ECLI:NL:RBMNE:2026:4022
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Lelystad
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/327745-23 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1984] in [geboorteplaats] ,
domicilie kiezende te [adres] te [plaats] ,
(hierna: de verdachte).1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 17 september 2025 en 23 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 17 september 2025, maar bij tussenvonnis van 24 september 2025 heropend. Het onderzoek is vervolgens opnieuw gesloten op 23 juni 2026.
Op de zitting van 23 juni 2026 waren aanwezig:
de officier van justitie: mr. A. Dam;
de verdachte;
de advocaat van de verdachte: mr. M.J. Schimmel (hierna: de advocaat);
de tolk: de heer D. Hosseini Abdolabadi
de vader van de benadeelde partij [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ): de heer [A] ;
de advocaat van [aangeefster] : mr. W.S.W. van der Donk;
twee deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut.2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 23 september 2023 te Lelystad ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster] , die toen jonger was dan zestien jaar.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Vrijspraak
3.1..
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, met uitzondering van het likken of kussen van de billen en vagina.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd.
3.2..
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.
3.3..
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat het feit niet wettig en overtuigend is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3.3.1..
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken (zoals deze zaak) bij de beoordeling van het bewijs zich veelal de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen. Als de verdachte ontkent, staat het woord van de één (het vermeende slachtoffer) tegenover het woord van de ander (de verdachte). Dat is ook in deze zaak het geval. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zittingen ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van de ontuchtige handelingen waarvan hij wordt beschuldigd.
Op grond van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat een verdachte de feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft begaan niet uitsluitend op basis van de verklaring van één getuige worden aangenomen. De vraag of aan dat bewijsminimum is voldaan, kan, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat de ontuchtige handelingen zelf steun vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de gebezigde verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Deze bewijsmiddelen moeten voldoende steun geven aan de verklaringen van [aangeefster] , in die zin dat het steunbewijs op een relevante manier in verband moet staan met de inhoud van die verklaringen. In ieder geval mag tussen die verklaringen en het andere bewijsmateriaal geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Naast de verklaring van [aangeefster] is er dus steunbewijs nodig.
De rechtbank overweegt als volgt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] en de vraag in hoeverre hetgeen zij heeft verklaard steun vindt in andere bewijsmiddelen.
3.3.2..
Betrouwbaarheid verklaringen [aangeefster]
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar zijn. Ze heeft volgens de officier van justitie in de kern consistent verklaard, haar verklaring is authentiek en spontaan tot stand gekomen en er is door haar moeder een gedragsverandering bij [aangeefster] waargenomen na het incident.
De rechtbank overweegt dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster] moet worden beoordeeld aan de hand van criteria als consistentie (geen innerlijke tegenstrijdigheden) en authenticiteit (echtheid; oorspronkelijkheid). Voor het criterium authenticiteit acht de rechtbank van belang hoe de verklaringen tot stand zijn gekomen.
Studioverhoor
[aangeefster] is op 26 september 2023 gehoord bij de politie in een kindvriendelijke studio. De omstandigheden waaronder dit verhoor met [aangeefster] – op dat moment een meisje van vier jaar oud – heeft plaatsgevonden maken dat de rechtbank haar verklaring met terughoudendheid leest. Voordat het verhoor bij de politie plaatsvond is er al enige tijd verstreken en heeft [aangeefster] al met tenminste vier volwassenen gesproken over het incident met de verdachte en er is in de tussentijd al veel gebeurd. Daar komt bij dat de rechtbank niet kan controleren hoe dit studioverhoor heeft plaatsgevonden omdat het verhoor niet is opgenomen, terwijl de rechtbank daar wel vragen over heeft. De verbalisant startte het verhoor met de uitnodiging aan [aangeefster] om alles te zeggen ‘over die meneer, de broek en de poenie (vagina).’ Dit terwijl in de aangifte en het informatief gesprek zeden alleen werd gesproken over dat de verdachte aan haar billen zou hebben gezeten. Deze vraag lijkt het gesprek te sturen en de antwoorden van [aangeefster] die daarop volgen zijn onduidelijk. Ook zegt [aangeefster] regelmatig dat zij het niet weet en gebruikt zij woorden waarvan zij de betekenis bij doorvragen niet blijkt te weten, zoals ‘tollie’. Op pagina 48 van het procesdossier zegt [aangeefster] : “(…) Hij heeft mij op mijn mond gekust en dat mag niet van mijn moeder. Ik was in een huis gegaan. En hij zei is het lekker? Ik zei nee. En mama had een mes in haar hand om mij pijn te doen. Om die meneer pijn te doen. Ze is niet boos op mij. Dat is het einde.” Vervolgens staat in het proces-verbaal opgemerkt dat verbalisant ( [verbalisant] ) instructie geeft over ‘verkeerd vertellen.’ Het proces-verbaal beschrijft niet waarom een dergelijke instructie op dat moment is gegeven. Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank twijfels heeft over de authenticiteit van de verklaring van [aangeefster] . De rechtbank merkt daarbij op dat in het algemeen met name heel jeugdige getuigen vatbaar zijn voor suggestie.
