\n\n(iv) de beschikking van 26 juni 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de aandelen in [bedrijf 12] B.V. is afgewezen en zij is veroordeeld in de proceskosten.\n\nIn het bijzonder, aldus [verzoeker] , is het vonnis van 16 september 2024 van groot belang, nu daaruit een patroon blijkt van onrechtmatige beslaglegging, het frustreren van gerechtelijke uitspraken en de noodzaak tot het opleggen van ge- en verboden versterkt met aanzienlijke dwangsommen. Indien deze uitspraken bij de toelating bekend waren geweest, hadden zij aanleiding gegeven het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van goede trouw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub f Fw opgaat.\n\nZoals de rechtbank hiervoor in 3.4. heeft overwogen heeft [verweerster] met “het web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” de schijn gewekt vermogen achter te houden. Daarmee ontbreekt in ieder geval de goede trouw zoals vereist voor toelating tot de Wsnp. Dat geldt ook voor wat betreft het onvolledig zijn met betrekking tot het vermelden van gerechtelijke procedures in haar verzoek om toelating tot de Wsnp. De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat vermelding en bespreking van in ieder geval het kort geding vonnis van 16 september 2024 niet had mogen ontbreken. Met dit vonnis en de daarmee niet strokende inleiding van haar verzoek tot toelating Wsnp (zie hiervoor 3.2) zou [verweerster] niet zijn toegelaten tot de Wsnp.\n\n3.7.\n\nHet vorenstaande leidt tot toewijzing van het verzoek zoals hierna in het dictum van dit vonnis verwoord. De rechtbank merkt hierbij overigens nog het volgende op.\n\nAan dit vonnis ligt ten grondslag de in 1.3. genoemde stukken en het verhandelde van 4 juni 2026. De rechtbank heeft geenkennis van andere stukken zoals bijvoorbeeld de aantekeningen van de zitting van 14 januari 2026.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en bepaalt dat de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis;\n\n- stelt het salaris van de bewindvoerder, dhr. Menting, vast op € 3.052,50 incl. btw en voorschotten, voor zover het boedelactief toereikend is.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met de griffier, R.A. Oelen, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nHoger beroep tegen dit vonnis kan alleen worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de uitspraak van dit vonnis.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","ecli-nl-rbmne-2026-4006",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Insolventierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]