De rechtbank oordeelt dat gelet op het voorgaande de verklaring van [aangeefster] die zij bij de politie heeft afgelegd niet kan worden gebruikt als bewijs.
Getuigenverklaringen
Meerdere getuigen hebben een verklaring afgelegd over wat [aangeefster] hun heeft verteld over het incident. De rechtbank overweegt over de bruikbaarheid van die verklaringen als volgt.
Uit het procesdossier leidt de rechtbank af dat [aangeefster] nadat zij thuiskwam met haar moeder heeft gesproken. Tegen haar moeder vertelt zij eerst: “mama ik moet zeggen, maar je mag niet boos worden. Ze moest mij iets vertellen over de meneer. (…) de meneer [had] haar broek naar beneden getrokken.”Na deze opmerking is moeder naar de verdachte toe gegaan.
Terwijl moeder weg was, vertelde [aangeefster] haar stiefvader dat de verdachte haar broek naar beneden heeft gedaan, (iets) aan haar billen heeft gewreven, haar heeft opgetild en een kusje heeft gegeven. Weer later vertelt [aangeefster] dat de verdachte iets tussen haar vagina en billen heeft gesmeerd.
Tegen haar grootmoeder vertelde [aangeefster] dat de verdachte haar broek naar beneden heeft getrokken en heeft gekeken. Later vertelde ze haar grootmoeder dat de verdachte ook iets over haar billen smeerde en weer later vertelde ze dat de verdachte daarbij vroeg of ze het lekker vond.
De rechtbank overweegt dat de eerste verklaring van [aangeefster] tegen haar moeder betrouwbaar is. Zij heeft dit spontaan verteld aan haar moeder en er zijn geen aanwijzingen van beïnvloeding van deze opmerking. Dat ligt anders voor alles wat [aangeefster] daarna aan anderen heeft verteld. Daarvan is niet uit te sluiten dat dit is gekleurd door de heftige emoties die op haar eerste opmerking volgden. De eerste opmerking van [aangeefster] bracht dusdanig heftige emoties bij haar moeder teweeg, dat moeder met een mes dreigend in de richting van de verdachte is gegaan. Dat heeft [aangeefster] zien gebeuren. Op dat moment had [aangeefster] nog niets gezegd over andere handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de allereerste uiting van [aangeefster] tegen haar moeder. Namelijk dat de buurman haar broek naar beneden heeft getrokken.
3.3.3..
Steunbewijs
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangeefster] worden ondersteund door het aantreffen van DNA van de verdachte op het lichaam en de onderbroek van [aangeefster] .
De rechtbank overweegt ten aanzien van de bruikbaarheid van de onderzoeken van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) als steunbewijs als volgt.
Onderzoeken NFI naar DNA-materiaal
De onderbroek die [aangeefster] aanhad op 23 september 2023 is onderzocht op mogelijke DNA-sporen van de verdachte. In het rapport van 14 november 2023 is gerapporteerd dat er in een aantal bemonsteringen van de onderbroek van [aangeefster] DNA-sporen zijn aangetroffen. In twee bemonsteringen is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren aangetroffen. De resultaten zijn meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dat niet zo is. In een derde bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal vier donoren aangetroffen. Deze resultaten zijn ongeveer 700 miljoen keer waarschijnlijker wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dat niet zo is.
In de rapporten van 3 oktober 2023 en 12 november 2024 is onderzoek gedaan naar de aard van de sporen – of er wel of geen sprake is van spermasporen. Geconcludeerd is dat er een indicatie is voor mogelijke sporen van spermavloeistof. De deskundige die dit laatste rapport heeft opgesteld heeft op de zitting toegelicht dat uit de onderzoeksresultaten niet kan worden afgeleid hoeveel spermavloeistof er in de onderbroek zat. Ook heeft zij bevestigd dat de resultaten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen ook kunnen zijn ontstaan door andere lichaamsvloeistoffen dan spermavloeistof.
In het rapport van 27 oktober 2025 is Y-chromosomaal DNA-onderzoek uitgevoerd op bemonsteringen van het onderlichaam van [aangeefster] . De Y-chromosomale DNA-profielen zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man, dan wanneer dat niet zo is.
De rechtbank overweegt op basis van voorgaande rapporten, met inachtneming van de rest van het dossier, dat er DNA van verdachte op het lichaam en de onderbroek van [aangeefster] is aangetroffen. In beginsel kan het onderzoeksrapport daarom als steunbewijs dienen. Hoe het DNA van de verdachte op die plekken terecht is gekomen blijft onduidelijk. De rechtbank acht relevant dat het onderzoek naar spermavloeistof indicatief is geweest, wat maakt dat niet zeker is of het werkelijk om spermavloeistof gaat. Bovendien is de aard en hoeveelheid van de mogelijke spermavloeistof die is aangetroffen op de onderbroek niet bekend, waardoor op basis daarvan geen conclusie kan worden getrokken over de wijze waarop het DNA van de verdachte op de onderbroek terecht is gekomen.
Onderzoek NFI op activiteitenniveau
In het rapport van 25 februari 2025 is op basis van de onderzoeksresultaten naar DNA-sporen onderzocht wat de kans is dat verschillende activiteiten de onderzoeksresultaten hebben veroorzaakt. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat er DNA van de verdachte op de onderbroek van [aangeefster] is aangetroffen. Niet is meegenomen op welke delen van de onderbroek DNA-sporen zijn aangetroffen en ook niet wat de aard van de sporen is.
De deskundige heeft op zitting verklaard dat de vondst van DNA-sporen op het lichaam van [aangeefster] , mogelijk van de verdachte afkomstig, geen invloed hebben op zijn conclusies.
De conclusie van het onderzoek is dat de resultaten van het DNA-onderzoek twee keer waarschijnlijker zijn wanneer het verhaal van waar is, dan wanneer het verhaal van de verdachte waar is. De deskundige die dit rapport heeft opgemaakt heeft op de zitting toegelicht dat door andere handelingen van [aangeefster] zelf, door haar verzorgers, maar ook door het verpakken van de onderbroek het ook mogelijk is dat er DNA en biologisch materiaal is overgedragen van de ene naar de andere locatie. Dat [aangeefster] de onderbroek nog vijf uren na het incident heeft aangehad maakt ook dat er in die tijd contact is geweest tussen de onderbroek en de huid. Hierdoor kunnen DNA-sporen zijn overgedragen van de onderbroek naar de huid en andersom. Het sporenbeeld dat in de rapporten naar voren is gekomen, hoeft niet het sporenbeeld te zijn geweest van na het incident. Bovendien kan de deskundige niet uitsluiten dat door vochtige handen DNA van de verdachte door de pyjama van [aangeefster] en de onderbroek op de huid terecht is gekomen.
De rechtbank overweegt daarom dat het onderzoek op activiteitenniveau geen uitsluitsel geeft over wat er precies heeft plaatsgevonden tussen [aangeefster] en de verdachte. Op basis van de verklaring van [aangeefster] , de verklaring van de verdachte en de onderzoeksresultaten concludeert de rechtbank dat er contact is geweest. Maar juist over hoe dit contact eruit heeft gezien, lopen de verklaringen [aangeefster] en de verdachte uiteen. Het onderzoeksrapport heeft daarover onvoldoende duidelijkheid kunnen geven. De rechtbank oordeelt daarom dat dit onderzoeksrapport niet kan dienen als steunbewijs.
Gedragsverandering
De officier van justitie heeft als mogelijk steunbewijs ook de gedragsverandering van [aangeefster] na het incident aangedragen.
De rechtbank oordeelt dat de gedragsverandering die door moeder is waargenomen bij [aangeefster] na het incident niet rechtstreeks is terug te voeren op het handelen van de verdachte. Immers, zoals overwogen, heeft er na de ontmoeting met de verdachte nog meer plaatsgevonden wat mogelijk indruk op [aangeefster] heeft gemaakt. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de gedragsverandering (mede) daardoor is ontstaan. De waargenomen gedragsverandering bij [aangeefster] kan daarom niet als steunbewijs dienen.
3.3.4..
Alternatief scenario
De verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht. Volgens de verdachte heeft hij [aangeefster] opgetild en heeft hij haar een kusje op haar voorhoofd gegeven. Ter terechtzitting heeft de verdachte bij zijn vrouw voorgedaan hoe hij [aangeefster] zou hebben opgetild. Namelijk, met zijn hand onder haar billen. De verdachte heeft verklaard dat hij op het toilet zat toen [aangeefster] voor de deur stond. In de haast om de deur open te doen, heeft de verdachte zijn handen na de toiletgang niet gewassen. Volgens de verdachte kan het zijn dat zijn handen nog vochtig waren van de toiletgang, omdat hij zijn penis aan het schoonmaken was met zijn handen en hij last heeft van overmatig spermavocht en zweet. Verdachte heeft een brief overgelegd van een uroloog waarin als verslag van het urineonderzoek wordt vermeld: veel onbeweeglijke zaadcellen.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en om die reden zijn verklaring als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.
De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de verdachte niet dermate wisselend zijn geweest dat deze als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt. Tijdens de verhoren is er gebruik gemaakt van een tolk. De tolk die op 17 september 2025 op de zitting aanwezig was, heeft een voorbeeld van een vertaal ’fout’ bevestigd. Er zou door de vertaling verwarring kunnen zijn ontstaan over de vraag of de verdachte heeft gezegd dat hij een kind niet zou kunnen ‘optillen’ of zou kunnen ‘omarmen’, zonder dat het kind zou gaan gillen. De rechtbank acht het daarom mogelijk dat in de vertaalslag die gemaakt is door de tolk, er onderdelen in de verklaring verloren zijn gegaan, waardoor deze wisselend zijn overgekomen. Dat maakt niet dat de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig zijn.
Bovendien wordt het alternatieve scenario van de verdachte niet weerlegd door de inhoud van het procesdossier. De door de rechtbank als betrouwbaar aangemerkte verklaring van [aangeefster] dat de verdachte haar broek naar beneden heeft getrokken en de resultaten van de onderzoeken van het NFI kunnen ook passen in het door de verdachte aangedragen scenario. Door haar met een hand onder haar billen op te tillen kan de pyjamabroek die [aangeefster] droeg zijn verschoven. De betreffende pyjamabroek is niet onderzocht. De rechtbank oordeelt dat dit overigens ook geldt voor wat [aangeefster] tegen haar stiefvader heeft gezegd, namelijk dat de verdachte haar broek naar beneden heeft gedaan, (iets) aan haar billen heeft gewreven, haar heeft opgetild en een kusje heeft gegeven. Dit kan passen bij het scenario waarbij de verdachte haar met vochtige handen onder de billen heeft opgetild. De rechtbank heeft daarom niet de overtuiging dat de ontuchtige handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd, hebben plaatsgevonden.
3.3.5..
Conclusie
De rechtbank oordeelt op basis van al het voorgaande dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster] . De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
4. Vordering benadeelde partij
4.3..
Vordering van de benadeelde partij
[aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.108,60, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.108,60 voor vergoeding van materiële schade en € 3.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
reiskosten: € 102,10;
kosten onderbroek: € 6,50;
toekomstige schade: € 1.000,-.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
4.4..
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen. Namelijk de materiële kosten van de onderbroek (€ 6,50) en de reiskosten voor vervoer naar het politiebureau, het ziekenhuis en het studioverhoor (€ 52,60) en de immateriële schade (€ 3.000,-). Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
4.5..
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.
4.6..
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
5. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster]
- verklaart [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mr. S.C. Hagedoorn en mr. H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De oudste en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 september 2023 te Lelystad, met [aangeefster] , geboren op [2019] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
het betasten en/of wrijven en/of insmeren van de billen en/of de vagina, althans de schaamstreek, van die [aangeefster] en/of
het op de mond kussen van die [aangeefster] en/of
het likken aan/over en/of het kussen van de billen en/of vagina, althans de schaamstreek, van die [aangeefster] .